Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/1.3.2
1.3.2 Het "Actieplan Financiële Diensten" (FSAP)
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS581477:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Om de vaststelling van een dergelijk actieplan door de Europese Commissie was in 1998 door de Europese Raad van Cardiff verzocht. Hierover uitgebreid: Kristen (2004), p. 162-168.
Zie uitgebreid en met verdere verwijzingen over het FSAP: Moloney (2002), p. 25-32 en (2003), p. 809-813, Ferran (2004a), p. 1-7, Enriques/Gatti (2007) en Enriques/Trbger (2007), p. 10-14. Zie voorts, in de Nederlandse literatuur, Oostwouder (2002), Kristen (2004), p. 164-168, OostwouderNan der Krans (2004), Van Haerstolte (2006a) en (2006b), Grundmann-van de Krol/Kristen (2008), p. 11-14 en Giphart (2008).
Vgl. p. 4 van het FSAP. Over deze onderliggende doelstellingen ook Moloney (2002), op p. 26. Zij merkt op dat '[t]wo apects of financial services market integration were highlighted: the construction of deep and liquid EC capital markets which would serve issuers and investors better and the removal of the remaining barriers to the cross-border supply of retail financial services in order to ensure consumer choice while maintaining consumer confidence and a high level of consumer protection.' Zie verder Kristen (2004), p. 164 e.v. en Gmndmann-van de Krol/Kristen (2008), p. 11-13.
Zie voor deze 'progress reports' de website van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/intemalmarket/finances/actionplan/index_enhtm)
Vgl. p. 3 van het 'progress report' over 2004-2005; 'Commission Staff Working Document, Single Market in Financial Services Progress Report 2004-2005', Brussel 5 januari 2006 (SEC(2006) 17). Met voltooiing van deze initiatieven voor regelgeving heeft het FSAP, zoals de Europese Commissie opmerkt op p. 5 van het 'Witboek, Beleid Financiële Diensten 2005 — 2010' (van 5 december 2005; http://ec.europa.eu/intemal_market/finances/docs/white_paper/white_papernl.pdf) 'de integratie van de Europese financiële markten een krachtige impuls gegeven.'
Op 9 januari 2009 aangaande de Prospectusrichtlijn (http://ec.europa.eu/intemalmarket/secufities/prospectus/index_en.htm) en op 20 april 2009 aangaande de Richtlijn Marktmisbruik (http://ec.europa.eu/intemalmarket/consultations/2009/market_abuse_en.htm). Zie over het eerstgenoemde consultatiedocument Hijink (2009a).
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot, kort gezegd, wijzing van de Prospectusrichtlijn (Brussel, 23 september 2009, COM (2009) 491 definitief, 2009/ 0132 (COD)). Het voorstel is te vinden op de website van het Directoraat Interne Markt van de EC (http://ec.europa.eu/intemalmarket/secufities/prospectusfindex_en.htm).
Zie over de Lamfalussy-methode, genoemd naar de voorzitter van een 'commissie van wijzen' die deze methode van regulering heeft voorgesteld, uitvoerig: Van Dijk (2001), Drijber (2001), Moloney (2002), p. 25-32 en (2003), p. 813 e.v., Eisma (2002), p. 2050-2051, Drijber (2003), Hertig/Lee (2003), p. 3-12, Ferran (2004a), p. 5-7 en p. 58-126, Grundmannvan de Krol (2004), Kristen (2004), p. 168-175, Grundmann-van de Krol (2007), p. 10-16 en Grundmann-van de Krol/Kristen (2008), p. 14-22.
De afkorting 'ESC' staat voor 'European Securities Committee', het Europees Comité voor het effectenbedrijf. Dit Comité, dat is ingesteld door Besluit 2001/528/EG, is ingericht als een comitologiecomité. Het bestaat uit vertegenwoordigers van de Europese lidstaten — uit Nederland doorgaans werkzaam bij het ministerie van Financiën — en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Europese Commissie. Hierover meer uitgebreid: Drijber (2003), p. 115-116 en 118-119.
CESR is in juni 2001 ingesteld door Besluit 2001/527/EG en is samengesteld uit hooggeplaatste vertegenwoordigers van de nationale overheidsinstanties die bevoegd zijn op het gebied van effecten, aldus art. 3 van dit instellingsbesluit. Het wordt, zo volgt eveneens uit art. 3 van dat besluit, door één van hen voorgezeten. Over de rol en groei van taken van CESR, die zichzelf omschrijft als een 'netwerk' van toezichthouders, meer uitgebreid: Docters van Leeuwen (2005) en Moloney (2009). Naast CESR bestaan Europese toezichthouderscomités voor de bancaire en verzekeringssector, te weten CEBS en CEIOPS. Deze comités blijven verder onbesproken.
Het doel daarvan is het verzekeren van een goede samenwerking tussen de toezichthouders van de lidstaten op het effectenverkeer en het verzekeren van een consistente implementatie en toepassing van de op het eerste en tweede niveau totstandgekomen regelgeving. Hoewel de aanbevelingen van CESR niet-bindend zijn jegens anderen dan leden van CESR, lijken nationale toezichthouders zich — ten onrechte — wel op het standpunt te stellen dat van dergelijke verbindenheid jegens derden sprake is.
Europese uitvoeringsregelgeving in de vorm van verordeningen — zoals de Prospectusverordening — werkt rechtstreeks door in het nationale recht van de lidstaten. Omzetting is in dergelijke gevallen, in beginsel, niet nodig.
Besluit 2006/288/EG. Zie over ESME: Grundmann-van de Krol (2008a), p. 27-28.
Te vinden via de website van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/intemalmarket/securities/esme/index_en.htm).
Vgl. Hijink (2009a), p. 271-272, toegespitst op de niet altijd juiste adviezen van ESME over reikwijdte en doelstellingen van bepalingen in de Prospectusrichtlijn.
Voorbeelden daarvan zijn de Richtlijn Marktmisbruik en de Prospectusrichtlijn.
Zie bijvb. Drijber (2001) en (2003), p. 115-117, alsmede Hertig/Lee (2003), p. 13-12.
Op de gevolgen die het maximum harmoniserende karakter van Europese regelgeving heeft voor de mogelijkheden tot het ontstaan van 'regulatory competition' tussen Europese lidstaten, kom ik verderop in deze studie uitvoerig terug.
Zie reeds in kritische zin: Drijber (2003), p. 116. In 2006 is overigens de positie van het Europees Parlement in de Lamfalussy-procedure versterkt, door het Besluit 2006/512/EG. Zie hierover: Grundmann-van de Krol/Kristen (2008), p. 19-20 en Van der Plas (2006). Een ander punt van kritiek dat verband houdt met het gebrek aan democratische controle, ziet op de vraag of en in welke mate de door de Europese Commissie en CESR te houden consultaties over voorgenomen regelgeving als alternatief kunnen gelden voor democratische controle bij (latere) vaststelling van regelgeving. Daarover reeds kritisch Grundmannvan de Krol (2004), p. 34 en Grundmann-van de Krol (2008b). Zie voorts haar opmerking, in Grundmann-van de Krol (2005b), op p. 289 — overigens in een breder verband — 'dat alleen al het aantal, de omvang en het hoge tempo waarin de diverse consultatie-documenten (van CESR, ministerie van Financiën en AFM) verschijnen zodanig zijn dat het moeilijk is staande en bij te blijven te midden van dit 'geweld' aan concept-wet- en regelgeving.'
Zo is de Richtlijn Marktmisbruik, onder politieke druk, relatief snel tot stand gebracht en bestaat deze kaderrichtlijn uit relatief weinig bepalingen. Tegelijkertijd is vervolgens echter geen enkele lidstaat erin geslaagd om de kaderrichtlijn en uitvoeringsrichtlijnen tijdig om te zetten, mede omdat de tekst van de uitvoeringsmaatregelen pas op een laat moment vaststond. Hierover: Grundmann-van de Krol/Kristen (2008), p. 21-22. De vraag kan bovendien worden opgeworpen of een aantal elementen in de Europese Uitvoeringsrichtlijn definities en openbaarmaking niet behoort tot de kembepalingen van dit onderwerp, waarvan in de rede had gelegen deze te regelen in de Richtlijn Marktmisbruik zelf.
Gerekend van het moment van publicatie van het eerste consultatiedocument of richt-lijnvoorstel tot het moment waarop de tot stand gebrachte door lidstaten moest zijn omgezet, bedroeg de termijn van totstandkoming van de Richtlijn Marktmisbruik 40 maanden (doch met de in de vorige voetnoot opgenomen nuancering dat op dat geen enkele lidstaat erin is geslaagd deze richtlijn tijdig te implementeren). Die termijn bedroeg bij de Prospectusrichtlijn 49 maanden, bij de Transparantierichtlijn 66 maanden en bij de MiFID 84 maanden.
In vergelijkbare zin reeds Drijber (2003), op p. 116. Hij merkt terecht op dat het '[i]n de praktijk (...) vooral de politieke kernpunten [zijn] die vergadertijd kosten en bron van blokkades zijn, veel meer dan de technische details.' Hij voegt daar, even terecht, aan toe dat '[d]aar (...) nog bij[komt] dat sommige (op het oog) technische kwesties een forse politieke lading kunnen hebben, wat al aangeeft dat het onderscheid tussen politieke hoofdzaken en technische bijzaken niet steeds makkelijk te maken zal zijn.'
Hiermee is overigens niet gezegd dat de invoering van de Lamfalussy-procedure in het Europese effectenrecht als mislukt moet worden gezien. In dat opzicht is de voorspelling van Hertig/Lee (2003), op p. 12, dat de Lamfalussy-procedure niet zal werken omdat 'national protectionism and bureaucratic inertia will not be constrained' te negatief. Niet voor niets wordt ook door anderen in de literatuur, waaronder Ferran (2004a), op p. 123, de Lamfalussy-procedure als 'a step in the right direction' omschreven. Een verdere ontwikkeling van, en snelheid in, het Europese wetgevingsproces op het terrein van het effectenrecht blijft echter afhankelijk van de politieke (on)wil van de lidstaten en daarmee — zoals in 2001 al door Drijber (2001), p. 165 werd geconstateerd — een mentaliteitskwestie.
Aan het einde van de jaren '90 van de vorige eeuw dient zich een nieuwe fase aan in de Europese regelgeving op het gebied van het effectenrecht en, ruimer, op het gebied van de financiële markten. Om te bewerkstelligen dat één, geïntegreerde Europese kapitaalmarkt tot stand zou komen, publiceerde de Europese Commissie in 1999 het FSAP.1 Dit actieplan omvatte meer dan veertig voorstellen voor Europese regelgeving, gericht op regulering van de financiële markten, de spelers daarop of ter facilitering van transacties op die markten.2 Het FSAP beoogde te voorzien in een, in de woorden van de Commissie, "ambitieus programma om snel vorderingen te maken op weg naar een financiële interne markt."3 Het FSAP heeft het afgelopen decennium geleid tot omvangrijke wijzigingen in, en een modernisering van, de wet- en regelgeving voor de Europese financiële markten. Nadat tussen 1999 en 2004 een tiental rapportages over de voortgang van de in het FSAP opgenomen voorstellen is gepubliceerd4, werd het eind 2005 afgesloten verklaard. Op dat moment waren, volgens opgave van de Europese Commissie, 41 van de 42 in het FSAP aangekondigde initiatieven aangenomen.5
Een belangrijk deel van de maatregelen in het FSAP bestond uit het opleggen van publicatieverplichtingen aan beursvennootschappen. Deze maatregelen vormen thans de kern van het effectenrecht van de lidstaten van de Europese Unie. Behalve de, in de vorige paragraaf reeds besproken, in 2002 vastgestelde IAS-verordening, kan daarvan een eerste voorbeeld worden gevonden in de Richtlijn Marktinisbruik. Deze richtlijn werd in 2003 vastgesteld. Ingevolge art. 6 van deze richtlijn dienen lidstaten er zorg voor te dragen dat, kort gezegd, beursvennootschappen voorwetenschap die betrekking op hen heeft zo snel mogelijk openbaar maken. Vervolgens kwamen in 2003 de Pro spectusrichtlijn tot stand en, ter uitvoering van daarvan, in 2004 de Prospectusverordening. Op basis van deze richtlijn en verordening zijn de voorschriften voor de opstelling, inhoud, publicatie en goedkeuring van prospectussen bij aanbiedingen van effecten aan het publiek en bij toelatingen van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt geharmoniseerd. Ten slotte werd in 2004 de Transparantierichtlijn vastgesteld waarmee, onder meer, de doorlopende publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen zijn geharmoniseerd. Inmiddels zijn de eerste herzieningen van deze richtlijnen aanstaande. Over de Prospectus-richtlijn en de Richtlijn Marktmisbruik heeft de Europese Commissie in 2009 consultatiedocumenten met voorstellen tot wijziging gepubliceerd.6 Tevens heeft de Europese Commissie op 23 september 2009 het Voorstel tot wijziging van de Prospectusrichtlijn gepubliceerd.7 De daarin opgenomen voorstellen tot wijziging leiden niet tot fundamentele aanpassingen van de Prospectusrichtlijn.8
Het FSAP bracht naast deze modernisering van de inhoud van de regelgeving voor de financiële markten, ook een modernisering van de methode van regelgeving — de reguleringstechniek — mee. Een kenmerk van een groot aantal van de uit het FSAP voortvloeiende voorstellen voor regelgeving is dat zij zijn opgesteld met inachtneming van de zogenoemde Lamfalussy-procedure.9 In de Lamfalussy-procedure worden bij de totstandkoming van regelgeving vier niveaus van besluitvorming onderscheiden. Een belangrijke afbakening wordt daarbij gemaakt tussen het eerste en het tweede niveau. De gedachte is dat het eerste niveau van Europese regelgeving wordt vastgesteld door het Europees Parlement en de Raad van Ministers en dat op dit niveau alleen de kernbeginselen van het te reguleren onderwerp worden vastgesteld. Vervolgens wordt deze kaderregelgeving op het tweede niveau door technische uitvoeringsmaatregelen nader uitgewerkt. Op het terrein van het effectenrecht stelt de Europese Commissie deze uitvoeringsmaatregelen in samenwerking met het ESC10 vast, na te zijn geadviseerd door CESR.11 Het derde niveau bestaat uit aanbevelingen van CESR.12 Het vierde niveau ziet ten slotte op door de Europese Commissie uit te voeren controle of lidstaten de op het eerste en tweede niveau totstandgekomen regelgeving, indien nodig13, tijdig en juist hebben geïmplementeerd in hun nationale regelgeving.
Buiten deze vier niveau's van besluitvorming om, heeft de Europese Commissie in 2006 de "European Securities Markets Expert Group (ESME)" ingesteld.14 ESME heeft inmiddels een aantal rapporten gepubliceerd, onder meer over de Prospectusrichtlijn, de Richtlijn Marktmisbruik en de Transparantierichtlijn.15 Opvallend daarbij is dat het mandaat van ESME niet erg duidelijk en bepaald ruim is. Zo worden in art. 1 en 2 van het besluit van de Commissie tot instellen van ESME als taken genoemd het verschaffen van (technisch) advies en bijstand, en het adviseren over de jurdisiche samenhang van Europese regels over de financiële markten. Ondanks deze onduidelijkheden, (b)lijkt de invloed van de adviezen van ESME op de beleidsvorming van de Europese Commissie in de praktijk aanzienlijk te zijn. Deze ontwikkeling dient naar mijn mening kritisch te worden bezien, niet in de laatste plaats omdat bij de inhoud van de rapporten en adviezen van ESME de nodige inhoudelijke kanttekeningen kunnen worden geplaatst.16
Een ander kenmerk van het FSAP is dat een groot deel van de daaruit voortvloeiende regelgeving gebaseerd is op het beginsel van maximumharmonisatie, ook wel volledige of totale harmonisatie genoemd.17 Het belangrijkste gevolg hiervan is dat lidstaten, anders dan voorheen, niet meer de mogelijkheid hebben om bij de implementatie en omzetting van dergelijke regelgeving verdergaande voorschriften over het onderwerp waarop de betreffende Europese regelgeving ziet, op te nemen in hun nationale regelgeving. De uit het FSAP voortvloeiende regelgeving voorziet hierdoor niet alleen in "de bodem" van hetgeen in het (effecten)recht van iedere lidstaat moet zijn geregeld, maar (vaak) ook in "het plafond".
Zowel de toepassing en uitwerking van de Lamfalussy-methode, als het toepassen van maximumharmonisatie in een groot aantal richtlijnen en verordeningen in het FSAP, zijn in de literatuur niet zonder kritiek gebleven.18 Deze kritiek houdt onder meer19 in dat de Lamfalussy-methode, en haar uitwerking in de praktijk, te lijden heeft aan een tekort aan democratische controle door, onder andere, het Europees Parlement.20 Verder wordt betwijfeld of het beoogde doel van de Lamfalussy-methode — het bespoedigen van de totstandkoming van nieuwe regelgeving door een striktere afbakening tussen kernbeginselen (eerste niveau) en uitvoeringsbepalingen (tweede niveau) — wel behaald is. De praktijk (b)lijkt namelijk weerbarstiger.21 Dat de invoering van de Lamfalussy-methode niet tot wezenlijk snellere totstandkoming van regelgeving heeft geleid22 — en ook niet kon leiden — was naar mijn mening voorzienbaar.23 Voor de termijn waarbinnen Europese regelgeving tot stand kan worden gebracht is, en zal, uiteindelijk namelijk niet bepalend zijn op hoeveel niveaus, of op welk niveau, een onderwerp wordt geregeld. Onafhankelijk van de regulereringstechniek kost het vormgeven van regelgeving over onderwerpen die voor lidstaten van politiek belang zijn per definitie tijd. Onder meer omdat tijd nodig is om alle belanghebbenden in beweging te krijgen om, bijna altijd noodzakelijke, compromissen te sluiten.24