De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/4.4.4:4.4.4 Het faillissement resulterend in een ontbinding
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/4.4.4
4.4.4 Het faillissement resulterend in een ontbinding
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS383860:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.2 voor een algemene uitwerking van artikel 173 Fw.
Zie paragraaf 3.2 voor een algemene uitwerking van artikel 16 Fw.
Zie HR 10 augustus 1984, NJ 1985, 69.
Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997, nr. 166.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het geval waarin het faillissement resulteert in een ontbinding kan zich in twee mogelijke situaties voordoen: enerzijds kan de BV worden ontbonden door insolventie tijdens het faillissement op grond van artikel 173 Fw.1 Anderzijds kan de BV worden ontbonden door opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel ex artikel 16 Fw.2 Wanneer de BV wordt ontbonden als gevolg van het bereiken van de staat van insolventie, is de curator belast met de liquidatie/vereffening. Hierop zijn de bepalingen van de Faillissementswet van toepassing. Uit artikel 2:23a lid 5 BW volgt dat de bepalingen van artikel 2:23a-23c BW niet van toepassing zijn op de vereffening in faillissement. Artikel 2:19 lid 5 BW bepaalt dat de BV voort bestaat tot het tijdstip waarop de vereffening eindigt. Van deze beëindiging doet de curator opgave aan het handelsregister, aldus artikel 2:19 lid 5 BW.
Een BV wordt ingevolge artikel 16 Fw ontbonden door de opheffing van het faillissement indien er niet voldoende baten beschikbaar zijn voor voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden. Met de opheffing van het faillissement eindigt ook de functie van de curator. Na dat moment zijn er twee situaties denkbaar.
In de eerste plaats is het denkbaar dat de BV op het tijdstip van ontbinding geen baten meer had, zodat geen vereffeningsprocedure is gevolgd. In deze situatie zal de BV in beginsel ophouden te bestaan op het moment dat het faillissement wordt opgeheven (ex artikel 2:19 lid 4 BW).
In de tweede plaats is het denkbaar dat er gedurende de ontbinding van de BV wel vereffeningshandelingen zijn verricht. Ook in deze situatie zal de BV in beginsel ophouden te bestaan op het moment dat het faillissement wordt opgeheven, omdat de vereffening bij gebrek aan baten beëindigd is (ex artikel 2:19 lid 6 jo. 2:23b lid 9 BW). In de boven beschreven gevallen zeg ik dat de BV in beginsel ophoudt te bestaan. Immers, na opheffing van het faillissement kan alsnog het bestaan van een bate blijken. In een dergelijk geval kan het faillissement niet worden heropend,3 maar bestaat wel de mogelijkheid om de vereffening te heropenen op grond van artikel 2:23c BW. Wanneer de vereffening wordt heropend, herleeft de BV, zij het uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening.4