Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/VI.3.2.1.1
VI.3.2.1.1 Negative pledge clausules in onderhandse leningen
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS362482:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie echter hierna in verband met negative pledge clausules opgenomen in obligatieleningen.
Vgl. Wood 2007b, p. 72-73. Het enkele feit dat de leningnemer goederen heeft verpand of overgedragen aan een schuldeiser, bijvoorbeeld een andere financier, hoeft op zichzelf nog geen aantasting van het verhaalsaansprakelijke vermogen tot gevolg te hebben. De leningnemer ontvangt immers in de regel een tegenprestatie (een geldsom of andere prestatie) waarop door derden verhaal genomen kan worden. In geval van een geldlening met zekerheidsverschaffing is de aantasting van het verhaalsaansprakelijke vermogen van de leningnemer gelegen in het feit dat de leningnemer de ter leen ontvangen geldsom op termijn dient terug te betalen aan de leninggever. Hij mag de tegenprestatie niet onvoorwaardelijk behouden. Doordat bovendien goederen van de leningnemer in zekerheid worden gegeven aan de leninggever, zodat deze daarop met voorrang verhaal kan nemen, wordt het verhaalsaansprakelijke vermogen van de leningnemer voor de overige schuldeisers uitgehold. Indien de executieopbrengst van de zekerheden onvoldoende is om de leninggever te voldoen, kan de leninggever immers nog verhaal nemen op het overige verhaalsaansprakelijke vermogen van de leningnemer.
Met een ‘quasi-zekerheidsrecht’ wordt een transactie bedoeld, waarin aan een financier de volle eigendom van een goed wordt overgedragen (een ‘outright transfer’), en waarbij de transactie zo is gestructureerd dat de overdracht juridisch-technisch niet plaatsvindt ter securering van een door de financier verstrekte lening, maar in een andere (economische) vorm de financier zekerheid verschaft voor een door hem verleende financiering. Denk bijvoorbeeld aan een ‘sale and financial lease back’, een ‘repurchase agreemeent’ (repo) of aan de zogeheten zekerheids- of financieringskoop (‘finance sale’), i.e. de verkoop van een goed aan de financier met beding van wederinkoop.
Zie Patti 2005 voor een ‘negative pledge’ met een regeling over securitisation.
Ook is het mogelijk dat dergelijke transacties onder een ‘catch all’ bepaling vallen. De negative pledge strekt zich dan uit tot “arrangements having the commercial effect of security”. Een ontduiking van de negative pledge clausule door quasi-zekerheidsrechten kan zo worden voorkomen. Genoemde transacties kunnen daarnaast onder het bereik van de ‘anti-disposal’ clausule vallen (zie hierna: nr. 656). Vgl. Wood 2007b, p. 73-74; Tennekoon 2006, p. 91-92 en Cranston 2002, p. 316.
Zie in verband met het toepasselijke recht: Tennekoon 2006, p. 92-94 en Wood 2007b, p. 73.
Vgl. art. 10 lid 1 (a) EVO.
Zie hierna: nr. 643.
Zie art. 3:84 lid 3 BW. Zie over de vraag of een cessie in het kader van recourse factoring naar Nederlands recht een verboden zekerheidscessie is, hierna: nr. 734.
Zie Beuving 1996, p. 80.
Vgl. Wood 2007b, p. 73.
Vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB (Haviltex).
Hiermee bedoel ik zekerheidsoverdrachten die naar Nederlands recht zouden worden aangemerkt als overdrachten ‘ten titel van verhaal’ zoals door de Hoge Raad omschreven in het Sogelease-arrest (zie § VII.3).
Vgl. HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 (Meyer Europe/PontMeyer) en HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576, m.nt. Wissink (Derksen/Homburg), waarin de Hoge Raad overweegt dat het de feitenrechter vrijstaat om onder bepaalde omstandigheden – zoals het gegeven dat het om een zuiver commerciële transactie gaat bij de totstandkoming waarvan partijen zich hebben laten bijstaan door (juridisch) deskundige raadslieden – een in beginsel taalkundige uitleg voorop te stellen. Het is dan aan de partij die een afwijkende uitleg bepleit om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de overeenkomst anders moet worden uitgelegd.
Of er bij dit soort transacties sprake is van het verlenen van een ‘zekerheidsrecht’ moet, zoals hiervoor in nr. 642 is uiteengezet, worden beoordeeld aan de hand van het op de transactie toepasselijke recht. Uit het Sogelease-arrest kan worden afgeleid dat een overdracht ter zake van een ‘sale and financial lease back’ naar Nederlands recht niet als een zekerheidsverschaffing in juridische zin kan worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor een ‘repurchase agreement’ (repo), vgl. art. 7:55 BW. Ter zake van bepaalde vormen van factoring met regresrecht kan daarentegen twijfel bestaan of er geen sprake is van een door art. 3:84 lid 3 BW verboden zekerheidsoverdracht (zie § VII.7.1.3). Meer in het algemeen kan worden gezegd dat een overdracht die de ‘Sogelease-test’ doorstaat, niet als een zekerheidsverschaffing in juridische zin kan worden beschouwd, maar hoogstens als een quasi-zekerheidsverschaffing. Steun daarvoor kan worden gevonden in het Sogelease-arrest waarin de Hoge Raad met zoveel woorden overweegt dat op een ‘werkelijke overdracht’ de bepalingen van pand en hypotheek niet van (analoge) toepassing zijn.
Voor Nederland moet daarbij een uitzondering worden gemaakt voor factoring. Vanwege de onzekerheid omrent de reikwijdte van art. 3:84 lid 3 BW wordt door een deel van de factormaatschappijen gewerkt met verpanding in plaats van cessie. Zie nrs. 658 en 730.
Eventueel met gebruikmaking van de hiervoor in noot 415 genoemde ‘catch all’- bepaling.
641. Strekking en reikwijdte. Negative pledge clausules opgenomen in onderhandse (gesyndiceerde) leningen hebben meestal de strekking een uitholling van het verhaalsaansprakelijke vermogen van de leningnemer te voorkomen.1 In geval van een niet door zekerheden gedekte (blanco) financiering zal de financier er bij zijn kredietanalyse van uitgaan dat zijn vordering op de leningnemer gelijke rang zal toekomen ten opzichte van andere (toekomstige) schuldeisers van de leningnemer. De kredietanalyse zal haar waarde verliezen, indien het de leningnemer zou zijn toegestaan om aan andere schuldeisers zekerheden te verschaffen. De facto leidt zekerheidverschaffing er immers toe dat de financier wordt achtergesteld ten opzichte van de zekerheidsgerechtigde.2
Niettemin kan de reikwijdte van een negative pledge clausule van geval tot geval verschillen. De negative pledge clausule kan zich naar haar bewoordingen beperken tot een verbod op het vestigen van zekerheidsrechten ter zake van schulden uit onderhandse geldleningen, obligatieleningen en garanties ter zake van dergelijke leningen. Het is echter meer gebruikelijk dat het verbod zich uitstrekt tot zekerheidverschaffing voor elke schuld uit welken hoofde ook. Hoewel minder gebruikelijk, is het voorts mogelijk dat zij niet alleen ziet op zekerheidverschaffing in juridische zin (het vestigen van pand- en hypotheekrechten en (mogelijk) zekerheidsoverdrachten), maar ook op transacties waarbij aan een derde een recht wordt verschaft dat economisch equivalent is aan een zekerheidsrecht (een zogeheten ‘quasi-zekerheidsrecht’).3 Bepaalde vormen van objectfinanciering kunnen met zoveel woorden worden genoemd, zoals sale and lease back, (recourse) factoring, repurchase agreements en mogelijk ook securitisation.4,5 Steeds zal door middel van uitleg moeten worden vastgesteld wat precies de reikwijdte van de negative pledge clausule is en of de clausule in de weg staat aan een cessie of verpanding van vorderingen in het kader van financiële transacties zoals securitisation.
642. Uitleg en internationaal privaatrecht. De uitleg dient te geschieden naar het op de negative pledge clausule toepasselijke recht (normaliter het recht toepasselijk op de leningsovereenkomst waarin de clausule is opgenomen).6 Zie art. 12 lid 1 (a) Rome I.7 Of de negative pledge clausule door een cessie van vorderingen wordt geschonden, hoeft echter niet alleen een vraag van uitleg van de negative pledge clausule te zijn. Stel dat in een door Nederlands recht beheerste leningsovereenkomst een negative pledge clausule is opgenomen die het de leningnemer verbiedt om zekerheidsrechten te verlenen aan derden. De in Nederland gevestigde leningnemer cedeert vervolgens naar Duits recht vorderingen op afnemers aan een Duitse factormaatschappij. In dit geval moet allereerst aan de hand van Nederlands recht – het recht van toepassing op de leningsovereenkomst – worden beoordeeld welke betekenis toekomt aan het begrip ‘zekerheidsrecht’. Zijn daaronder ook (door buitenlands recht beheerste) zekerheidsoverdrachten en quasi-zekerheidsrechten begrepen? Stel dat na uitleg komt vast te staan dat zekerheidsoverdrachten wel door de negative pledge worden bestreken, maar quasi-zekerheidsrechten niet.8 Nu moet aan de hand van het Duitse recht, het recht dat de cessie beheerst, worden beoordeeld wat de aard en inhoud is van het door de factormaatschappij verkregen recht. Naar Duits recht wordt een cessie in het kader van ‘recourse factoring’ (het zogeheten ‘unechtes’ factoring) als een zekerheidscessie aangemerkt, die overigens, anders dan naar Nederlands recht,9 rechtsgeldig is.10 In het voorbeeld zou de negative pledge clausule door de cessie worden geschonden. Het antwoord zou daarentegen anders geweest zijn, indien de cessie had plaatsgevonden naar Engels recht. Naar Engels recht wordt de cessie in het kader van factoring namelijk niet als een zekerheidsrecht in juridische zin aangemerkt, maar als een ‘quasi-zekerheidsrecht’.11
643. Wordt een cessie die niet in strijd is met de bewoordingen van een negative pledge, maar wel met haar strekking, ook door de clausule bestreken? De vraag rijst of in het geval waarin de negative pledge clausule niet met zoveel woorden betrekking heeft op de vervreemding van vorderingen, een cessie in het kader van transacties zoals factoring, securitisation of covered bonds daarmee toch in strijd kan zijn. Kan een cessie mogelijk afstuiten op de hiervoor weergegeven strekking van de negative pledge clausule? Naar Nederlands recht geldt dat bij de uitleg van overeenkomsten in het algemeen niet kan worden volstaan met een taalkundige benadering. Beslissend is de betekenis die de partijen over en weer in de gegeven omstandigheden aan de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.12 De wederzijds kenbare motieven voor het overeenkomen van een negative pledge clausule kunnen dus van belang zijn voor de uitleg daarvan.
De strekking van de negative pledge clausule alleen, brengt echter nog niet met zich dat elke transactie waarmee in economische zin een vorm van zekerheid wordt verschaft en die leidt, of kan leiden, tot een uitholling van het verhaalsaansprakelijke vermogen, onder de reikwijdte van de negative pledge clausule valt. Waar het op aankomt, is of de financier er in de gegeven omstandigheden op mocht vertrouwen, en de kredietnemer behoorde te begrijpen, dat een bepaalde transactie, ook al wordt zij niet met zoveel woorden genoemd, toch onder de negative pledge clausule is begrepen. Indien de tekst van de clausule alleen het verlenen van ‘zekerheidsrechten’ verbiedt, is het uitgangspunt dat de negative pledge clausule in beginsel uitsluitend in de weg staat aan het vestigen van zekerheidsrechten in juridische zin, zoals pand- en hypotheekrechten en (mogelijk) zuivere zekerheidsoverdrachten,13 tenzij uit door de financier aan te dragen feiten en omstandigheden van een andere partijbedoeling blijkt.14 Transacties die grotendeels economisch equivalent zijn aan zekerheidverschaffing – zoals sale and financial lease back, bepaalde vormen van factoring met regres, repurchase agreements en finance sales – worden in beginsel dan ook niet door de negative pledge bestreken. Dit soort financieringsvormen gaan over het algemeen immers niet gepaard met de vestiging van zekerheidsrechten in juridische zin.15, 16
Het feit dat de genoemde financieringsfiguren eveneens tot een uitholling van het verhaalsaansprakelijke vermogen kunnen leiden, hetgeen de negative pledge nu juist beoogt te voorkomen, noopt niet per definitie tot een andere conclusie. Van de financier mag als professionele partij worden verwacht dat hij voldoende inzicht heeft in de verschillende financieringsfiguren en constructies (en de mogelijke toekomstige ontwikkeling daarvan) die tot een aantasting van het verhaalsaansprakelijke vermogen van de leningnemer zouden kunnen leiden, zodat het op zijn weg ligt om bij het formuleren van de negative pledge voor zijn eigen belangen te waken door nauwkeurig aan te geven welke transacties en constructies zijn toegestaan en welke niet.17 De rechtszekerheid, die in het bijzonder voor de financieringspraktijk zo van belang is, is met deze benadering gediend. De leningnemer moet weten aan welke beperkingen hij precies gebonden is.
De conclusie dient naar mijn mening dan ook te zijn dat transacties die het economisch effect hebben van kredietverlening en zekerheidverschaffing alleen dan onder de werking van een negative pledge clausule vallen, indien duidelijk blijkt dat dit de bedoeling van partijen is, bijvoorbeeld doordat zij met zoveel woorden worden genoemd of doordat de negative pledge clausule een ‘catch all’-bepaling bevat die de werking van de clausule uitbreidt tot dergelijke transacties.