Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.3.7
3.4.3.7 Publiekrechtelijke vorderingen
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS475617:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Overigens kunnen ook deze vorderingen – krachtens wet, beding of hun persoonlijke aard – zijn beperkt in hun overdraagbaarheid. Vgl. art. 3:83 lid 2 BW en HR 12 januari 1990, NJ 1990/766 (Staat/Appels).
Zie de titels 4.2 (Subsidies) en 4.4 (Bestuursrechtelijke geldschulden) Awb.
Zie MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29 702 (Vierde tranche Awb), nr. 3, p. 19-21, en NvW, Kamerstukken II 2003/04, 29 702 (Vierde tranche Awb), nr. 8, p. 2.
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/324 en Van Boom 1993, p. 702-703.
HR 13 maart 2015, JOR 2015/134, m.nt. C.M. Stokkermans, NJ 2015/241, m.nt. P. van Schilfgaarde (Carlande).
HR 11 oktober 1985, NJ 1986/68 (Kramer q.q./NMB); HR 16 juni 1995, NJ 1996/508, m.nt. W.M. Kleijn (Ontvanger/Rabobank IJmuiden); HR 26 juni 1998, NJ 1998/745, m.nt. P. van Schilfgaarde (Aerts q.q./ABN Amro); en HR 28 november 2003, JOR 2004/30, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2004/81, m.nt. P. van Schilfgaarde (Koverto).
Anders: Polak/Pannevis 2014, p. 81.
HR 26 juni 1998, NJ 1998/745, m.nt. P. van Schilfgaarde (Aerts q.q./ABN Amro); en HR 28 november 2003, JOR 2004/30, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2004/81, m.nt. P. van Schilfgaarde (Koverto).
Art. 2 lid 1 Wet op belastingen van rechtsverkeer.
Vgl. art. 7 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en art. 2.3 Wet op de inkomstenbelasting 2001. Zie ook HR 11 oktober 1985, NJ 1986/68 (Kramer q.q./NMB) waar de Hoge Raad in het midden kon laten of een vordering uit een zogeheten investeringsbijdrage ontstond op het tijdstip van investeren dan wel bij het einde van het belastingjaar of het belastingtijdvak waarin de investering plaatsvond.
Zie ook Van Oers & Verstijlen 2000; en Tekstra 2011, p. 187-189 en 239, alsmede Hof ’s-Hertogenbosch 8 september 2009, JOR 2010/32, m.nt. A.J. Tekstra (Buijsrogge q.q./Staat). Anders: Van Eijsden in zijn noot bij voornoemd arrest, gepubliceerd in TvI 2009/35. De fiscus stelt zich op het standpunt dat cessie en verpanding van een belastingvordering mogelijk zijn vanaf het moment dat de aanspraak op teruggaaf van het saldo van positieve en negatieve elementen van de belastingaanslag of de teruggaafbeschikking materieel vaststaat. Dit is op zijn vroegst het geval na het einde van het jaar of tijdvak waarop de teruggaaf betrekking heeft. Zie MvT, Kamerstukken II 1987/88, 20 588, nr. 3, p. 72, en § 24.2.6 Leidraad Invordering 2008.
Anders: Van Eijsden in zijn noot bij Hof ’s-Hertogenbosch 9 september 2009, TvI 2009/35. De Leidraad Invordering 2008 huldigt overigens het standpunt dat de materiële belastingschuld van dag tot dag ontstaat, tenzij het tegendeel blijkt. Zie § 19.2.1 Leidraad Invordering 2008.
HR 16 oktober 2009, JOR 2010/34, m.nt. A.J. Tekstra onder JOR 2010/35.
Vgl. HR 30 maart 2007, JOR 2007/165, m.nt. A.J. Tekstra. Zie ook Hof Amsterdam 23 mei 1996, NJ 1998/197 (Bosselaar q.q./Ontvanger).
Art. 4:23 lid 1 Awb.
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/324 en Van Boom 1993, p. 702-703.
MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 31.
Anders: J.A.J. Peter, Vermogensrecht, art. 3:97 BW, aant. 10.1.1.
104. Vorderingen met een grondslag in het publiekrecht zullen in de regel betrekking hebben op een verplichting tot betaling van een geldsom aan of door de overheid. Wat betreft (overdraagbare) vorderingen van burgers op publiekrechtelijke rechtspersonen valt in het bijzonder te denken aan subsidies en belastingteruggaves.1 De Algemene wet bestuursrecht bevat een algemene regeling voor (een aanzienlijk deel van) dergelijke publiekrechtelijke vorderingen.2 Deze wet regelt echter niet op welk tijdstip deze vorderingen ontstaan, maar slechts hoe zij worden vastgesteld en afgewikkeld.3 Het tijdstip waarop een vordering wordt vastgesteld valt immers niet steeds samen met het tijdstip waarop zij ontstaat. De formele vaststelling van de vordering kan later plaatsvinden dan het tijdstip van haar materiële ontstaan. Omgekeerd is niet ondenkbaar dat een publiekrechtelijke vordering met terugwerkende kracht wordt vastgesteld. Daaruit volgt echter nog niet dat de vordering – vanuit een vermogensrechtelijk perspectief – met terugwerkende kracht is ontstaan.
Dit laatste punt wordt geïllustreerd door HR 23 mei 2014, JOR 2014/253, m.nt. R.J. Abendroth (Productschap Vee en Vlees/Van der Molen q.q.). In dit arrest speelde de vraag naar de verrekening van opgelegde heffingen krachtens art. 53 Fw. Het betrof heffingen die waren opgelegd door een productschap op grond van een heffingsverordening. Deze verordening is eerst tijdens het faillissement van de schuldenaar in werking getreden op grond van een (nader en aanvankelijk achterwege gebleven) besluit, echter met terugwerkende kracht tot een tijdstip vóór diens faillietverklaring. Het productschap heeft daardoor alsnog heffingen kunnen opleggen over de periode vóór de faillietverklaring. Dat het productschap de bevoegdheid heeft om met terugwerkende kracht deze heffingen op te leggen, betekent volgens de Hoge Raad echter niet dat het productschap tevens geacht moet worden reeds voor het faillissement vorderingen op de schuldenaar te hebben verkregen die het op de voet van art. 53 Fw kan verrekenen. Dat dit het geval zou zijn, volgt niet uit de desbetreffende verordening en het besluit van de voorzitter, zodat eerst vanaf het moment van inwerkingtreding van de verordening het productschap tot heffing gelegitimeerd was. De vorderingen zijn aldus – voor de toepassing van art. 53 Fw – ontstaan na de faillietverklaring van de schuldenaar. De bestuursrechtelijk toelaatbare vaststelling met terugwerkende kracht van een publiekrechtelijke vordering werkt dus niet steeds één-op-één door in het vermogensrecht.
105. Het stelsel dat de Awb hanteert voor de vaststelling van geldschulden, correspondeert niettemin op hoofdlijnen met hetgeen geldt voor het ontstaan van publiekrechtelijke vorderingen. Dit stelsel houdt in dat publiekrechtelijke vorderingen in principe op twee wijzen kunnen ontstaan. Zij ontstaan ofwel rechtstreeks uit de wet, ofwel bij beschikking.4 Een vordering die rechtstreeks uit de wet voortvloeit, ontstaat zodra aan alle materiële ontstaansvereisten is voldaan. Een formaliserende handeling door het bevoegde bestuursorgaan is niet noodzakelijk voor haar ontstaan en de bepaling van haar omvang. De toekennende of vaststellende beschikking heeft slechts een administratief of formaliserend karakter. Naast de hierna te behandelen belastingschulden, zijn bestuursrechtelijke dwangsommen een voorbeeld van publiekrechtelijke vorderingen die rechtstreeks uit de wet ontstaan. Zij ontstaan zodra zij verbeuren.5 Bij een vordering die bij beschikking ontstaat, is een nadere (toekennende) handeling van het bevoegde bestuursorgaan een vereiste voor het ontstaan van de vordering. De vorderingen die bij beschikking ontstaan kenmerken zich door een zekere beleidsvrijheid van het bevoegde bestuursorgaan in de toekenning van de aanspraak.6 Deze beoordelingsvrijheid ontbreekt bij vorderingen die rechtstreeks uit een wettelijk voorschrift ontstaan. Of een bepaalde vordering rechtstreeks uit een publiekrechtelijke regeling voortvloeit, zal uiteindelijk afhangen van de aard en opzet van de relevante regeling.
Een en ander blijkt uit het arrest HR 4 juni 2004, JOR 2004/219, m.nt B. Wessels (Loyalis/Missler q.q.) waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld over het ontstaansmoment van een uitkeringsrecht. Loyalis wilde een reeds vóór de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaande vordering op Van Zijderveld verrekenen met diens maandelijkse recht op uitkering uit hoofde van de Uitkeringswet gewezen militairen. Verrekening zou op grond van art. 307 lid 1 Fw slechts mogelijk zijn indien dit uitkeringsrecht reeds vóór de uitspraak tot toepassing schuldsaneringsregeling bestond. De Hoge Raad overweegt dat de aanspraak op uitkering niet maandelijks ontstaat. Ten eerste volgt uit de tekst van de wettelijke regeling dat een gewezen militair met ingang van de dag waarop zijn ontslag is ingegaan, recht op een maandelijkse uitkering toekomt, terwijl de wet geen nadere vereisten stelt. Ten tweede strookt deze conclusie met de aard van het recht. Hierdoor is de vordering op de Staat al ontstaan met ingang van de dag dat het ontslag is ingegaan, en niet pas op het moment dat de staatssecretaris zijn beschikking heeft gegeven. De aard van het uitkeringsrecht in kwestie is volgens de Hoge Raad vergelijkbaar met rechten uit de sociale verzekeringswetgeving. Hieruit kan worden afgeleid dat vorderingen uit hoofde van sociale verzekeringswetgeving in beginsel voor hun ontstaan niet afhankelijk zijn van een toekennende beschikking, tenzij dit uitdrukkelijk uit de wettelijke regeling volgt.
Een ander voorbeeld komt uit het pensioenrecht. De premieschuld van een werkgever uit hoofde van een verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds ontstaat rechtstreeks uit de wet. Zij ontstaat van rechtswege zodra de werkgever aan de voorwaarden voldoet voor verplichte deelneming. Voor het ontstaan van de vordering is noch het moment van de aanmelding bij het pensioenfonds, noch het moment van de oplegging van de aanslagen bepalend.7
– Belastingschulden
106. Een belastingschuld is in de regel een vordering van de Staat op een belastingplichtige. Het kan echter ook zo zijn dat een belastingplichtige een vordering heeft op de Staat, bijvoorbeeld omdat een recht op teruggave bestaat.8 In dat laatste geval spreekt men van een negatieve belastingschuld. Het is vaste jurisprudentie dat belastingschulden rechtstreeks uit de wet ontstaan.9 Dit betekent niet dat belastingschulden geen toekomstige vorderingen kunnen zijn.10 Het betekent wél dat de belastingaanslag geen ontstaansvereiste vormt voor de schuld. Het moment waarop een belastingschuld materieel ontstaat, is derhalve doorslaggevend. De omstandigheid dat een belastingschuld eerst kan worden ingevorderd nadat een aanslag is opgelegd, zoals voor rijksbelastingen volgt uit de art. 9 en 10 Iw 1990, doet daaraan niet af.11
De vraag naar de materiële ontstaansvereisten van een bepaalde belastingvordering is vervolgens afhankelijk van de aard en opzet van de relevante fiscale wetgeving. Overigens is goed denkbaar dat ten aanzien van een bepaald type belasting verschillende ontstaansmomenten bestaan voor verschillende uit de desbetreffende regeling voortvloeiende vorderingen. Indien voor de verschuldigdheid van een belasting wordt aangeknoopt bij het plaatsvinden van bepaalde feiten, zal het ontstaansmoment in de regel eenvoudig zijn vast te stellen. De belastingschuld ontstaat in dat geval met het plaatsvinden van het (laatste relevante) belaste feit. Een voorbeeld is de overdrachtsbelasting, waarvoor wordt aangeknoopt bij de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen.12 Indien een belasting gekoppeld is aan het al dan niet bestaan van een bepaalde toestand op een zeker tijdstip, ontstaat de belastingschuld op het relevante tijdstip. Een voorbeeld van een dergelijke belasting is de gemeentelijke onroerende zaakbelasting waarvoor de toestand aan het begin van het kalenderjaar doorslaggevend is.13 Het ontstaansmoment wordt anders aangeknoopt bij belastingen die worden geheven over een (gesaldeerd) bedrag over een bepaald tijdvak, zoals bij de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting.14 De aard en opzet van dergelijke belastingen brengt met zich dat als uitgangspunt de belastingvordering niet eerder ontstaat dan met het aflopen van het corresponderende tijdvak.15 Immers, pas na afloop van het tijdvak kan het resultaat daarbinnen worden bepaald en de daarop gebaseerde belastingschuld. Dit ontstaansmoment sluit bovendien aan bij art. 11 lid 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen dat (ten aanzien van het vervallen van de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag) bepaalt dat een belastingschuld, waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, wordt geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak eindigt. Een ontstaan van ‘dag tot dag’ of naar gelang zich belastbare feiten voordoen, acht ik daarmee niet goed te rijmen, tenzij de relevante fiscale regeling in een dergelijke splitsing voorziet.16 Ten aanzien van de omzetbelasting zal bijvoorbeeld de vordering wegens een overschot aan voorbelasting ex art. 17 Wet OB 1968 niet eerder kunnen ontstaan dan na afloop van het aangiftetijdvak, nu het overschot zich pas dan laat vaststellen. De teruggavevordering ex art. 29 lid 1, aanhef en onder a, Wet OB 1968 kan bijvoorbeeld mijns inziens wel tussentijds – dat wil zeggen vóór het aflopen van het aangiftetijdvak – ontstaan. Deze vordering tot teruggaaf ontstaat, volgens de Hoge Raad, niet eerder dan op het tijdstip waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege blijft.17 Dat de teruggaaf in gevolge art. 31 lid 1 Wet OB 1968 moet worden verzocht bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan, doet mijns inziens niet af aan het bestaan van de teruggavevordering.18
– Subsidies
107. Een subsidie is een (al dan niet periodieke) aanspraak op financiële middelen jegens een publiekrechtelijke rechtspersoon, verstrekt door een bestuursorgaan met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.19 Het ontstaansmoment van een vordering uit hoofde van een subsidie, zal moeten worden afgeleid uit de relevante wettelijke voorschriften op grond waarvan de subsidie wordt verstrekt.
De drie belangrijkste tijdstippen in het subsidieproces – die ook terugkeren in de opbouw van de regeling in titel 4.2 Awb – zijn de verlening, de vaststelling en de betaling van de subsidie. De subsidievaststelling is de beschikking van het bestuursorgaan dat het bedrag van de subsidie vaststelt en aanspraak geeft op de betaling van dat bedrag.20 Dit geschiedt na afloop van de gesubsidieerde activiteit of het gesubsidieerde tijdvak. Voorafgaand aan deze subsidievaststelling kan een beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven.21 Een subsidieverstrekking heeft steeds een wettelijke grondslag nodig.22 De subsidieaanspraak kan aldus rechtstreeks uit een regeling ontstaan, zodra aan de materiële vereisten voor de subsidie is voldaan (het plaatsvinden van de gesubsideerde activiteit). Doorslaggevend is daarbij dat het betrokken bestuursorgaan geen beleidsvrijheid bezit ten aanzien van de verstrekking van de subsidie.23 De eventuele beschikkingen tot verlening of vaststelling zijn in dat geval niet constitutief voor het ontstaan van de vordering. Is de subsidieverstrekking daarentegen in beslissende mate aan het eigen inzicht van het bestuursorgaan overgelaten, dan rijst de vraag of de subsidievordering eerst ontstaat door de vaststelling of reeds door de eventuele verlening. Uit de parlementaire toelichting bij de derde tranche Awb valt af te leiden dat voldoende is, dat een aanspraak op financiële middelen wordt verstrekt. Het cruciale moment in het proces van subsidiëring is dan de beslissing dat de voorgenomen activiteit gesubsidieerd zal worden indien zij inderdaad plaatsvindt. Deze aanspraak ontstaat reeds bij een beschikking tot subsidieverlening. De subsidieverlening is voor het bestuursorgaan niet vrijblijvend, maar bindend. Indien de subsidie-ontvanger de gesubsidieerde activiteiten verricht en zijn overige verplichtingen nakomt, is het bestuursorgaan gehouden tot het overeenkomstig de verlening vaststellen van de subsidie en het uitbetalen van het subsidiebedrag. De verlening vestigt aldus een rechtens afdwingbare, zij het voorwaardelijke, aanspraak op financiële middelen voor de ontvanger, met als spiegelbeeld een verplichting voor het bestuursorgaan.24 Hieruit lijkt te volgen dat reeds door de subsidieverlening een voorwaardelijke vordering voor de ontvanger ontstaat. Het plaatsvinden van de gesubsidieerde activiteit is dan geen ontstaansvereiste voor de aanspraak op financiële middelen, maar slechts het vervullen van een opschortende voorwaarde.
Het arrest HR 26 maart 1982, NJ 1982/615 (SOS/ABN) betrof een cessie bij voorbaat van een subsidievordering.
Kleyn diende een subsidieaanvraag in voor het aan de visserij onttrekken van zijn schip, de viskotter “Leon”, bij de (met deze publieke taak belaste) Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Visserij. Enkele dagen later cedeerde hij de vordering op de stichting tot zekerheid voor aan hem verleende kredieten aan zijn financiers. Kort daarna failleert Kleyn. Maanden na deze faillietverklaring kende de stichting de uikering toe. Dit werd vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen Kleyn, zijn curator en de stichting. Tussen de financiers en de stichting ontstond vervolgens een geschil over de geldigheid van de cessie. De stichting voerde onder meer aan dat de gecedeerde vordering ten tijde van de cessie niet bestond, althans geen onmiddellijke grondslag had in een ten tijde van de cessie bestaande rechtsverhouding tussen Kleyn en de stichting. De rechtbank volgde het betoog van de stichting en oordeelde dat de cessie inderdaad ongeldig was, nu de vordering van Kleyn niet haar onmiddellijke grondslag vond in een ten tijde van de cessie bestaande rechtsverhouding. Die verhouding zou eerst door de beslissing op de aanvraag ontstaan. Bovendien verhinderde het tussentijdse faillissement van Kleyn de geldigheid van de cessie. In appel volgde het hof de zienswijze van de financiers. De stichting en Kleyn zouden reeds door en bij de indiening van de aanvraag in een rechtsverhouding zijn komen te staan. Uit deze rechtsverhouding is eerst na de faillietverklaring een vordering ontstaan, maar deze vordering werd – op grond van de regel uit HR 29 december 1933, NJ 1934/343 (Fijn van Draat q.q./ Crediet-Maatschappij De Nederlanden) – niettemin ‘geacht’ reeds te hebben bestaan ten tijde van het ontstaan van de voormelde rechtsverhouding. De cessie was zodoende geldig en tegenwerpbaar aan de curator. In cassatie wordt het arrest van het hof vernietigd. De Hoge Raad overwoog dat de cessie van toekomstige vorderingen niet tegen de boedel kan worden ingeroepen, indien de cedent voor het ontstaan van de vordering failliet wordt verklaard. Een toekomstige vordering kan ook niet geacht worden reeds te hebben bestaan ten tijde van het ontstaan van de desbetreffende rechtsverhouding op grond van het enkele feit dat zij daarin haar onmiddellijke grondslag vond. Nu verder tussen partijen vaststond dat de financiers geen andere gronden hadden aangevoerd voor de stelling dat de vordering reeds voor de faillietverklaring bestond, kon de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank.
Het arrest bevat geen aanwijzingen over het ontstaansmoment van een subsidie ten aanzien waarvan het verstrekkende bestuursorgaan beleidsvrijheid heeft. Behoudens het argument dat de subsidie ‘geacht’ moest worden te zijn ontstaan met de subsidierechtsverhouding door de indiening van de aanvraag, stond tussen partijen namelijk vast dat de vordering niet bestond ten tijde van het intreden van de faillissementstoestand. Dat de Hoge Raad van oordeel is dat de vordering in kwestie eerst ontstond nadat het bestuursorgaan de aanvraag had toegekend, kan dan ook niet uit het arrest worden afgeleid.25