Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/8.2
8.2. Successiewet 1956 en erfrecht
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS620419:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
R.A. van de Poll, Enkele aspecten van boedelscheiding (preadvies Broederschap der Candidaat-Notarissen), 1967, p. 71-73.
Bij Van de Poll’s standpunt dient te worden bedacht dat goodwill in een persoonlijke onderneming voor de heffing van successiebelastingen buiten beschouwing mocht bljven. Met de invoering van art. 21 lid 4 SW per 1 januari 2002 dienen good- en badwill bij de bepaling van de maatstaf van heffing in aanmerking te worden genomen.
R.A. van de Poll, Enkele aspecten van boedelscheiding (preadvies Broederschap der Candidaat-Notarissen), 1967, p. 73, 74.
K. Wiersma, Bespreking preadviezen uitgebracht voor de algemene vergadering 1967 van de Broederschap der Candidaat-Notarissen, WPNR 4950 (1967).
H. Schuttevâer, De ongrijpbare (?) ‘verkoopwaarde’, Onroerend Goed. Opstellen geschreven ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Broederschap der Notarissen in Nederland, Deventer: Æ.E. Kluwer 1968, p. 304. Volgens Schuttevâer is de objectieve maatstaf, oftewel de verkoopwaarde, uitgangspunt bij de nalatenschapsverdeling. Dit betekent volgens hem dat de eisen van de te betrachten redelijkheid op andere wijze gehonoreerd moeten worden dan via een ‘versluiering’ van het begrip verkoopwaarde. Hij veronderstelt dat, in plaats van in de waardering, oplossingen in de obligatoire sfeer gezocht moeten worden, zoals bijvoorbeeld het renteloos of laagrentend schuldig blijven van onderbedelingsvorderingen.
M.J.A. van Mourik, Het begrip ‘waarde’ in het privaatrecht en enige fiscale wetten, WPNR 5494 (1979).
Gr. van der Burght, Het sprookje werd werkelijkheid, Van wet naar recht (Scheltens-bundel), Deventer: Kluwer 1984, p. 18. Scheltens heeft overigens voor een ‘tegenovergestelde route’ gepleit, door de civielrechtelijke rechtssfeergedachte van Van Mourik voor de successierechtelijke waardering toe te passen. Zie daarover hoofdstuk 7, § 5.
Gr. van der Burght, Het sprookje werd werkelijkheid, Van wet naar recht (Scheltens-bundel), Deventer: Kluwer 1984, p. 18. Ook Jansen maakt een onderscheid tussen de subjectieve, civielrechtelijke waardering waarbij de redelijkheid en billijkheid een belangrijke aanvullende rol vervullen, en de objectieve, fiscale benadering. J.J.M. Jansen, Overdracht van landbouwbedrijven, Beschouwingen naar aanleiding van HR 12 november 1997, nr. 32 765, WFR 1998/1692. Aardema concludeert dat binnen het fiscale recht op onderscheidene terreinen voor de waardering telkens andere spelregels het beeld beheersen. Hij onderscheidt bovendien tussen de problematiek in haar dynamische verschijningsvorm, indien er iets met het te waarderen object gebeurt, en de statische situatie. E. Aardema, De waarde van onroerend goed in de inkomsten-, vennootschaps- en vermogensbelasting, Maandblad Belasting Beschouwingen 19872. De successiebelastingen treffen overigens een vermogen in (dynamische) overgang. Zie hoofdstuk 7, § 5.
Op deze hoofdregel worden in de SW uitzonderingen aangebracht, zoals bijvoorbeeld in art. 21 lid 2.
Waaijer heeft overigens gepleit voor een verplichte waardering naar het moment waarop feitelijk over de verkrijging kan worden beschikt, bijvoorbeeld nadat een verklaring van erfrecht is afgegeven waarmee een erfgenaam zich tegenover derden kan legitimeren. B.C.M. Waaijer, De peildatum voor de successiebelasting, WPNR 5878 (1988).
Zie het veelal aangehaalde, voor het recht van overgang gewezen arrest van de Hoge Raad van 2 januari 1903 (PW 9536), waarin hij overweegt dat ‘volgens de wet de rechten van den fiscus alleen en uitsluitend bepaald worden naar toestanden, die op het oogenblik van overlijden in werkelijkheid bestaan’. Ook op deze hoofdregel worden in de SW uitzonderingen geformuleerd, zoals bijvoorbeeld in art. 53b, die overigens ook als een bevestiging van de successierechtelijke ‘peildatumhoofdregel’ kunnen worden beschouwd. Zwemmer merkt overigens – mijns inziens terecht – op dat een zakelijke verdeling niets toe of afdoet aan hetgeen de deelgenoten verkrijgen, en die verdeling voor de omvang van de verkrijging zonder fiscaal belang is. H. Schuttevâer, J.W. Zwemmer, De Nederlandse Successiewetgeving, Deventer: Kluwer 1998, p. 78.
Over dit arrest en daaraan gewijde publicaties meer in hoofdstuk 5, § 4.5.1 en hoofdstuk 7, § 5.
R.T.G. Verstraaten, Overdracht en vererving van de onderneming, meerwaardeclausules en de successiewet, Kwartaalbericht Estate Planning 2005/4. Verstraaten concludeert nadien – in dezelfde lijn – dat het niet zo kan zijn, dat louter op grond van art. 21 lid 4 SW (een waarderingsvoorschrift) zonder meer kan gelden dat sprake is van een gift bij de overdracht van een persoonlijke onderneming tegen een vergoeding die lager is dan de liquidatiewaarde. R.T.G. Verstraaten, Schenking van een onderneming, Gedreven eigenzinnig creatief en honkvast (Schonis-bundel), Deventer: Kluwer 2006, p. 344. Gubbels neemt echter – naar mijn mening ten onterecht – aan dat ‘op het moment dat de overdracht plaatsvindt tegen een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer’ reeds van een schenking sprake is. N.C.G. Gubbels, Overdracht van de onderneming en schenking, FBN 2006, nr. 23.
HR 30 maart 2007, nr. 41 007, met een zeer lezenswaardige conclusie van A-G Niessen. Zie daarover ook V-N 2007/1924. Hetzelfde geldt overigens voor de ‘verkrijging krachtens erfrecht’. In zijn Besluit van 19 februari 2007, nr. CPP2006/1969M, opende de minister van financiën met: ‘Voor de heffing van successierecht wordt aangesloten bij het erfrecht (artikel 1, eerste lid, onderdeel 1° en tweede lid, van de SW)’.
In een waarderingsforfait kan wel de erkenning door de wetgever van bepaalde maatschappelijke belangen worden onderkend. Van Mourik constateerde zulks voor de inmiddels afgeschafte ‘60%-waardering’ van de echtelijke woning. M.J.A. van Mourik, Rechtssfeerwaarde en Successiewet 1956, Van wet naar recht (Scheltens-bundel), Deventer: Kluwer 1984, p. 132. Thans zou men in de successierechtelijke bedrijfsopvolgingsfaciliteiten van art. 35b e.v. SW een erkenning kunnen lezen van het door de wetgever erkende maatschappelijke belang dat de continuïteit van een onderneming niet in gevaar wordt gebracht door de heffing van successie- en/of schenkingsrecht. Zie ook hoofdstuk 7, § 5.
Zie ook hoofdstuk 5, § 12.2.
Deze kunnen, zoals in hoofdstuk 5, § 8.1 uiteengezet, wel van invloed zijn op de omvang van het legitimair tekort. Zo speelt de in een verdeling overeengekomen waarde mijns inziens geen rol voor de grootte van de legitieme portie, maar kan deze wel bepalend zijn voor de waarde van de toe te rekenen verkrijging krachtens erfrecht en dus voor het legitimair tekort.
Zie hoofdstuk 5, § 5.
Zie ook H. Schuttevâer, J.W. Zwemmer, De Nederlandse Successiewetgeving, Deventer: Kluwer 1998, p. 192.
Klaassen-Luijten-Meijer, Erfrecht, Deventer: Kluwer 2002, p. 312.
W.D. Kolkman, Schulden der nalatenschap (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006, p. 341, 342.
Zie ook Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 136.
Zie voor de vereisten voor een geldige verrekening, Asser-Hartkamp 4-I, Verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 494 e.v. Zo schrijft Hartkamp dat het vereiste dat twee personen wederkerig elkaars schuldeiser zijn, essentieel is. Daarvan hoeft binnen een erfrechtelijk kader niet steeds sprake te zijn. Op de vereisten als zodanig en de vraag of hieraan in het onderhavige kader kan worden voldaan, ga ik in deze proeve niet in. Voor mijn betoog ga ik ervan uit dat verrekening mogelijk is.
Zie ook hoofdstuk 9, § 4.
Van de Poll schrijft in 1967 in zijn preadvies voor de Broederschap der Candidaat-Notarissen het volgende over de verhouding tussen de waardebegrippen in successiebelastingen en het erfrecht:
‘Heel dikwijls dient de waarde (…) te worden vastgesteld zowel voor de successiememorie als voor de onderlinge verdeling. (…)
Hebben we hier nu te maken met verschillende grootheden? M.a.w. vertegenwoordigt de “verkoopwaarde” van art. 21 lid Isub a van de Successiewet 1956 een ander begrip dan de “prijs” van artikel 1123 laatste lid BW?
Of is hier sprake van hetzelfde, dat slechts met andere woorden wordt aangeduid?
Zoveel literatuur en jurisprudentie er bestaat over de verkoopwaarde van de SW, zo weinig is er te vinden over een definitie van de prijs van art. 1123 B.W. Men schijnt er in het algemeen stilzwijgend van uit te gaan, dat beide begrippen elkaar dekken.
Overigens, waarom zou dit niet zo zijn? Het is redelijk, dat het geldsbelang, dat het object vertegenwoordigt voor de deelgenoten, tevens de grondslag vormt voor de wegens de verkrijging te heffen rechten.’
en, na onder meer geconstateerd te hebben dat de rechtsontwikkeling zowel voor de successiebelastingen als voor het burgerlijk recht in een richting gaat die een wat ruimere interpretatie voor het begrip waarde meebrengt, vervolgt Van de Poll met:
‘Dit betekent voor de praktijk, dat ingeval men bij een boedelafwikkeling te maken heeft met zowel een taxatie als bedoeld in artt. 1123 en 1124 B.W. als met een zg. minnelijke waardering en er niet te veel tijd is verlopen tussen de sterfdatum en de dag van scheiding, hetzelfde taxatie-rapport dienst kan doen voor het successierecht en voor de verdeling.’1
Volgens Van de Poll kan voor de waardering van een onderneming in een verdeling eveneens de ‘successiewaarde’ worden gehanteerd, mits de onderneming wordt voortgezet en er geen extra-vergoeding voor de goodwill wordt berekend.2 Wordt de onderneming niet voortgezet, dan zullen volgens hem de ‘bestanddelen elk op zich zelf op de normale wijze moeten worden geschat’. De beide bedoelde waarden kunnen dan verschillen, hetgeen veroorzaakt wordt door een niet-handelen na overlijden waarmee voor de successierechtheffing geen rekening gehouden kan worden.3 In de benadering van Van de Poll ‘volgt’ de waarde in het erfrecht in beginsel die voor de successiebelastingen, zo blijkt onder meer uit zijn opmerking over de waardering van de niet-voortgezette onderneming.
De visie van Van de Poll wordt overigens nadien nog door Wiersma bevestigd in de bespreking van het preadvies.4 Volgens Schuttevâer is de opvatting van Van de Poll onbetwistbaar de juiste.5
Van Mourik keert zich tegen de benadering van Van de Poll cum suis, als hij schrijft:
‘Indien men terzake van een boedelscheiding tot de conclusie komt dat, alle relevante factoren in aanmerking genomen, moet worden uitgegaan van een waarde Y dan is dat in die sfeer op dat moment “de” waarde, ook al stemt het bedrag niet overeen met de “verkoopwaarde”.’6
Volgens Van der Burght dient in civilibus de waarde van toe te delen boedelbestanddelen te worden vastgesteld met inachtneming van de bijzondere verhouding tussen de deelgenoten en de positie die deze bestanddelen daarin innemen. Hij vervolgt met:
‘Men volgt dus niet het fictieve-marktidee uit het fiscale recht dat uitgaat van de vrij opleverbare staat van het goed, omdat de gerechtigde rechtens bij machte is het goed vrij te vervreemden. Men houdt zich aan de feiten in het concrete geval. Volkomen terecht daar geen voorschrift van civiel recht dwingt tot abstractie van die feiten.’
en:
‘Ons burgerlijk recht begeeft zich niet in deze “dim world, peopled by the indeterminable spirits of fictious or unborn sales”. Juist het feit van “l’egalite est l’ame du partage” maakt dat we ons niet mogen vastleggen op de waarde die in een andere wereld te gelden heeft.’7
Van der Burght concludeert dat het merendeel van de auteurs er in het algemeen bepaald niet stilzwijgend van uit gaat dat de successierechtelijke verkoopwaarde en de waarde in civilibus elkaar dekken.8
Bij de bestudering van de literatuur over de al dan niet aanwezige identiteit van het successierechtelijke en civielrechtelijke waardebegrip, heb ik een argument gemist dat de ontkenning van deze identiteit mede zou kunnen onderbouwen, te weten de peildatum van de waardering. De peildatum voor de waardering maakt mijns inziens ‘onderdeel’ van het waardebegrip uit. Voor de successiebelastingen bepaalt art. 21 lid 1 SW als hoofdregel dat het verkregene in aanmerking wordt genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend.9 Voor een verkrijging krachtens erfrecht betekent dit, het tijdstip van overlijden.10 Een nadien totstandgebrachte verdeling van de nalatenschap blijft voor het successierecht in beginsel zonder gevolgen.11
De civielrechtelijke waarde van in een verdeling betrokken goederen en schulden dient naar het verdelingsmoment te worden genomen, tenzij de deelgenoten anders overeengekomen zijn of de redelijkheid en billijkheid tot een ander tijdstip nopen. De door de erfgenamen bewerkstelligde verdeling vindt per definitie na overlijden plaats. De peilmomenten voor de successierechtelijke en civielrechtelijke waardering en daardoor ook de bepaalde waarden zullen dan ook veelal verschillend zijn, hetgeen als een argument contra de ‘waarde-identiteit’ kan worden beschouwd.
In de hoofdzakelijk fiscaal getinte commentaren op HR 13 februari 2004, NJ 2004, 653, m.nt. WMK, werd opnieuw met de successierechtelijke waardering geschermd.12
Verstraaten verwoordde de kern van de discussie als volgt:
‘Men is bij een bedrijfsoverdracht tegen vergoeding van de lagere voortzettingswaarde al gauw geneigd te spreken van een gift, omdat volgens de tekst van art. 21, lid 4 als minimumwaarde van de onderneming de liquidatiewaarde in aanmerking moet worden genomen. (…) Zo simpel is het m.i. niet. Genoemde bepaling is immers een waarderingsregel die pas aan de orde komt als een gift is gedaan.Van een gift is sprake als een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden en de verarmde partij zich ervan bewust was dat hij door het aangaan van de transactie zou verarmen (…) en die partij ook de wil had om te verarmen (…).’13
Het civielrechtelijke giftbegrip bepaalt of sprake is van een belastbaar feit voor de SW, zo werd door de Hoge Raad bevestigd in zijn arrest van 30 maart 2007.14 Dat het civiele recht de ‘toegang’ tot de SW verschaft, zegt mijns inziens niets over de in aanmerking te nemen waarde van de betrokken objecten. Noch in de zin dat de SW zou moeten aansluiten bij de civielrechtelijke waardering, noch het omgekeerde.
De conclusie luidt derhalve dat de waardering in beide bedoelde rechtsgebieden hun eigen spelregels kennen, die zeker niet volledig identiek zijn. Daarbij teken ik voor de goede orde aan, dat ik abstraheer van de successierechtelijke waarderingsforfaits, zoals ter bepaling van de waarde van een recht van vruchtgebruik of van een periodieke uitkering. Deze forfaits komen in het erfrecht niet voor, maar kunnen geen argument vormen voor het afwijzen van de identiteit, nu deze forfaits mijns inziens niets toe of af doen aan het conceptuele successierechtelijke waardebegrip. Waarderingsforfaits zijn overigens nagenoeg altijd een afgeleide van de waarde als bedoeld in art. 21 lid 1 SW.15
Op voorhand lijkt de slotsom te zijn dat convergentie in het successierechtelijke en erfrechtelijke waardebegrip ontbreekt. Daaraan moet echter worden toegevoegd dat de hiervoor geschetste discussie over de waarde-identiteit zich concentreerde op de vergelijking van de successierechtelijke en de erfrechtelijke waarde in de verdeling van een nalatenschap, hetgeen geen opzien baart indien men bedenkt dat deze discussie onder het regime van het oude erfrecht speelde, waarin waardediscussies zich immer rondom de verdeling afspeelden.16 Vanzelfsprekend kunnen waardevraagstukken onder het huidige erfrecht zich nog steeds in het kader van een verdeling voordoen, in welk geval de bedoelde waardebegrippen – nog steeds – van elkaar verschillen.
Zoals in hoofdstuk 5, § 12.2 betoogd, ‘kent’ het huidige erfrecht meerdere waardebegrippen; de invulling van het begrip hangt van het sub-rechtsgebied af waarin de waarde moet worden bepaald.17 Met de invoering van het huidige erfrecht heeft de wetgever – zo zou men ‘plastisch’ kunnen uitdrukken – de ‘heffing van legitimaire erfrechtelijke aanspraken’ ingevoerd. In laatstgemelde paragraaf heb ik uiteengezet dat voor de waardering ter bepaling van de omvang van bedoelde aanspraken dient te worden uitgegaan van een objectieve waarderingsmaatstaf, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen de legitieme portie en de sommen ineens.Voor de sommen ineens kunnen, op aangeven van de wetgever, immers concrete, subjectieve factoren mede van invloed zijn op de bepaling van de omvang daarvan, hetgeen mijns inziens niet opgaat voor de legitieme portie.
Voor de berekening van de omvang van de legitimaire massa, en de daarvan afgeleide legitieme portie, dient naar mijn mening, zoals in hoofdstuk 5, § 8.1 betoogd, de meest objectieve waarderingsmaatstaf in aanmerking te worden genomen. De omvang van de legitieme portie in abstracto staat op het tijdstip onmiddellijk na erflaters overlijden vast. Op de voor de vaststelling van de omvang van de legitimaire massa te hanteren waarderingsmaatstaven heeft noch de (toekomstige) legitimaire schuldenaar noch de (toekomstige) legitimaire schuldeiser enige invloed. Voor de waardering in dit kader zijn subjectieve omstandigheden, overwegingen en keuzes mijns inziens in beginsel irrelevant.18
Indien men deze benadering naast die van het waardebegrip voor de successiebelastingen legt, vertonen beide vele overeenkomsten. In beide gevallen maakt de waardering zich los van in de betrokken subjecten gelegen, concrete feiten en omstandigheden, althans voor zover deze voor ‘de willekeurige derde’ niet relevant zijn. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat de peildatum eveneens overeenkomt. Voor de legitieme portie dient immers de waarde te worden genomen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater, waarbij die waarde nog door dat overlijden kan zijn beïnvloed (art. 4:6 BW), terwijl men voor de gift in beginsel aansluit bij het tijdstip van de prestatie (art. 4:66 lid 1 BW).19 Voor het successiebelastingen is dat in beginsel niet anders.
Als ‘piece de resistance’ voor de bedoelde ‘waarde-identiteit’ bezie ik ten slotte de waarde(ring) van een onvolwaardige vordering, bij een erfrechtelijke verkrijging daarvan door de desbetreffende debiteur. Volgens Zwemmer zal de waarde van deze vordering voor de successierechtheffing, waarbij de onvolwaardigheid waardedrukkend werkt, niet gelijk zijn aan het – nominale – bedrag waarmee de debiteur wordt bevrijd.20 Luijten en Meijer laten daarentegen – in het kader van de legitiemeregeling – voor de waardering van een dergelijke, tot erflaters nalatenschap behorende vordering de als gevolg van de verkrijging krachtens erfrecht daarvan optredende vermogensvermeerdering meewegen. Hetzij op grond van de ‘gedwongen schuldverrekening’ als bedoeld in art. 4:228 BW voor het geval de debiteur tevens erfgenaam is, hetzij op grond van de verrekening ex art. 6:127 e.v. BW indien hij uitsluitend schuldeisende legitimaris is. In dit gemaakte onderscheid komt tevens tot uitdrukking dat een legitimaris als zodanig geen deelgenoot van een nalatenschap – als goederenrechtelijke gemeenschap – is, maar dat dat evenmin door het legitiemesysteem uitgesloten wordt.
Luijten en Meijer concluderen met betrekking tot de onvolwaardige vordering:
‘Het resultaat is dat een vordering op een legitimaris die te verwaarlozen eigen vermogen heeft maar evenveel of meer uit de nalatenschap te verwachten heeft, voor de nominale (cursivering, WB) waarde kan worden gewaardeerd.’21
Ervan uitgaande dat de genoemde auteurs het allen juist zien, lijkt deze conclusie ‘haaks’ te staan op de hiervoor bepleite ‘waarde-identiteit’. In de successierechtelijke visie van Zwemmer kan ik mij vinden; in de erfrechtelijke visie van Luijten en Meijer echter niet geheel. Zij beargumenteren de waardering van de onvolwaardige vordering met onder andere een verwijzing naar art. 4:228 BW. Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt, dat deze bepaling geen waarderingsvoorschrift maar een ‘toedelingsregel’ bevat.
Kolkman schrijft het volgende over deze regel:
‘Crux is dat de toerekening geschiedt ongeacht de gegoedheid van de schuldenaar.’
en verder:
‘De algemene regel van de gedwongen schuldtoerekening steunt mijns inziens op de gedachte dat degene die zowel ontvangt uit de gemeenschap als aan haar behoort te betalen, geen voordeel mag behalen uit zijn eigen gebrekkige kredietwaardigheid. Zijn deelgerechtigdheid en zijn schuld “wegen tegen elkaar op”.’22
De gedwongen schuldtoerekening zal, de door Kolkman verwoorde gedachte voor ogen houdend, in beginsel tot gevolg hebben dat de onvolwaardige vordering, zoals Luijten en Meijer concluderen, voor de nominale waarde in de verdeling betrokken zal worden. Zou de bedoelde vordering immers voor een lagere waarde in aanmerking worden genomen, levert dat een voordeel voor de schuldenaar op die van een grotere schuld wordt bevrijd dan de ‘prijs’ die hij in de verdeling voor de vordering heeft moeten betalen. Zijn voordeel zou dan gelijk kunnen zijn aan – een gedeelte van – het verschil tussen de nominale waarde van de vordering en de daarvan in de verdeling betrokken waarde. Alhoewel art. 4:228 BW als zodanig geen waarderingsregel is, zal de gedachte achter en het effect van de toerekenregel op de waarde van de onvolwaardige vordering in de verdeling effect kunnen hebben, hetgeen mijns inziens redelijk is.
Met de verwijzing naar art. 4:228 BW wordt door Luijten en Meijer gesuggereerd dat de verdeling van de nalatenschap van belang is voor de waarde van de daartoe behorende goederen en schulden, die voor de berekening van de legitieme portie in aanmerking moet worden genomen.
Dit is mijns inziens een onjuiste benadering. Zoals in hoofdstuk 5, § 8.1 betoogd, staat de omvang van de legitieme portie naar mijn mening in abstracto op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden vast. De nadien plaatsvindende feitelijke verdeling van de nalatenschap, met de gedwongen schuldverrekening, is daarop niet van invloed. Bij de bepaling van de omvang van de legitieme portie, als gedeelte van de waarde van erflaters vermogen, is gerekend met de onvolwaardigheid van de vordering. In dit vermogen had deze vordering immers geen hogere waarde. De lagere waarde zal de omvang van de legitieme portie drukken.
Het vorenstaande laat onverlet dat de vordering in de feitelijke verdeling, gezien het bepaalde in art. 4:228 BW, voor de nominale waarde daarvan zal worden betrokken en aan de desbetreffende deelgenoot zal worden toegedeeld.23 Voor de bepaling van de op de legitieme portie toe te rekenen waarde van de verkrijging krachtens erfrecht (art. 4:71 BW) zal de hogere nominale waarde worden gehanteerd, met geen of een kleiner legitimair tekort voor de desbetreffende legitimaris tot gevolg. De gedwongen schuldverrekening van art. 4:228 BW is wel van invloed op de daadwerkelijke verkrijging van de deelgenootschuldenaar, maar niet op de grootte van de legitieme portie. Legitimarissen ‘profiteren’ derhalve niet van een hogere waarde van de vordering ter berekening van de legitimaire massa, en de deelgenootschuldenaar heeft geen voordeel bij de verdeling.
Wat thans nog resteert, is de verwijzing door Luijten en Meijer naar de verrekening van de onvolwaardige vordering op grond van art. 6:127 e.v. BW, indien de nalatenschapsdebiteur uitsluitend schuldeisende legitimaris is, en laatstgenoemde auteurs eveneens tot een nominale waarde daarvan concluderen. Indien men al tot de conclusie kan komen dat verrekening van de legitimaire schuld met de tot de nalatenschap behorende vordering mogelijk is, acht ik om de volgende redenen deze wijze van tenietgaan van verbintenissen, niet van belang voor de waarde van de onvolwaardige vordering bij de bepaling van de legitieme portie.24 Zoals hiervoor ook opgemerkt, staat de omvang van de legitieme portie mijns inziens in abstracto op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden vast; rechtshandelingen van erfgenamen en/of legatarissen zijn daarop niet van invloed. Voor de berekening van de omvang van de legitieme portie zal de onvolwaardige vordering per dat moment gewaardeerd moeten worden, met inachtneming van de gebrekkige kredietwaardigheid van de debiteur derhalve. Zoals hiervoor aangegeven ‘behoorde’ tot erflaters vermogen, waarvan de legitieme portie een gedeelte is, ook slechts bedoelde lagere waarde. Indien men evenwel aanneemt dat de hiervoor bedoelde bevoegdheid tot verrekening tot een nominale waarde van deze vordering dient te leiden, maakt men de omvang van de legitieme portie afhankelijk van de uitoefening van wilsrechten door de erfgenamen en legitimarissen na het peilmoment. Per dat tijdstip zal immers nog geen aanspraak op de legitieme portie zijn gemaakt; daarvoor heeft de legitimaris tot uiterlijk vijf jaren na het overlijden de tijd (art. 4:85 lid 1 BW). Bovendien is de eventuele verrekening alsdan nog afhankelijk van de uitoefening van het ‘verrekeningswilsrecht’ door de legitimaire schuldenaar.
De afhankelijkheid van de uitoefening van deze wilsrechten voor de waardering in het kader van de berekening van de legitieme portie past mijns inziens niet binnen de legitiemeregeling. Te meer als men bedenkt dat het op de hiervoorbedoelde verrekening gebaseerde nominalisme in casu kan leiden tot een grotere legitieme portie voor niet slechts de desbetreffende nalatenschapsdebiteur/legitimaris, maar ook voor de eventuele andere legitimarissen en derhalve per definitie ten nadele van de draagplichtigen voor de legitimaire schulden strekt. Voor de waardering van de onvolwaardige vordering mag mijns inziens dan ook geen rekening worden gehouden met de eventuele verrekening daarvan met het eventuele legitimaire tekort na overlijden. De waardering van de onvolwaardige vordering dient aan de hand van objectieve maatstaven te geschieden, waarbij de kredietonwaardigheid van de schuldenaar tot een afwaardering kan leiden.
Convergentie van het successierechtelijke waardebegrip met alle erfrechtelijke waardebegrippen ontbreekt, zo blijkt uit het vorenstaande. Per 1 januari 2003 heeft de wetgever de legitieme portie veranderd in als het ware een ‘erfrechtelijke heffing’, waardoor mijns inziens voor de waardering in het kader van de berekening daarvan in beginsel kan worden aangesloten bij de voor de successiebelastingen vastgestelde waarde, zonder vanzelfsprekend rekening te houden met eventuele terzake van toepassing zijnde waarderingsforfaits. In beide ‘systemen’ maakt de wetgever de dienst uit. De abstractie van de wettelijke regelingen dwingt mijns inziens tot een objectieve benadering van de waarde van de betrokken goederen en schulden. Convergentie ontbreekt in de gevallen waarin de wetgever in bedoelde systemen ruimte biedt voor – rechterlijke – billijkheidscorrecties, subjectieve waardebepalende factoren en/of forfaitaire waarderingsmaatstaven. Deze doen – zoals aangegeven – aan de overeenkomst van het conceptuele waardebegrip in het erfrecht en de SW naar mijn mening geen afbreuk.25