Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/8.3
8.3. Huwelijksvermogensrecht en erfrecht
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS619216:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 6, § 4.
M.J.A. van Mourik, De waardering van de voormalige echtelijke woning bij scheiding en deling na echtscheiding – een vervolg, WPNR 5417 (1978).
M.J.A. van Mourik, De waardering van de voormalige echtelijke woning bij scheiding en deling na echtscheiding – een vervolg, WPNR 5417 (1978).
Als het verschil al niet uitsluitend wordt gemaakt door het overlijden van een natuurlijk persoon.
Over het verband tussen het huwelijksvermogensrecht en het erfrecht, in historisch en rechtsvergelijkend perspectief, E.A.A. Luijten, Si mulier virum supervixerit (rede Nijmegen), Deventer-Antwerpen: N.V. Uitgeversmaatschappij Æ.E. Kluwer 1965, en voorts het rechtshistorisch proefschrift van Roes; J.S.L.A.W.B. Roes, Het naaste bloed erfde het goed (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2007. Luijten stelt aan het slot van zijn rede voor om aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van erflater de bevoegdheid te verstrekken om de tot de nalatenschap of huwelijksgemeenschap behorende gemeenschappelijke woning met de daarin aanwezige inboedel zonder enige vergoeding over te nemen. Waarderingsproblemen zullen zich bij een dergelijke faciliteit niet voordoen. De erfrechtwetgever heeft het voorstel van Luijten, zo is bekend, niet overgenomen.
Zie over de verdeling van samenvallende nalatenschappen, M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, Mon. BW B9, Deventer: Kluwer 2006, p. 55, 56.
Op het eerste gezicht wekt een verwijzing naar huwelijksvermogensrechtelijke waardejurisprudentie in een erfrechtelijke (waarde)verhandeling – zoals ik in deze proeve in het notenapparaat regelmatig heb gesignaleerd voor HR 23 december 1965, NJ 1967, 44 (Hendriksen-Maatkamp) – dan ook enige verbazing. Daarmee wordt echter, zo neem ik aan, uitsluitend gedoeld op de erkenning door de Hoge Raad van de invloed van de redelijkheid en billijkheid op de waardering in een gemeenschapsverdeling, en niet op de identiteit van het waardebegrip in het huwelijksvermogensrecht en erfrecht.
Voor het samenval van een vennootschappelijke en een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap, blijkt zulks uit het arrest van de Hoge Raad van 3 mei 1968, NJ 1968, 267, m.nt. GJS (Otten-Otten). Zie ook hoofdstuk 5, § 4.5.1. Overigens lijkt de tegenovergestelde invloed, van jongere gemeenschappen op oudere, eveneens denkbaar. Goederenrechtelijk bestaan in beginsel overigens geen bezwaren tegen een verdeling van een jongere gemeenschap voorafgaand aan de verdeling van een oudere gemeenschap, mits – vanzelfsprekend – de juiste deelgenoten aan de verdeling meewerken. Zie Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 139-141, en M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, Mon. BW B9, Deventer: Kluwer 2006, p. 55, 56.
Zwemmer stelt vast dat het huwelijksvermogensrecht van invloed kan zijn op de bepaling van de omvang en de samenstelling van de nalatenschap en van ieders verkrijging daaruit krachtens erfrecht. H. Schuttevâer, J.W. Zwemmer, De Nederlandse Successiewetgeving, Deventer: Kluwer 1998, p. 81.
Ik duid deze voorafgaande rechtssferen in deze proeve ook wel aan als anterieure rechtssferen.
In deze paragraaf zal ik onderzoeken of en zo ja, in welke mate het huwelijksvermogensrechtelijke waardebegrip – inhoudelijk – convergeert met het erfrechtelijke waardebegrip. Zoals onder meer in paragraaf 2 aangegeven, kunnen in het erfrecht, afhankelijk van het betrokken sub-rechtsgebied, meerdere waardebegrippen worden onderscheiden. In het huwelijksvermogensrecht komt het waardebegrip in de literatuur en de jurisprudentie uitsluitend in beeld bij het einde van het huwelijk, waarbij men kan spreken van verdelings- of verrekeningswaarde.1 Hierdoor wordt het ‘gebied’ waarin de waardebegrippen in beide bedoelde rechtsgebieden eventueel zouden kunnen convergeren, beperkt tot de verdelingswaarde, nu een verrekeningswaarde in vorenbedoelde zin in het erfrecht niet voorkomt.
Van Mourik schreef in 1978 in verband met de polemiek over de door hem gepresenteerde rechtssfeerwaarde het volgende:
‘Echter, binnen de eigenheid van iedere sfeer is in meer of mindere mate, naar gelang van de omstandigheden, ruimte voor toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid. Zo is voor de waardering van gewicht of een boedelscheiding plaatsvindt tussen neven en nichten, tussen een langstlevende ouder en de kinderen of tussen voormalige echtgenoten.
Indien na overlijden (cursivering, WB) een woonhuis wordt toebedeeld aan de weduwe die de bewoning voortzet, geschiedt de toedeling veelal voor een waarde welke ongeveer 30% lager ligt dan die welke aan het pand in het economisch verkeer wordt toegekend. Dat is de praktijk en deze stoelt mede op de beginselen van redelijkheid en billijkheid.’
en verder:
‘Welke eisen de beginselen van redelijkheid en billijkheid bij de waardering van de woning na echtscheiding (cursivering, WB) stellen, hangt af van de omstandigheden van het geval. De maatstaf van waardering is geen passe-partout; hij dient voor ieder concreet geval speciaal ontworpen te worden.’2
De redelijkheid en billijkheid zouden binnen laatstbedoelde rechtssfeer volgens Van Mourik kunnen nopen om voor de waardering in overwegende mate rekening te houden met de volgende (waarderings)factoren:
de vrouw is door het huwelijk en de geboorte van kinderen in een economisch afhankelijke positie geraakt;
de echtgenoten hebben zich in beginsel door te huwen elkanders materiële lot aangetrokken voor de resterende duur van het leven;
de man behoudt na de echtscheiding zijn arbeidsinkomen en de vrouw deelt niet noodzakelijk – middels alimentatie – in zijn welvaartsstijging;
de vrouw heeft er belang bij dat haar behoefte aan alimentatie zo gering mogelijk wordt mede gezien het feit dat draagkracht een onzekere factor blijft;
het pand dient ook tot woning voor de kinderen van de man, wier woonrecht weliswaar niet steunt op een gerechtigdheid tot het pand maar – op de verplichting van beide ouders de kinderen te verzorgen en op te voeden; de moedervoogdes “ontlast” de man van diens verplichting aan de kinderen een woning te bieden.’3
De redelijkheid en billijkheid binnen de desbetreffende rechtssfeer bepalen mede de bij een verdeling in aanmerking te nemen waarderingsmaatstaven en -factoren. Van Mourik maakt een onderscheid tussen het einde van het huwelijk door overlijden, en daarmee samenhangende verdeling tussen de langstlevende en de kinderen, en het einde van het huwelijk door echtscheiding, met een verdeling tussen de ex-echtgenoten. De beide rechtssferen verschillen volgens hem, en daardoor in beginsel ook de ‘waarderingsregels’. Dat in beide gevallen een verdelingswaarde in aanmerking genomen dient te worden, hoeft niet tot de conclusie leiden dat de waardebegrippen – inhoudelijk – convergeren. Het gaat immers om de vraag of de in concreto toe te passen waarderingsmaatstaven en relevante waarderingsfactoren overeenkomen. Daarvan is bij het einde van het huwelijk door echtscheiding en door overlijden in beginsel geen sprake, zo concludeert Van Mourik mijns inziens terecht. De rechtsverhouding(en) tussen de betrokken rechtssubjecten en de daarin te onderkennen en te beschermen belangen, verschillen te zeer.4
In de in deze paragraaf te beantwoorden vraag of de huwelijksvermogensrechtelijke en erfrechtelijke verdelingswaarde bij het einde van een huwelijk door overlijden convergeren, kan hetzelfde ‘probleem’ besloten liggen. Is de rechtssfeer van de verdeling van de huwelijksgemeenschap na overlijden niet verschillend van de rechtssfeer van de voor- of nadien plaatsvindende verdeling van de nalatenschap? Zijn de uit de redelijkheid en billijkheid ‘voortvloeiende’ waarderingsmaatstaven en -factoren in beide rechtssferen dezelfde of verschillen deze? Is wellicht relevant dat de betrokken deelgenoten in beide rechtssferen dezelfde zijn, hoewel dat bij een onterving van de langstlevende echtgenoot niet het geval is?
Bestudering van de beschikbare rechtsbronnen, levert geen antwoord op de hiervoor gestelde vragen op. In de behandelde erfrechtelijke waardejurisprudentie, voor zover men daaruit gezien het onvolledige ‘waardebeeld’ al conclusies mag trekken, wordt geen onderscheid gemaakt tussen beide rechtssferen na het einde van een huwelijk door overlijden. Uit de wetsgeschiedenis noch de literatuur wordt men wijzer.
De verschillen tussen de beide bedoelde rechtssferen zijn naar mijn mening groter dan de overeenkomsten. Zo ontstaat een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap als gevolg van een rechtshandeling door de echtgenoten; in het erfrecht ontbreekt deze rechtshandeling. De huwelijksvermogensrechtelijke verhoudingen worden beheerst door de contractsvrijheid; de (aanstaande) echtgenoten geven invulling aan de door hen gewenste rechtsverhoudingen, mijns inziens ook als zij zich aan het wettelijke huwelijksvermogensregime ‘onderwerpen’. Het erfrecht wordt mede door beperkingen van de testeervrijheid gekenmerkt; de wetgever en/of de erflater bepalen het erfrechtelijke regime. De omvang en samenstelling van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap en de nalatenschap kunnen verschillen, evenals de belangen van de betrokken deelgenoten in de beide gemeenschappen.
Dient men op grond van deze overwegingen niet reeds tot de slotsom te komen dat beide rechtssferen zodanig van elkaar verschillen, dat convergentie van de waardebegrippen, en van de daaruit voortvloeiende waarderingsmaatstaven en -factoren uitgesloten is?
Daartegen zou kunnen pleiten dat de verdeling van een huwelijksgemeenschap en de daartoe behorende nalatenschap als het ware communicerende vaten lijken te kunnen zijn. Hetgeen de langstlevende echtgenoot bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap niet – in waarde – toekomt, kan – alsnog – bij de verdeling van de nalatenschap worden verkregen.5 Het omgekeerde laat zich eveneens denken.6 Voegt men aan beide gemeenschappen nog een gemeenschap toe, bijvoorbeeld een vennootschappelijke gemeenschap tussen beide echtgenoten, dan gaat daarvoor hetzelfde op. Het feit dat bedoelde gemeenschappen ‘waardecommunicerende vaten’ kunnen zijn, kan dan mijns inziens ook niet als argument dienen voor de identiteit van de waardebegrippen in deze gemeenschappen. En dus ook niet voor het hanteren van identieke waarderingsmaatstaven en het toekennen van dezelfde relevantie aan waarderingsfactoren.
Bij samenvallende gemeenschappen, zoals de huwelijksgemeenschap en de nalatenschap en bijvoorbeeld een vennootschappelijke gemeenschap, dienen verschillende rechtssferen te worden onderscheiden. Binnen deze rechtssferen worden de rechtsverhoudingen tussen de deelgenoten, naast bijvoorbeeld gesloten huwelijkse voorwaarden en vennootschapsovereenkomsten, mede door de redelijkheid en billijkheid bepaald, rekening houdend met de eigenheid van de desbetreffende rechtssfeer. Ik breng het hiervoor gegeven citaat van Van Mourik in herinnering. Indien men met mij aanneemt dat de (verdelings)waarde in feite de expressie is van de redelijkheid en billijkheid, die de rechtvaardige, evenwichtige (gelijkwaardige) rechtsverhouding tussen de deelgenoten in de desbetreffende rechtssfeer (gemeenschap) concretiseert, kan van een identiteit van waardebegrippen in deze rechtssferen a-priori geen sprake zijn. De verdelingswaarde vloeit als het ware uit de rechtsverhouding(en) voort. In dit waardebegrip ligt reeds de beperkte toepasbaarheid daarvan in andere rechtsverhoudingen besloten. Convergentie tussen het huwelijksvermogensrechtelijke en erfrechtelijke waardebegrip is dan ook afwezig.7 Net zo min als de redelijkheid en billijkheid een voor alle rechtsverhoudingen identieke betekenis en inhoud hebben.
Daarmee is mijns inziens evenwel niet gezegd dat het waardebegrip in het huwelijksvermogensrecht, en/of bijvoorbeeld in het vennootschapsrecht, geen relevantie heeft voor de in het erfrecht in aanmerking te nemen waarde(n). De waarde in de verdeling van de huwelijksgemeenschap dan wel in de verrekening ter afwikkeling van het gekozen huwelijksvermogensregime bepaalt immers mede de inhoud en omvang van de eventueel daaropvolgend af te wikkelen nalatenschap. De aan het erfrecht ‘voorafgaande’ rechtssferen kunnen (mede) een waardebepalende factor in laatstbedoelde afwikkeling zijn, zo is in het onderhavige onderzoek meermalen gebleken. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de invloed van ten tijde van het overlijden bestaande vennootschaps- en pachtovereenkomsten (zie hoofdstuk 5, § 4.4 en § 4.5.1). Zo zullen bij de verdeling van een jongere gemeenschap vóór die van de oudere gemeenschap, de onder meer door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhoudingen in de jongere gemeenschap mijns inziens mede worden bepaald door de werking van deze beginselen in de oudere gemeenschap(pen).8 Ook buiten de verdelingssfeer van een nalatenschap, bijvoorbeeld in de legitiemeregeling, is het niet anders; de resultante van een ‘oudere rechtssfeer’ is in beginsel een fait accompli voor bijvoorbeeld de voor de bepaling van de omvang van de legitimaire massa in aanmerking te nemen waarde(n).9 In die zin is de volgorde waarin de desbetreffende rechtssferen ‘afgewikkeld’ worden, in beginsel irrelevant voor de – uiteindelijke –omvang van de erfrechtelijke verkrijging. In de ‘jongste rechtssfeer’, te allen tijde het erfrecht nu dit de laatste rechtssfeer is die ‘door’ erflater kan worden gecreëerd, komen alle rechtsverhoudingen uit voorgaande rechtssferen in feite samen.10 Indien bijvoorbeeld een oudere gemeenschap reeds is verdeeld, dan zal slechts de resultante daarvan in de afwikkeling van de nalatenschap kunnen en moeten worden betrokken. Zijn oudere gemeenschappen echter nog niet verdeeld, dan zal bedoelde afwikkeling, en derhalve ook de daarbij in aanmerking te nemen waarde(n), geschieden met inachtneming van de in die gemeenschappen vigerende geschreven en ongeschreven rechtsverhoudingen. De ‘optelsom’ van deze anterieure rechtsverhoudingen bepaalt mijns inziens derhalve altijd mede de rechtsverhoudingen in de nalatenschap; het zijn – zoals hiervoor reeds opgemerkt – waardebepalende factoren.
Alhoewel naar mijn mening convergentie van het waardebegrip in het huwelijksvermogensrecht en het erfrecht derhalve ontbreekt, zullen de in het eerstgemelde rechtsgebied toegepaste waarderingsmaatstaven en -factoren de in het erfrecht in aanmerking te nemen waarde van goederen en schulden mede bepalen. De huwelijksvermogensrechtelijke rechtsverhouding is mede een waardebepalende factor. Dat geldt niet slechts voor de verdelingswaarde maar ook voor de objectieve waarde die de wetgever als uitgangspunt hanteert voor zijn ‘legitimaire systeem’, de waarde in het economische verkeer. De invloed van de erfrechtwetgever reikt immers niet verder dan het vermogen dat de erflater heeft achtergelaten; aan de omvang en samenstelling daarvan als zodanig heeft die wetgever part noch deel.