Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/6.5.1
6.5.1 Inleiding
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270254:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 6.5.2.
Zie § 6.5.3. Dat betekent dat niet wordt ingegaan op de politiestrafbeschikking van art. 257b WvSv en de bestuurlijke strafbeschikking van art. 257ba WvSv, en ook niet op de ontnemingsschikking van art. 511c WvSv. Ook het voorwaardelijk sepot blijft onbesproken, aangezien hieraan geen vermogensrechtelijke voorwaarden verbonden kunnen worden.
Zie ook § 2.4.5.5 en 2.4.5.6.
Kamerstukken II 2004/2005, 29 849, nr. 3, p. 6, 62 en 88.
Crijns 2014, onderdeel 3.1.: “Sinds de inwerkingtreding van het Wetboek van Strafvordering in 1926 voorziet het wetboek met de transactie en het voorwaardelijk sepot in mogelijkheden voor het OM zelfstandig strafzaken buiten de rechter om af te doen.”
Kamerstukken II 2004/2005, 29 849, nr. 3, p. 1 en 2 en 15-17.
HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:7, NJ 2017/31 en HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:837.
In deze paragraaf wordt ingegaan op de strafbeschikking, een bijzondere sanctioneringsmodaliteit die in beeld kan komen ingeval sprake is van fiscale fraude. De strafbeschikking is al enkele malen aan bod gekomen in deze studie, onder andere in paragraaf 2.4.5.6, die ging over de vlucht die de buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteiten namen, en in dat verband de Wet OM-afdoening, die in 2008 in werking trad.
Er bestaan verschillende ‘varianten’ van de strafbeschikking en voor fiscale zaken zijn de volgende twee strafbeschikkingen van belang:
De strafrechtelijke strafbeschikking van art. 257a t/m 257h WvSv.1 De strafrechtelijke strafbeschikking is niet bedoeld voor de bestraffing van fiscale delicten, tenzij de bevoegdheid tot vervolging is overgedragen aan het OM. Zie hierover paragraaf 6.5.4.
De fiscale strafbeschikking van art. 76 AWR.2 Deze kan worden uitgevaardigd door de inspecteur, zie hierover ook paragraaf 6.5.4.
In deze paragraaf zullen zowel de strafrechtelijke strafbeschikking, als de fiscale strafbeschikking, worden behandeld, beide aan de hand van de volgende vragen:
Wat is de wettelijke basis van de strafbeschikking?
Wie kan de strafbeschikking uitvaardigen?
Wanneer/ten aanzien van welke feiten kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd?
Hoe is de rechtsbescherming geregeld ten aanzien van de strafbeschikking?
Welke sancties kunnen middels een strafbeschikking worden opgelegd?
Het bijzondere aan de strafbeschikking is dat hiermee het uitgangspunt dat alleen de strafrechter een straf mag opleggen verlaten is. De ontwikkelingen in het bestuursrecht hebben bij de totstandkoming van de strafbeschikking een belangrijke rol gespeeld.3 Bij de totstandkoming van de Wet OM-afdoening werd meer dan eens naar het bestuursrecht verwezen: omdat bestuursorganen bestraffende sancties mogen opleggen, zou het voor bepaalde gevallen in strafrechtelijke context ook mogelijk moeten zijn dat de rechter ‘gepasseerd wordt’.4
Vanwege de raakvlakken met de transactie – die de strafbeschikking in eerste instantie zou vervangen5 – wordt deze ook kort besproken.6 Voor nu: de strafbeschikking wordt eenzijdig toegepast, terwijl de transactie een element van consensualiteit kent. Bovendien houdt de strafbeschikking een daad van vervolging in,7 die resulteert in bestraffing op basis van vaststelling van schuld8 en die qua rechtskarakter overeenkomt met een rechterlijke veroordeling, zo bevestigde de Hoge Raad op 3 januari 2017.9 Dit geldt niet voor de transactie, waarmee vervolging juist wordt voorkomen.10
Gezien de relatief recente invoering van de stafbeschikking, is gedurende enige tijd getwijfeld over de aanpak met betrekking tot deze sanctiemodaliteit in de wetgevingsoperatie rondom modernisering van het Wetboek van Strafvordering. De strafbeschikking is in de ambtelijke versie van juli 2020 van het wetsvoorstel tot vaststelling van het nog in te voeren gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering terug te vinden in boek 3 (inzake de beslissingen over vervolging) en in boek 5 (rechtsmiddelen). Het betreft de artikelen 3.4.1. t/m 3.4.6. en 5.3.1. t/m 5.3.7. WvSv.