Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.3.3.4
8.3.3.4 Geen gedwongen reorganisatie als de betrokken rechtspersoon zelf ingrijpt
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368529:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 8.3.3.1.
Kamerstukken TK, 9596 nr. 3 (MvT) p. 8.
Zie ook Handboek 2013, p. 831, Asser\Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme nr. 794, Compendium 2013, p. 1778 en Geerts (diss.), p. 280 en 281.
Hof Amsterdam (OK) 21 maart 2007, JOR 2007/179 (Keltec). Zie voor een ander voorbeeld Hof Amsterdam (OK) 1 april 2012, ARO 2011/64 (Sensemakers).
Hof Amsterdam (OK) 28 april 2016, JOR 2016/194 m.nt. Van Thiel (Cunico).
Zie par. 8.3.2.4.
HR 4 oktober 2002, NJ 2002/556, JOR 2002/214 m.nt. van den Ingh (Zwagerman II),r.o. 3.4.3.
Het doel van eindvoorzieningen is dat de rechtspersoon als gevolg van een reorganisatie uit zichzelf geen onverantwoord gedrag meer vertoont.1 Voor eindvoorzieningen is daarom geen plaats, indien de rechtspersoon deze reorganisatorische maatregelen uit zichzelf neemt.2 Als de weg tot een oplossing niet is geblokkeerd maar zelfs actief wordt bewandeld, is er geen taak van de ondernemingskamer.3
Deze gedachte komt ook tot uiting in het vijfde lid van art. 2:355 BW. Daarin is vastgelegd dat de ondernemingskamer haar beslissing kan aanhouden, indien de rechtspersoon het op zich neemt om bepaalde maatregelen te nemen om een eind te maken aan het wanbeleid of de gevolgen daarvan zo veel mogelijk ongedaan te maken of te beperken. Dat impliceert dat de ondernemingskamer niet ingrijpt, indien dit reeds is geschied.
Het komt in de praktijk ook voor dat de ondernemingskamer afziet van het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen, indien de rechtspersoon beterschap laat zien, of belooft.
Zo had inzake Keltec4 gedurende jaren geen enkele formele aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden en waren de jaarrekeningen derhalve ook niet op de in de wet voorgeschreven wijze goedgekeurd. Toch wees de ondernemingskamer (onder meer) het verzoek om onmiddellijke voorzieningen af, mede omdat de vennootschap aannemelijk had gemaakt dat zij voortaan een en ander wel volgens het boekje zou laten verlopen.
Ook kan de noodzaak om (onmiddellijke) voorzieningen te handhaven komen te vervallen, indien de vennootschap zelf een reorganisatie uitvoert.5
Om ingrijpen door de ondernemingskamer af te wenden, volstaat het evenwel niet (altijd) om het gedrag (van de leden van de organen) van de vennootschap te verbeteren. De vennootschap is verplicht om de gevolgen van het (inmiddels beëindigd) wanbeleid zo veel mogelijk ongedaan te maken, althans dat kan onder omstandigheden zo zijn.6 Indien de rechtspersoon niet aan een dergelijke verplichting voldoet, kan dat bijdragen aan het oordeel dat toch sprake is van wanbeleid.7
Stel bijvoorbeeld dat een bestuurder “met zijn handen in de kas zit”. Het volstaat dan niet om deze bestuurder te ontslaan om ingrijpen door de ondernemingskamer af te wenden. Het is dan in beginsel tevens vereist dat de rechtspersoon tracht om verhaal te nemen op deze bestuurder voor de schade die hij door zijn gedrag heeft geleden, tenzij de kans op verhaal te klein is om de daarmee samenhangende kosten te rechtvaardigen.