Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.3.3.3
6.3.3.3 Uitzonderingen op de hoofdregel
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS467965:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser 2004, p. 110. Asser noemt als voorbeeld dat de gedaagde, die wordt aangesproken tot nakoming van een verbintenis, stelt dat de verbintenis reeds is nagekomen en daardoor teniet is gegaan. Asser merkt op dat men in dit soort gevallen het verweer moet onderscheiden van het bewijs van dit verweer: het verweer is weliswaar gericht tegen de door de eiser ingeroepen rechtsgevolgen, maar het bewijs van dit verweer is niet gericht tegen de door eiser aan die rechtsgevolgen ten grondslag gelegde feiten.
Zie hierover Asser 2004, p. 87: ‘Het woord “vermoeden” in het civiele bewijsrecht is een vertaling van het Latijnse “praesumptio” dat duidt op een omstandigheid die bij voorbaat wordt aangenomen. Het begrip heeft dus niets uitstaande met “vermoeden” als “gissing, veronderstelling” in het gewone spraakgebruik.’
Asser 2004, p. 88; Giessen 2001, p. 64 e.v.
HR 29 november 2002, JOR 2003, 2 (Berghuizer Papierfabriek, m.nt. Bartman).
203. Ingevolge art. 150 Rv kan uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast (lees: de bewijsleveringslast en het bewijsrisico) voortvloeien. Een voorbeeld hiervan vormt de bewijslastverplaatsing, waarover ik in het vorige tekstnummer een korte opmerking heb gemaakt. Andere voorbeelden, waaraan ik thans iets meer aandacht besteed, betreffen de vermoedens.1 Deze vermoedens kunnen worden onderverdeeld in vier categorieën, te weten (a) de onweerlegbare wettelijke vermoedens, (b) de weerlegbare wettelijke vermoedens, (c) de algemene rechterlijke vermoedens (ook wel jurisprudentiële vermoedens genoemd) en (d) de niet-algemene rechterlijke (of feitelijke) vermoedens. Het onweerlegbare wettelijke vermoeden behelst niets anders dan een zuivere rechtsregel. Het weerlegbare wettelijke vermoeden en het daarmee vergelijkbare door de Hoge Raad ontwikkelde algemene rechterlijke vermoeden houden rechtsregels in ten aanzien van de bewijslast, waarbij het normatieve element overheerst. Het niet-algemene rechterlijke of feitelijke vermoeden behoort thuis op het terrein van de bewijswaardering en de vaststelling van de feiten door rechter.2 De vermoedens onder (b)-(d) hebben met elkaar gemeen dat eiser het bewijsrisico draagt, maar dat hij wordt ontheven van de bewijsleveringslast.
Een bekend voorbeeld van een vennootschapsrechtelijke wettelijke bepaling die zowel een onweerlegbaar als een weerlegbaar wettelijk vermoeden in zich bergt, vormt art. 2: 138(248) lid 2 BW. Heeft het bestuur niet voldaan aan de verplichtingen uit art. 2: 10 of art. 2: 394 BW, dan heeft het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervuld (onweerlegbaar) en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (weerlegbaar). De curator wordt ontheven van de bewijsleveringslast. Hij blijft het bewijsrisico echter wel dragen. Slagen de bestuurders of commissarissen die worden aangesproken er in te bewijzen dat de onbehoorlijke taakvervulling géén belangrijke oorzaak was van het faillissement (zij dienen derhalve tegenbewijs te leveren), dan wordt de vordering afgewezen. Een voorbeeld van een algemeen rechterlijk vermoeden levert het arrest Berghuizer Papierfabriek van de Hoge Raad.3 Ons hoogste rechtscollege herhaalt eerst de hoofdregel dat voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2: 9 BW vereist is dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt, hetgeen moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
Hij overweegt vervolgens dat de omstandigheid dat is gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen in dit verband als een zwaarwegende omstandigheid moet worden aangemerkt die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. De bestuurder wordt vervolgens de gelegenheid geboden tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt: hij dient feiten en omstandigheden aan te voeren (lees: te stellen en bewijzen) op grond waarvan kan worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen níet een ernstig verwijt oplevert (rechtsoverweging 3.4.5).4