De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/7.4:7.4 De kwalificatie van de arbeidsrelatie in het socialezekerheidsrecht, fiscaal recht, en EU-recht: beschouwing
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/7.4
7.4 De kwalificatie van de arbeidsrelatie in het socialezekerheidsrecht, fiscaal recht, en EU-recht: beschouwing
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583344:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 3 juli 1986, C-66/85, ECLI:EU:C:1986:284 (Lawrie-Blum), r.o. 17.
Zie over de complexe aspecten van het begrip organisatorische inbedding mijn bijdrage in TRA 2017/3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk stond de zesde deelvraag centraal:
Op welke wijze wordt de kwalificatievraag beantwoord in het socialezekerheidsrecht, fiscaal recht en EU-recht, en hoe verhouden die benaderingen zich tot de kwalificatiewijze in het Nederlandse arbeidsrecht?
Zoals in het inleidende hoofdstuk van dit onderzoek is toegelicht, strekt de bespreking in dit hoofdstuk ertoe het onderzoek in context en perspectief te plaatsen. De kwalificatievraag ex artikel 7:610 BW kan nu eenmaal niet geheel geïsoleerd worden beschouwd: de wijze waarop die vraag in arbeidsrechtelijke context wordt beantwoord, werkt onder meer door in de wijze waarop in socialezekerheids- en fiscaalrechtelijke context wordt beoordeeld of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. In de literatuur werd eerder nog wel aangenomen dat de beoordelingswijze in de laatstgenoemde rechtsgebieden ‘feitelijker’ of ‘formeler’ was dan de arbeidsrechtelijke toets, doordat in socialezekerheids- en fiscaalrechtelijke context minder (zwaarwegende) betekenis werd toegekend aan de partijbedoeling dan in het arbeidsrecht. Met het arrest X/Gemeente Amsterdam lijkt dit (nuance)verschil goeddeels verdwenen: hierin is immers (uitdrukkelijk) overwogen dat de kwalificatie die partijen zelf voor ogen hadden, niet ter zake doet bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie.
Eenzelfde ontwikkeling is zichtbaar waar het de verhouding tussen de 610-toets en de kwalificatievraag in het EU-recht betreft. In paragraaf 7.3 werd inzichtelijk dat bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie in het EU-recht moet worden uitgegaan van objectieve criteria die kenmerkend zijn voor het bestaan van een arbeidsverhouding, die overigens goeddeels overeenkomen met de criteria uit artikel 7:610 BW. Bij de beantwoording van de kwalificatievraag in het EU-recht gaat het erom of de werkende ‘gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt’, hetgeen moet worden beoordeeld aan de hand van feitelijke omstandigheden.1 De bedoeling van partijen speelt (ook) hier dus geen rol. Nu de partijbedoeling sinds het arrest X/Gemeente Amsterdam ook in het kader van de 610-toets niet ter zake doet, geldt dat ook de EU-rechtelijke en Nederlandse benaderingen meer op één lijn zijn komen te liggen.
Dat de arbeidsrechtelijke toetsingswijze meer in de richting van de ‘formelere’ benaderingen in het socialezekerheidsrecht, fiscaal recht en EU-recht is bewogen, lijkt ruimte te bieden voor het tot stand brengen van eenduidige, consistente en bestendige regelgeving rondom de kwalificatie van arbeidsrelaties. De verschillende toetsingskaders kennen inmiddels een aantal gemene delers, waarvan de meest in het oog springende is dat bij de beantwoording van de kwalificatievraag geen betekenis toekomt aan de door partijen beoogde kwalificatie. Daarnaast is zichtbaar dat in alle besproken contexten belang wordt gehecht aan de organisatorische ondergeschiktheid van de werkende. Er is dus een zekere mate van ‘common ground’ aanwezig, hetgeen het debat inzake de kwalificatievraag vermoedelijk verder zal kunnen kan brengen.
Daarmee is overigens niet gezegd dat de aanwezigheid van deze ‘common ground’ het ontwikkelen van beleid en regelgeving zonder meer eenvoudig zal maken. Dit geldt in het bijzonder voor de aanvullende regelingen in het socialezekerheidsrecht en fiscaal recht die beogen vooraf zekerheid te verschaffen over het antwoord op de kwalificatievraag. Deze regelingen staan nog altijd op gespannen voet met het uitgangspunt dat de beoordeling van de rechtsverhouding gebaseerd is op alle relevante feiten en omstandigheden, in hun onderling verband bezien. Feit is nu eenmaal dat bij aanvang van de samenwerking onmogelijk met alle relevante feiten en omstandigheden rekening kan worden gehouden: op dat moment staat immers nog niet vast hoe partijen feitelijk uitvoering en daarmee invulling aan hun rechtsverhouding zullen geven. Zoals in paragraaf 7.2.1.3 is toegelicht, is het in de praktijk dan ook lastig gebleken een instrument te ontwikkelen dat vooraf zekerheid verschaft over de kwalificatie van de rechtsverhouding, en dat tegelijkertijd het toetsingskader van artikel 7:610 BW en de daarmee samenhangende (beschermings)doelstellingen intact laat. Hoewel een organisatorische invalshoek mogelijk enige houvast zal kunnen bieden, zal (ook) het ontwikkelen van criteria voor het duiden organisatorische ondergeschiktheid niet vrij van uitdagingen zijn.2