Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/7.2
7.2 De kwalificatie van de arbeidsrelatie in het socialezekerheidsrecht en fiscaal recht
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583400:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Op het loon dat aan de werknemer wordt uitbetaald, wordt door de werkgever loonheffingen ingehouden. De loonheffingen bestaan uit loonbelasting (bij wijze van voorheffing op de inkomstenbelasting), premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet. Is men niet werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst, dan wordt geen loonbelasting geheven maar is op basis van een ander regime inkomstenbelasting verschuldigd.
In de werknemersverzekeringen (de Werkloosheidswet (WW), de Ziektewet (ZW), de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)) wordt voor de kring van verzekerden verwezen naar de werknemer, die wordt omschreven als de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat. Zie art. 15 WW, art. 20 ZW, art. 7 WIA, en art. 16 WAO. Hetzelfde geldt voor de Wet op de Loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). Art. 1 Wet LB 1964 bepaalt dat werknemers onderworpen zijn aan de heffing van loonbelastingen en art. 2 Wet LB 1964 bepaalt voorts dat onder werknemer wordt verstaan degene die ‘tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke (…) dienstbetrekking staat’. Zie over het begrip ‘privaatrechtelijke dienstbetrekking’ in deze context nader: Van der Wiel-Rammeloo 2008, p. 153 e.v. Zie tevens Kamerstukken II, 1962/63, 5380, nr. 23, p. 3 in het kader van de Wet LB 1964; in dat verband geldt dat men (zo veel als mogelijk) aansluiting heeft willen zoeken bij de wijze waarop onder meer het begrip werknemer in fiscale zin en in het kader van de sociale werknemersverzekeringen wordt uitgelegd. Zie tevens: HR 18 april 1951, ECLI:NL:HR:1951:178, tevens BNB B.9002, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat in het kader van het toenmalige Besluit op de Loonbelasting 1940, ‘onder een privaatrechtelijke dienstbetrekking niet anders kan worden verstaan dan de betrekking waarin de werknemer staat tot den werkgever op grond van een burgerrechtelijke arbeidsovereenkomst’.
Zie onder meer: Van der Wiel-Rammeloo 2008, p. 153 e.v. Ook de wetgever heeft hierover een en ander opgemerkt; zie in het kader van de WW onder meer Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 8, p. 56, waarin wordt opgemerkt dat het wenselijk is om niet alleen degenen die ‘in een zuivere arbeidsovereenkomst’ werkzaam zijn onder de WW te laten vallen, maar ook anderen onder de werkingssfeer van de WW te brengen.
Het antwoord op de kwalificatievraag is als gezegd ook in het socialezekerheidsrecht en het fiscaal recht van belang. Voor de werkende is het antwoord op die vraag bepalend voor de toegang tot de werknemersverzekeringen, en voor de werkverschaffer voor de vraag of er loonheffingen moeten worden ingehouden en afgedragen.1 Daarmee is het antwoord op de kwalificatievraag zowel voor de werkende als voor de werkverschaffer van groot belang. Dit belang is in deze context bovendien partijoverstijgend: het antwoord op de kwalificatievraag heeft hier immers eveneens gevolgen voor de (loon)belastinginkomsten en de uitkeringskassen van het UWV.
In het socialezekerheidsrecht en fiscaal recht staat niet het begrip ‘arbeidsovereenkomst’, maar ‘privaatrechtelijke dienstbetrekking’ centraal.2 Hoewel de wetgever met dit begrip heeft bedoeld aan te sluiten bij de definitie van de arbeidsovereenkomst in artikel 7:610 BW, verloopt de beantwoording van de kwalificatievraag in het socialezekerheidsrecht en het fiscaal recht niet geheel op dezelfde wijze als in het arbeidsrecht.3 Zo kennen de eerstgenoemde rechtsgebieden aanvullende regelingen waarin wordt toegelicht op welke wijze moet worden vastgesteld of al dan niet sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Tevens kennen het socialezekerheidsrecht en het fiscaal recht diverse instrumenten aan de hand waarvan (meer) zekerheid kan worden verkregen over de juridische kwalificatie van de arbeidsrelatie. Een andere bijzonderheid is dat de werknemersverzekeringen en de loonbelastingen zich niet enkel uitstrekken tot de privaatrechtelijke dienstbetrekking, maar ook tot fictieve dienstbetrekkingen. Hoewel de fictieve dienstbetrekkingen het begrip ‘privaatrechtelijke dienstbetrekking’ intact laten, kan hieruit wel het een en ander worden afgeleid over het ‘benodigde’ toepassingsbereik van artikel 7:610 BW, bezien vanuit het beginsel ongelijkheidscompensatie. Des te meer werkenden via de fictieve dienstbetrekkingen verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen, des te kleiner de ‘noodzaak’ om te bewerkstelligen dat die werkenden binnen de kaders van artikel 7:610 BW komen te vallen.
Hierna wordt achtereenvolgens stilgestaan bij de uitleg van het begrip ‘privaatrechtelijke dienstbetrekking’ en de middelen waarmee partijen zekerheid kunnen verkrijgen over de kwalificatie van hun arbeidsrelatie (7.2.2), en de uitbreidingen en beperkingen van de personele werkingssfeer in socialezekerheids- en fiscaalrechtelijke context (7.2.2). Afsluitend volgt een (samenvattende) beschouwing (7.2.3).
7.2.1 De privaatrechtelijke dienstbetrekking7.2.2 Uitbreidingen en beperkingen van de personele werkingssfeer7.2.3 De kwalificatie van de arbeidsrelatie in het socialezekerheidsrecht en fiscaal recht: beschouwing