Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.8.1:10.4.8.1 Inleidende opmerkingen
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.8.1
10.4.8.1 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491797:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR BNB 1990/293 en BNB 1996/4. Zie over de verschillende-wegen-leer bijvoorbeeld Marres 2020, onderdeel 3.2.3, p. 48-53 en De Vries, WFR 2010/114 en de door deze auteurs gemaakte literatuurverwijzingen.
Zie rechtsoverweging 3.2.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met betrekking tot de nationale antimisbruikbepalingen als onderdeel van de diverse op de Fusierichtlijn gebaseerde reorganisatie- en herstructureringstransacties rijst de vraag of de Hoge Raad ruimte ziet voor de zogenoemde ‘verschillende wegen-leer’. Ik spitst het betoog hierna toe op de antimisbruikbepalingen die zijn verbonden aan fiscale facilitering van splitsingen.
De ‘verschillende wegen-leer’ is bekend als onderdeel van fraus legis.1 De kern is als volgt. Ingeval meerdere wegen beschikbaar zijn om een zakelijk einddoel te bereiken, staat het de belastingplichtige in beginsel vrij om de fiscaal gunstigste route te kiezen. Deze vrijheid is evenwel begrensd. De Hoge Raad verwoordt het in BNB 1996/4 als volgt:2
“De omstandigheid dat een samenstel van rechtshandelingen, in zijn geheel bezien, strekt ter verwezenlijking van zakelijk gefundeerde doeleinden, sluit niet uit dat daarin rechtshandelingen zijn begrepen die voor het bereiken van die doeleinden niet noodzakelijk zijn en die – indien zij voor de heffing van de vennootschapsbelasting zouden worden aanvaard – zouden leiden tot een willekeurige en voortdurende verijdeling van deze heffing.”