Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/4.4
4.4 Conclusies uit de EU-regels en EU-wensen
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS457594:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
H. Drion, Praten over rechtsvinding, de verhouding wet-rechter en het NBW, NJB 1983, p. 12201223.
Aldus de nummers 8 en 11 van de considerans van Richtlijn 2004/48/EG.
Kamerstuk 22112, nr. 439, citaat uit de bij brief van 28 april 2006 van de minister van economische zaken aan de Tweede Kamer aangeboden 'Nederlandse reactie op het Groenboek inzake schadevorderingen wegens schending van de communautaire antitrustregels'.
Alleen kniesoren merken nog op dat Nederland dit natuurlijk niet heeft gehaald. De betreffende wettelijke bepalingen zijn pas bij wet van 8 maart 2007, Stb 2007, 108 met ingang van 1 mei 2007 in werking getreden.
De instituten van de EU, vooral de Europese Commissie die immers de meeste voorstellen doet, bewegen behoedzaam bij de uniformering van regelgeving, zeker indien het betreft initiatieven waarbij ook regels van rechtsvordering in beeld komen. Politiek gezien is dat nog te begrijpen, maar waarom veel nationaal georiënteerde juristen zo aan eigen regels vasthouden alsof hetgeen zelf is verzonnen beter is dan hetgeen in andere ons omringende landen als wetgeving is verzonnen, blijft voor mij niet goed te begrijpen. Het niet bereid zijn om eigen wetgeving in te ruilen voor wetgeving met een grotere regionale reikwijdte doet denken aan hetgeen Drion ooit eens heeft geschreven over de tegenstanders van de invoering van het NBW. Hij zag tegenstanders van die invoering als A. Pitlo, die het oude BW wilde handhaven, in bed stappen met het oud BW als vertrouwd, afgesabbeld, kaalgeplukt en onooglijk teddybeertje tegen zich aan geknuffeld. Drion vond dat hartverwarmend, maar geen reden om de vooruitgang, het Nieuwe BW, tegen te houden.1 Ik zou denken dat die gedachte van Drion ook dient post te vatten in EU-verband. Enge nationale regels hebben hun tijd gehad en vormen nu barrières die zulke problemen opwerpen dat eigen, nationaal belang daaraan moet worden opgeofferd. Het is even wennen, maar initiatieven als die van de commissie Storme zijn niet genoeg te prijzen en behoren niet in een bureaulade te verdwijnen. Voorzichtige en verdedigende overwegingen in een considerans als
`De verschillen tussen de regelingen van de lidstaten inzake de middelen tot handhaving van intellectuele eigendomsrechten zijn nadelig voor de goede werking van de interne markt en maken het onmogelijk te waarborgen dat de intellectuele eigendomsrechten op het gehele grondgebied van de Gemeenschap een gelijkwaardige bescherming genieten. Deze situatie is niet bevorderlijk voor het vrije verkeer in de interne markt, noch voor het scheppen van een gunstig klimaat voor de gezonde mededinging. ... Deze richtlijn heeft niet ten doel geharmoniseerde regels betreffende justitiële samenwerking, rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken vast te stellen, noch over de toepasselijke wetgeving te handelen. Er zijn communautaire instrumenten die deze onderwerpen in het algemeen regelen en die, in beginsel, ook van toepassing zijn op de intellectuele eigendom’,2behoren in een verregaand samenwerkingsverband als de EU niet meer voor te komen.Voorspelbaar is dat de Europese Commissie op meerdere terreinen met gelijke overwegingen langzaam maar zeker onder het mom van handhaving en verbetering van de economische markt, meerdere onderdelen van burgerlijke rechtsvordering zal gaan regelen. Landen zelf nemen immers nauwelijks of geen initiatieven tot harmonisatie van wetgeving. Een andere manier dan de Europese Commissie nu tactisch hanteert, probeer per onderwerp tot harmonisering te komen, lijkt niet goed mogelijk. Waar de Nederlandse regering bij mijn weten nog niet heeft toegezegd bereid te zijn om onze Oude Teddybeer (lees 'het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering') te vervangen door een Europees Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, valt het op dat de minister van economische zaken schrijft
`Nederland heeft er begrip voor dat de Commissie zich richt op het stimuleren van civielrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht, dat traditioneel een van de speerpunten van de Europese Unie is. Nederland betreurt echter de gefragmenteerde aanpak. De Commissie stelt op diverse dossiers -mededingingsrecht, aanbestedingsrecht, intellectuele eigendomsrecht, consumentenrecht- specifieke maatregelen voor, die het nationale burgerlijk procesrecht raken. Hierdoor wordt miskend dat het burgerlijk procesrecht in iedere Lidstaat een innerlijk consistent systeem is. Indien men de uit diverse systemen als best practice geselecteerde procedures, maatregelen en rechtsmiddelen toevoegt of bestaande maatregelen wijzigt, heeft dat tot gevolg dat het nationale systeem uit balans raakt. Wanneer de Commissie van mening is dat er op diverse terreinen problemen bestaan met zaken als schadevergoedingsvorderingen, bewijsgaring, kostenveroordeling en dergelijke, zou Nederland het zeer op prijs stellen indien dat tevens in het Comité Civiel Recht op de agenda wordt gezet om daar deze problemen in een breder verband te bezien…’.3
Die treurnis is volgens mij niet vrij van enige hypocrisie omdat de Nederlandse wetgever er telkens voor kiest om niet meer dan het minimaal noodzakelijke te doen. Zo is richtlijn nr. 2004/48/EG uitgevaardigd op 29 april 2004. De Richtlijn bepaalt in art. 20 dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 29 april 2006 aan de richtlijn te voldoen.4 De Nederlandse regering gebruikt die tijd niet om algemeen onderzoek te doen naar bijvoorbeeld herformulering van art. 843a Rv of herplaatsing van dit artikel naar de bewijsregels, maar ontwerpt een inzageregel voor alleen het terrein van de intellectuele eigendom en wel art. 1019a Rv. Het is hiermee niet zozeer de Europese Commissie die fragmentarisch te werk gaat. De keus om slechts het minimale te doen is van de Nederlandse regering. Uit tactische overwegingen valt te billijken dat de Europese Commissie grote waarde hecht aan het terrein van de intellectuele eigendom, maar ik zie eigenlijk niet waarom dit terrein bevoordeeld zou moeten worden boven andere terreinen als letselschadezaken, franchisezaken, verzekeringzaken, enz. Kortom, ik begrijp niet waarom de Nederlandse wetgever, die drie jaar de tijd heeft genomen, niet meteen een algemene regel heeft gemaakt waarin het recht op inzage werd verruimd. Het zal toch geen grote verrassing zijn geweest dat bij het volgende door de Europese Commissie ter hand genomen onderwerp waarbij het terrein van het bewijsrecht werd betrokken, schadevergoedingsacties wegens schending van de communautaire mededingingsregels, de Europese Commissie verklaart dat zij wil voortbouwen op de benadering die is gehanteerd in Richtlijn 2004/48EG. De telkens fragmentarische reactie van de Nederlandse wetgever op verplichtingen die in Europese richtlijnen worden voorgeschreven, veroorzaakt de schade aan het 'innerlijk consistente systeem'. Het lijkt dan ook tijd te worden dat de Nederlandse wetgever aan de slag gaat om een inzageregel te ontwerpen die voor alle terreinen van het recht geldt, al was het alleen maar om te voorkomen dat in ons Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering straks op verschillende plaatsen zelfstandige regelingen voor het inzagerecht staan in plaats van een algemene regeling op inzage bij de regeling van het bewijsrecht (om alvast maar een voorschot te nemen op onder meer het volgende hoofdstuk).