Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/4.2.1
4.2.1 Wat is verdeling?
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS385839:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Van Rijssen 2006, p. 251-252.
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 615.
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 614 (MvA II).
De rechtsvordering tot vernietiging vervalt door verloop van een jaar nadat de verdeling ter kennis van de gepasseerde persoon is gekomen. Omdat de vervaltermijn relatief kort is, bestaat snel zekerheid over de rechtsgeldigheid van een verdeling.
Vgl. bijv. Perrick 1994, p. 273-274 en Lammers,GS Vermogensrecht, art. 3:183 BW, aant. 4 en 8 (online, laatst bijgewerkt op 18 december 2013).
Asser/Perrick 3-V* 2011/98.
Dat verdeling onder de opschortende voorwaarde van ontbinding mogelijk is, bevestigt de Hoge Raad in HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1697, NJ 1996/499.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, NJ 2013/201, m.nt. Verstappen.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279; NJ 2013/201, m.nt. Verstappen.
Wat precies onder financiële consequenties moet worden volstaan, de waardering en/of de vaststelling van de vordering wegens over-/onderbedeling, en welke overeenstemming onder omstandigheden (namelijk het genoemde wederzijdse vertrouwen dat de ander ook zonder ‘vaststelling van de financiële consequenties’ rechtens met de verdeling instemt) achterwege kan blijven bij de totstandkoming van een verdeling als bedoeld in art. 3:182 BW, wordt uit het arrest niet duidelijk. Zie daarover L.C.A. Verstappen in zijn noot bij het arrest.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, NJ 2013/201, m.nt. Verstappen.
Verstappen 1996, p. 54.
Verstappen 1996, p. 67.
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 618.
Verstappen 1996, p. 59.
Van Zeben 1991, p. 1299.
Wat wordt verstaan onder ‘verdeling’ staat in art. 3:182 BW:
‘Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.’
Uit deze definitie volgt dat een rechtshandeling kwalificeert als verdeling als zij de volgende (cumulatieve) kenmerken heeft:
Alle deelgenoten werken eraan mee, in persoon of vertegenwoordigd. Het begrip ‘medewerking’ heeft geen vaste wettelijke betekenis, maar wordt in de regel opgevat als een vereiste zonder welke de rechtshandeling niet tot stand komt.1 Dit in tegenstelling tot het vereiste van toestemming (zie bijv. art. 3:190 lid 1 BW), zonder welk de rechtshandeling wél tot stand komt, maar niet werkt jegens degene die toestemming had moeten geven.
Zij regelt dat:
een of meer deelgenoten;
een of meer gemeenschappelijke goederen verkrijgt;
met uitsluiting van de overige deelgenoten.
Zij strekt niet tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een deelgenoot die is ontstaan uit een andere rechtshandeling dan bedoeld onder 1 en 2.
De uitkoop van alle overige deelgenoten door één deelgenoot voldoet aan deze kenmerken, omdat 1) alle deelgenoten daaraan mee moeten werken, 2) één deelgenoot de gemeenschappelijke goederen verkrijgt met uitsluiting van de anderen en 3) de overgang niet het gevolg is van een schuld aan de vennoot. Een dergelijke uitkoop is dus aan te merken als een verdeling. De koop door één deelgenoot van het aandeel van een van de vier andere deelgenoten kwalificeert niet als verdeling, aangezien de verkrijger niet het gemeenschappelijkegoed, maar slechts een aan één voormalige vennoot toebehorend aandeel in een gemeenschappelijk goed verkrijgt.
De verdeling is vormvrij,2 mits alle deelgenoten en degenen wier medewerking is vereist (bijv. de beperkt gerechtigde o.g.v. art. 3:177 lid 2 BW en de schuldeiser van art. 3:193 BW3 ) het vrije beheer over hun goederen hebben en zelf of bij door henzelf aangewezen vertegenwoordiger meewerken (art. 3:183 lid 1 BW). Als niet alle deelgenoten en alle andere personen wier medewerking vereist was aan de verdeling hebben deelgenomen, dan is de verdeling nietig (tenzij de verdeling is geschied bij notariële akte, dan is zij vernietigbaar op vordering van degene die niet aan de verdeling heeft deelgenomen, art. 3:195 lid 1 BW4 ). Deze sancties gelden tenzij de verdeling inmiddels is bekrachtigd op grond van art. 3:58 BW.
Heeft een deelgenoot of een ander die aan de verdeling moet meewerken het vrije beheer over zijn goederen verloren, dan is verdeling bij notariële akte en goedkeuring van die verdeling door de kantonrechter vereist, tenzij de rechter anders bepaalt (art. 3:183 lid 2 BW). Voor de curator is wat dit laatste betreft geen uitzondering gemaakt.5 Ook indien de curator van een failliete deelgenoot en de overige deelgenoten het eens zijn over de verdeling, moet deze verdeling dus geschieden bij notariële akte, die moet worden goedgekeurd door de kantonrechter. Indien het vormvoorschrift van art. 3:183 lid 2 BW niet wordt nageleefd, dan is de verdeling vernietigbaar op grond van art. 3:40 lid 2 BW, omdat art. 3:183 lid 2 BW is geschreven in het belang van degene die niet het vrije beheer over zijn goederen heeft.6 Als al vóór ontbinding van de VOF en vóór het faillissement van een vennoot een verdeling is overeengekomen onder de opschortende voorwaarde dat die ontbinding zal plaatsvinden,7 dan geldt het vormvereiste van lid 2 mijns inziens niet, omdat de deelgenoten ten tijde van de verdeling nog wel het vrije beheer over hun goederen hadden. De verdeling is dus op de juiste wijze tot stand gekomen. De vraag of de curator gehouden is om uitvoering te geven aan de verdeling door de goederen te leveren, beantwoord ik later.
De Hoge Raad heeft een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de feitelijke verdeling en de verdeling rechtens.8 In deze zaak hadden de deelgenoten de gemeenschappelijke goederen met wederzijdse instemming feitelijk verdeeld, maar daarin ligt volgens de Hoge Raad niet besloten dat zij een verdeling rechtens als bedoeld in art. 3:182 BW zijn overeengekomen. De datum van de verdeling als bedoeld in art. 3:182 BW is ook de datum die in de regel geldt als peildatum voor de waardering van de gemeenschappelijke goederen (tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen en tenzij op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard), terwijl de feitelijke verdeling niet zonder meer impliceert dat de deelgenoten het ook eens zijn geworden over de financiële consequenties van de verdeling (zoals de vorderingen over en weer wegens over- en onderbedeling). Dit neemt overigens niet weg dat, als er een feitelijke verdeling met wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden en geen van de partijen heeft geprotesteerd in verband met de financiële consequenties, partijen er dan onder omstandigheden op de voet van art. 3:35 BW over en weer op mogen vertrouwen dat de wederpartij ook rechtens met de verdeling instemt.9 De Hoge Raad oordeelt in dit arrest dus, samengevat, dat van een verdeling op grond van art. 3:182 BW pas sprake is als overeenstemming bestaat over de vraag wie welk goed verkrijgt én als is vastgesteld wat de (eventuele) financiële consequenties van die toedeling zijn.10 In de conclusie bij genoemd arrest merkt A-G Rank-Berenschot nog op dat bij de rechtshandeling verdeling op grond van art. 3:182 BW sprake is van een overeenkomst van eigen aard.11
Verdeling is de titel krachtens welke verkregen wordt. Dit betekent dat de grond voor de verkrijging vervalt als de verdeling wordt vernietigd (art. 3:196 BW). Verdeling is echter niet de titel waaronder de verkrijger na verkrijging houdt: hij houdt volgens art. 3:186 lid 2 BW onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten het goed tezamen vóór de verdeling hielden. Zijn de deelgenoten bijvoorbeeld krachtens verjaring gerechtigd geworden tot een gemeenschappelijk goed, dan houdt degene die het goed na overgang door verdeling heeft gekregen het gehele goed krachtens verjaring.12 En hadden de deelgenoten een goed gezamenlijk geschonken gekregen, dan verkrijgt een deelgenoot de aan hem op grond van art. 3:186 BW geleverde aandelen krachtens verdeling en houdt hij het gehele goed ten titel van schenking, dus om niet. De verkrijging krachtens verdeling wordt bij de vraag naar onder welke titel men houdt dus genegeerd.13 Waren de deelgenoten voor de verdeling bezitters te kwader trouw, dan bezit ook de verkrijgende deelgenoot te kwader trouw.14 Voorts heeft de deelgenoot aan wie is toegedeeld na verkrijging de rechten en bevoegdheden die de deelgenoten voor de verdeling samen ontleenden aan hun titel.15
Nadat door middel van de verdeling is vastgesteld wat aan iedere deelgenoot toekomt, kan hieraan vervolgens via levering uitvoering worden gegeven: iedere deelgenoot krijgt wat hem is toegedeeld.16