Uitkoop van minderheidsaandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.2.2.c:9.2.2.c …op basis van de werkelijke feiten
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.2.2.c
9.2.2.c …op basis van de werkelijke feiten
Documentgegevens:
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS594216:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Van den Hoek (1990), p. 47.
OK 31 mei 1990 (ro. 3.3), NJ 1991/617 (VBF Beheersmaatschappij).
OK 15 mei 2008 (ro. 3.15), JOR 2008/197 (Euronext).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De OK gaat bij het vaststellen van de prijs uit van de werkelijke feiten, waarbij acht moet worden geslagen op alle omstandigheden die de waarde bepalen.1
In de uitkoopprocedure inzake VBF Beheermaatschappij uit 1990 stelt de uitkoper dat de gedaagde een zodanige vergoeding moet krijgen dat de gedaagde daardoor in dezelfde positie komt als hij zou zijn geweest, indien zijn aandelen reeds gedurende het openbaar bod van ruim 24 jaar geleden waren overgenomen. De huidige vermogenswaarde van de vennootschap mag volgens de uitkoper geen grondslag vormen voor de uitkoopprijs, omdat dit tot gevolg heeft dat de aandeelhouders die destijds niet zijn ingegaan op het bod, daardoor beter of slechter af zouden zijn dan de aandeelhouders die het bod wel hebben aanvaard.
De OK verwerpt – naar mijn mening terecht – deze stelling, omdat zij uitgaat van een toestand die zich in werkelijkheid niet voordoet.2 Dit kan er volgens de OK wel toe leiden dat een aandeelhouder die niet is ingegaan op het bod in een financieel ongunstiger positie komt dan een aandeelhouder die zijn aandelen wel heeft aangeboden.3