Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/3.1
3.1 Inleiding
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS362265:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.3.3.
Zie par. 2.3.1.
Zie par. 2.3.3.
Hfds. 3 beperkt zich tot het bundelen van omgevingsrecht en geeft geen antwoord op vragen hoe het recht binnen de te bundelen regels vorm kan of moet worden gegeven. Wie daarin is geïnteresseerd, verwijs ik onder meer naar de Aanwijzingen voor de regelgeving en de literatuur daaromtrent. Vragen als welk bestuursorgaan het beste als bevoegd gezag kan worden aangewezen voor het verlenen van een bepaalde vergunning, welke voorbereidingsprocedure het beste kan worden gevolgd of welke de beslistermijn zou moeten zijn komen dus niet aan de orde. Het antwoord op deze en dergelijke vragen is uiteraard wel van belang voor de invulling van wetssystemen, maar valt buiten de reikwijdte van mijn onderzoek. Dat heeft betrekking op de architectuur van het omgevingsrecht, niet op de keuze van bouwmaterialen.
Zie bijlage 5.
In dit hoofdstuk wordt een antwoord gezocht op de eerste deelvraag van dit onderzoek: is er wetenschappelijk een kader (te ontwikkelen) waaruit volgt in welk geval of in welke gevallen bundeling van omgevingsrecht verantwoord is?
Voor het antwoord op die vraag neem ik materiële wetssystemen1 als uitgangspunt. Een wetssysteem bestaat uit volgens bepaalde criteria geordende, onderling samenhangende regels.2Uit deze definitie volgt dat een wetssysteem en daarmee ook een wetssystematisch tekort worden bepaald door een of meer samenhangcriteria. Eerder heb ik al opgemerkt dat de wetgever in beginsel een schier oneindig aantal mogelijkheden heeft aan inhoudelijke criteria om samenhang aan te brengen tussen regels.3 De vraag is echter of het de wetgever geheel vrij staat om elk willekeurig samenhangcriterium te kiezen. Anders gesteld: is bij het kiezen van een samenhangcriterium sprake van een - willekeurige - politieke keuze of kan die keuze ook wetenschappelijk worden verantwoord?
Voor de beantwoording van de eerste deelvraag zal in paragraaf 3.2 eerst op basis van het computerprogramma iTunes, beleidsstukken, wetgeving en wetenschappelijke literatuur worden onderzocht welke criteria mogelijk bruikbaar zijn voor het antwoord op de vraag wat onder samenhang binnen een wetssysteem kan worden verstaan. Naar aanleiding daarvan zal in paragraaf 3.3 vervolgens worden aangegeven wat ik onder samenhang in het kader van een wetssysteem wil verstaan. Daarbij zal ook aandacht worden besteed aan enige met samenhang samenhangende vraagstukken. Nadat in paragraaf 3.3 de zakelijke samenhangcriteria zijn besproken, zal in paragraaf 3.4 aandacht worden besteed aan het afwegen en de mogelijke verdedigbaarheid van na bundeling resterende wetssystematische tekorten. In paragraaf 3.5 gaat het om de vraag of bundeling ook tot nieuwe wettelijke oplossingen mag leiden. Paragraaf 3.6 behandelt de vraag of en zo ja hoe een door bundeling ontstaan wetssysteem toekomstbestendig kan worden vormgegeven. Paragraaf 3.7 noemt enige voordelen van een proeve van bundeling. Paragraaf 3.8 bevat een samenvatting en een vijftal toetscriteria als antwoord op de eerste deelvraag.4 In paragraaf 3.9 zal worden aangegeven op welke wijze vier praktijkvoorbeelden van bundeling zullen worden getoetst aan genoemde toetscriteria.
Op deze plaats roep ik in herinnering dat ik voor het beantwoorden van de eerste deelvraag niet alleen 'klassieke' juridische bronnen heb geanalyseerd, maar ook gebruik heb gemaakt van de resultaten van een aantal interviews5 met wetgevingsjuristen en wetenschappers. Door middel van deze interviews is getracht meer in de keuken van de wetgever te kijken.