Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.3.3.3
7.3.3.3 Naast aard materiaal is verkrijgingswijze relevant criterium
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492317:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Concurring opinion rechter Zupančič bij EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge).
Schalken, noot onder EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226, pt. 3.
In § 5.3.3.2.3 kwam al ter sprake dat de betrouwbaarheid van het bewijs als grondslag van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, in beginsel geen vat heeft op wilsonafhankelijk bewijs(materiaal).
Vgl. Redmaine 2007, p. 216 e.v.
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 69.
In zijn concurring opinion bij Jalloh merkt rechter Zupančič op (min of meer in lijn met rechter Martens; zie § 7.3.1 hiervoor), dat het in Saunders gesuggereerde onderscheid tussen mondelinge verklaringen en wilsonafhankelijk materiaal onhoudbaar is, omdat daarbij geen rekening wordt gehouden met de wijze van verkrijging van dat materiaal.1 Materiaal dat door marteling is verkregen, zou dan toelaatbaar zijn, zolang het maar onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat. Terwijl Saunders een belangrijke zaak is omdat het de twee dimensies van de nemo tenetur-problematiek aan elkaar knoopt (= het recht te worden gevrijwaard van dwang om zichzelf te belasten en bewijsuitsluiting), zal de ratio daarvan volgens Zupančič niet de tand des tijds weerstaan.
Hierop sluit aan de vaststelling van Schalken in zijn noot onder Jalloh, dat het EHRM in die zaak de reikwijdte van het recht tegen gedwongen zelfbelasting heeft verruimd door het Saunders-criterium uit te breiden naar de wijze van (bewijs)verkrijging.2 Het door de klager ingeslikte en uitgebraakte bolletje cocaïne bestond qua technische samenstelling immers onafhankelijk van zijn wil. De mate van op hem toegepast geweld kon (de betrouwbaarheid van) het bewijs als zodanig niet beïnvloeden.3
‘Material’ en ‘measure’ gaan hand in hand
Na Jalloh moet het ervoor worden gehouden dat ’s Hofs benadering van de nemo tenetur-problematiek niet alleen ‘material based’ is, zoals het Saunders-criterium toch sterk doet vermoeden, maar ook ‘measure based’.4 Bij de vaststelling of het niet-meewerkrecht toepasselijk is, gaat het niet werkelijk uit van een strak dogmatisch onderscheid tussen beide criteria. Het Hof lijkt deze naast elkaar te hanteren. De aard van het materiaal en de omstandigheden waaronder het van de verdachte wordt verkregen, geven samen de doorslag. Vgl. een van de meer genoemde voorbeelden die het Hof in Saunders geeft van wilsonafhankelijk materiaal, namelijk ‘documents acquired pursuant to a warrant’.5 In dit voorbeeld grijpen object (‘material’) en verkrijgingswijze (‘measure’) in elkaar. Goed voorstelbaar is dat dit in aanleg voor alle fysiek bewijs geldt. In Funke en J.B. hecht het Hof belang aan de – met sancties bedreigde – ruime vraagstelling omtrent documenten en in Jalloh aan het onder dwang toedienen van een braakmiddel ter verkrijging van het bolletje cocaïne. Of sprake is van verschillende ‘objecten’, moet zodoende worden betwijfeld.