Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.1.4:7.6.1.4 Conclusie
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.1.4
7.6.1.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291070:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn is het verstrekken van de accommodatie, als omschreven in de wetgeving van de lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of kampeerterreinen uitgezonderd van de vrijstelling van art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn. Omdat sprake is van een uitzondering op een vrijstelling, moet deze bepaling ruim worden uitgelegd. De lidstaten mogen bepalen welke accommodatieverstrekkingen op grond van art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn worden belast. Die beoordelingsruimte is vanuit het oogpunt van de interneutraliteit onwenselijk, omdat hierdoor van lidstaat tot lidstaat kan verschillen wat wordt aangemerkt als het belaste verstrekken van accommodatie in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie. Op grond van het beginsel van de fiscale neutraliteit is het daarom een goede zaak dat het Hof van Justitie de beoordelingsruime van de lidstaten heeft begrensd op grond van het doel van de bepaling, namelijk: het maken van onderscheid tussen de vrijgestelde verhuur van woonruimte en de belaste verstrekkingen van accommodatie in het hotelbedrijf en soortgelijke sectoren. Het Hof van Justitie heeft duidelijk gemaakt dat de overeengekomen verblijfsduur een criterium kan zijn om dit onderscheid te maken. Dat lijkt niet te gelden voor het criterium bijkomende diensten.
In Nederland is de uitzondering van art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn geïmplementeerd in art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB. In overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie legt de Hoge Raad deze bepaling ruim uit. Naar het oordeel van de Hoge Raad is het verstrekken van bijkomende diensten voor de toepassing van art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB niet vereist. Naar mijn mening is dit oordeel richtlijnconform. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt naar mijn mening niet dat de verhuur van een gemeubileerde verblijfsruimte vereist is, maar dat de verblijfsruimte toegerust moet zijn voor het kortdurende verblijf. Die lezing voorkomt dat de verhuur van een standplaats op een kampeerterrein in strijd met art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn per definitie buiten de boot van art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB valt. De geschiktheid van de verhuurde ruimte voor het kortdurende verblijf is een objectief criterium dat naar mijn mening volledig beantwoordt aan het doel van art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn. Daarnaast volgt uit de bewoordingen van art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB en de Nederlandse jurisprudentie dat voor de toepassing van art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB ook vereist is dat de (overeengekomen) verblijfsduur voor een korte periode is. Van dit criterium heeft het Hof van Justitie reeds duidelijk gemaakt dat het toegestaan is. Het voorgaande betekent dat art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB en de uitleg daarvan in de Nederlandse jurisprudentie naar mijn mening richtlijnconform is.