Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.3.2
9.3.2 Onmiddellijke voorzieningen en de verwachte uitkomst van de derde fase
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368539:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 8.4.3.2.
HR 21 april 1995, NJ 1996, 462 , r.o. 3.4, m.nt. D.W.F. Verkade (Boehringer Mannheim/Kirin Amgen) Snijders/Klaassen & Meijer, nr. 339, Tjong Tjin Tai Burgerlijke Rechtsvordering, art. 257 BW, aant. 5.
Zie voorgaande noot.
HR 6 april 1990, NJ 1991, 559.
Art. 2:349a lid 3 BW.
HR 14 december 2007, NJ 2008, 105 m.nt. Maeijer, JOR 2008/11m.nt Doorman, r.o. 3.6 (DSM). Zie ook de conclusie van A-G Timmerman bij deze beschikking, onder 3.97 e.v. Zie ook Kamerstukken 32 887, nr. 3, p. 20 en 32.
In de praktijk zal dat niet altijd gemakkelijk zijn. Zolang het onderzoeksrapport nog niet gereed is, is het niet zonder risico om te speculeren op de inhoud daarvan. Dat geldt tevens zolang partijen zich in de derde fase nog niet hebben kunnen uitlaten over het onderzoeksrapport. Hoe de ondernemingskamer hiermee om moet gaan, valt echter buiten het bestek van dit onderzoek. Bij wijze van toegift wijs ik echter op HR 15 januari 1999, NJ 1999/665 , r.o. 3.3.2, m.nt. D.W.F. Vranken (Procter & Gamble/Kimberly Clark): “3.3.1 Middel I keert zich […] tegen […] r.o. 6, 7 en 8, waarin het hof, het bewijsmateriaal overziende, tot de conclusie is gekomen dat Procter & Gamble niet erin is geslaagd haar superioriteitsclaim voldoende waar te maken. 3.3.2 Anders dan onderdeel 1 aanvoert, heeft het hof aldus geen onjuist criterium gebezigd, nu het hof met ‘voldoende waar maken’ kennelijk heeft bedoeld ‘aannemelijk maken’ en terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het in dit kort geding, gelet op het bepaalde in art. 6:195 BW, op de weg van Procter & Gamble lag om haar superioriteitsclaim aannemelijk te maken. Bij dit oordeel mocht het hof ook van Kimberly-Clark afkomstig bewijsmateriaal betrekken en was het niet, zoals onderdeel 2 betoogt, gehouden om het criterium aan te leggen of er enige kans of een redelijke kans is dan wel waarschijnlijk is dat Procter & Gamble in een bodemprocedure zal slagen in het bewijs van de juistheid van de gewraakte mededelingen. Evenmin was het hof in het kader van dit kort geding verplicht om de juistheid van de superioriteitsclaim volledig althans grondig te onderzoeken en daartoe eventueel een deskundigenbericht te gelasten […’]”
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 10 december 2008 en 12 januari 2010, JOR 2009/ 38 en 2010/61 m.nt. De Bres (AHAM); 24 april 2003 en 15 maart 2005, JOR 2003/166 en 2005/88 (EMBA); 18 oktober 2013, ARO 20123/160 en 13 mei 2015, ARO 2015/146 (Meromi en Jeemer); 17 maart 2014, ARO 2014/61 en 8 december 2015, ARO 2016/14 (Fuhler); en 4 april 2014, JOR 2014/93 m.nt. Olden en 12 april 2016, JOR 2016/234 m.nt. Olden (Phoenicia Hotel).
Zie par. 9.2.3.
De bevoegdheid van de ondernemingskamer om onmiddellijke voorzieningen te treffen is geïnspireerd op de bevoegdheid van de kort-gedingrechter.1 Ook de kort-gedingrechter dient een belangenafweging te maken alvorens een onmiddellijke voorziening in de zin van art. 254 Rv kan worden opgelegd. Bij deze belangenafweging speelt een rol dat de kort-gedingrechter zich dient te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure.2 Meer specifiek bestaat er een wisselwerking tussen de waarschijnlijke uitkomst van de procedure en de belangenafweging. Hoe groter de kans is dat het gevorderde in kort geding uiteindelijk in een bodemprocedure zal worden toe-/ afgewezen, des te zwaarder een belang zal moeten wegen om toch tot de af-/ toewijzing van deze vordering te komen.3
Het gewicht van deze belangenafweging is echter zodanig dat er in bijzondere gevallen reden kan zijn voor het treffen van een onmiddellijke voorziening, ondanks het feit dat het onwaarschijnlijk is dat deze een vervolg kan krijgen in een bodemvonnis. Een voorbeeld daarvan is de situatie dat stappen met onomkeerbare gevolgen dreigen te worden gezet, terwijl een partij er een zwaarwegend belang bij heeft dat dit niet gebeurt. In zo’n geval kan er (toch) voor worden gekozen om deze stappen vooralsnog te verbieden, ook als waarschijnlijk is dat de beslissing in de bodemprocedure erop neer zal komen dat deze stappen mogen worden gezet.4
Meer concreet kan worden gedacht aan de situatie dat een rechtspersoon op het punt staat een fusie aan te gaan met een andere rechtspersoon en dat een partij een zwaarwegend belang heeft bij het niet doorgaan van deze fusie. Omdat een fusie zich in de regel lastig ongedaan laat maken, stuurt deze partij aan op dusdanige onmiddellijke voorzieningen in de zin van art. 254 Rv dat de fusie vooralsnog geen doorgang kan vinden. Ook in de situatie dat het onwaarschijnlijk is dat deze fusie als wanbeleid zal worden bestempeld, is niet uitgesloten dat de voorzieningenrechter een dergelijke onmiddellijke voorziening treft. De belangenafweging kan echter ook zo uitpakken, dat de fusie wel mag doorgaan.
Speelt dit ook in de enquêteprocedure? Vertaald naar de enquêteprocedure komt dat erop neer dat de ondernemingskamer zich bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen in het algemeen dient te richten op de waarschijnlijke uitkomst van de derde fase.
Buiten twijfel staat dat geen onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen, indien er geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen. Heeft de ondernemingskamer nog niet kunnen beslissen of dit het geval is, dan zal zij zich dienaangaande een voorlopig oordeel moeten vormen.5 In die zin dient de ondernemingskamer zich te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de eerste fase.
De ratio van deze regel is tweeledig blijkens de DSM-beschikking.6 Ten eerste kan de ondernemingskamer slechts (onmiddellijke) voorzieningen treffen in een enquêteprocedure. Daarom moet worden beoordeeld of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, want anders komt het niet tot een enquêteprocedure. Ten tweede dient voor ogen te worden gehouden dat voor het treffen van eindvoorzieningen slechts plaats is indien dit gerechtvaardigd is met het oog op de sanering en het herstel van gezonde verhoudingen binnen de onderneming van de rechtspersoon en dat zulks afhankelijk is van de uitkomsten van het onderzoek. Anders gezegd, dient voor ogen te worden gehouden dat er wel iets te saneren en te herstellen moet zijn, willen eindvoorzieningen gerechtvaardigd zijn. Dat impliceert dat bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen nagedacht moet worden over de vraag of in de derde fase wanbeleid zal kunnen worden vastgelegd.
Ook nadat is vastgesteld dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, dient de ondernemingskamer zich te richten op de waarschijnlijke uitkomst van de derde fase.7 In de DSM-beschikking oordeelde de Hoge Raad immers dat “ook” in het stadium van het geding waarin nog niet is beoordeeld of er gegronde redenen zijn, vooruit gekeken moet worden naar de vraag of er uiteindelijk eindvoorzieningen getroffen zullen kunnen worden. Daarbij dient tevens voor ogen te worden gehouden dat het onderzoeksrapport de feiten en omstandigheden, die gegronde reden waren om aan een juist beleid te twijfelen, in een ander daglicht kan plaatsen. Het kan voorkomen dat bij nader inzien er toch geen sprake is van onjuist beleid.8 Een oorzaak daarvan is dat het voorkomt dat het verweer in de eerste fase niet goed uit de verf komt. Bijvoorbeeld, omdat er gezien de spoedeisendheid van het verzoek weinig voorbereidingstijd is, of omdat de verwerende partijen zich onvoldoende realiseren dat van hen geacht wordt dat zij het beleid en de gang van zaken uitleggen.
Het vooruitkijken naar de waarschijnlijke uitkomst van de derde fase is niet beperkt tot de vraag of er überhaupt eindvoorzieningen zullen worden getroffen. Ook van belang is wat zal worden beoogd met deze eindvoorzieningen en of het proportioneel is om deze te treffen, ook de schuldvraag zal daarbij een rol kunnen spelen.9 Indien daar nog geen zicht op is, is dat een reden om terughoudender te zijn met het treffen van onmiddellijke voorzieningen met ernstige nadelen voor één of meer partijen.