Mededinging en verzekering
Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/9.3.2:9.3.2 Deel II (hoofdstukken 5 tot en met 8)
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/9.3.2
9.3.2 Deel II (hoofdstukken 5 tot en met 8)
Documentgegevens:
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183440:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie de appendix bij dit boek, bijlage II, het volledige overzicht van de antwoorden op de vragenlijst (vr. 2 van onderdeel C).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deelvraag 4a: In hoeverre bestaat er spanning met het mededingingsrecht bij het sluiten van een verzekeringsovereenkomst in coassurantie of in pools?
Deze deelvraag is beantwoord in de hoofdstukken 5 en 6. In hoofdstuk 5 van dit boek is het spanningsveld verkend tussen het mededingingsrecht en de totstandkoming van een verzekeringsovereenkomst bij coassurantie. Centraal stond daarmee het plaatsings- en sluitingsproces van een verzekeringsovereenkomst en de mededingingsaspecten die daarbij een rol spelen. In het hoofdstuk is eerst een beschrijving gegeven hoe een verzekering in coassurantie tot stand komt. Twee typen procedures zijn besproken. In de eerste plaats is de (meest voorkomende) procedure onderzocht waarbij een makelaar door middel van onderhandelen met verzekeraars komt tot het sluiten van de verzekeringsovereenkomst en in de tweede plaats de aanbestedingsprocedure voor verzekeringen.
Uit de literatuur bleek dat bij de onderhandelingsprocedure een makelaar eerst zal onderhandelen met een leidende verzekeraar en nadat hij daarmee de belangrijkste contractuele voorwaarden heeft besproken, pas de volgverzekeraars benadert. Evenwel blijkt uit de praktijkbevindingen dat de volgverzekeraars soms al eerder in het totstandkomingsproces worden betrokken en dat een makelaar vaak pas overgaat tot het opstellen van een eindofferte als hij voldoende zekerheid heeft dat ook de volgverzekeraars mee zullen tekenen. Uit de literatuur blijkt dat dit ook in Duitsland zo is.
Kort samengevat komt de onderhandelingsprocedure erop neer dat een makelaar een aantal verzekeraars voorziet van informatie over het te verzekeren risico en hun vraagt om een bod uit te brengen. Over het bod (dat in ieder geval zal bestaan uit het gewenste aandeel en een bijbehorende premie) dat verzekeraars uitbrengen zal een makelaar gaan onderhandelen. In eerste instantie zal een makelaar onderhandelen met een leidende verzekeraar met wie hij de basis legt voor de verzekeringsovereenkomst. Met die verzekeraar worden de belangrijkste voorwaarden besproken en/of uit-onderhandeld. Indien er nog capaciteit tekort komt (dat is bijvoorbeeld het geval als een verzekeraar niet voor 100% dekking wil bieden), wordt de offerte van de leidende verzekeraar voorgelegd aan een aantal volgverzekeraars (dat kunnen ook afgevallen leiders zijn) die, zo leert het praktijkonderzoek, doorgaans wordt gevraagd tegen dezelfde voorwaarden als de leider mee te tekenen. Wanneer het niet lukt om een polis tegen een met de verzekeraars uit-onderhandelde prijs rond te krijgen, dan kan volgverzekeraars worden gevraagd om tegen een zelfstandig te bieden premie mee te tekenen (ook wel aangeduid als ‘Bipar-polis’). Ook wanneer iedere verzekeraar conform de Bipar procedure een eigen offerte/prijsstelling indient, kan een makelaar besluiten de premie te harmoniseren op een bepaald niveau (dit kan voor de klant de gunstigste, de gemiddelde of - bij gebrek aan capaciteit - de hoogste prijs zijn). De Bipar-regels houden een vorm van zelfregulering in die erop neerkomt dat een makelaar een klant goed moet informeren over de mogelijkheden om een risico in coassurantie onder te brengen (afzonderlijke onderhandelingen of sluiten op basis van een gemeenschappelijke premie) en de voor- en nadelen van de verschillende plaatsingsstrategieen.
Uit het praktijkonderzoek komt naar voren dat 64% van de respondenten (verzekeraars, makelaars en volmacht bedrijven) aangeeft dat een makelaar niet meer onderhandelt over de premie met de volgverzekeraars. Hij benadert dan dus eerst een leidende verzekeraar, of onderhandelt met een groep leidende verzekeraars, en zal als hij nog capaciteit tekort komt volgende verzekeraars vragen om op basis van de offerte/het bod van de leidende verzekeraars mee te tekenen in coassurantie. Deze bevinding is in lijn met eerdere onderzoeken van de Europese Commissie naar coassurantie, pools en mededinging in de Europese Unie. Een groep van 24% (58) van de respondenten geeft aan dat de situatie in de praktijk anders is dan het wel of niet afzonderlijk onderhandelen met de volgverzekeraars over de premie en de voorwaarden. De antwoorden die deze groep respondenten heeft gegeven komen erop neer dat in de praktijk een mix of combinatie gebruikelijk is. Daarbij wordt eerst geprobeerd een risico tegen de premie en voorwaarden van de leidende verzekeraar vol getekend te krijgen en (pas) als dat niet lukt, wordt uitgeweken naar het sluiten op basis van afzonderlijke premies op Bipar-grondslag. Daarbij komt het vaak voor dat minder capaciteit in de markt beschikbaar is, waardoor volgverzekeraars meetekenen tegen een hogere premie.
Wezenlijk in het licht van het mededingingsrecht is de premiestelling in de sluitingsfase. Uit de literatuur bleek dat de makelaar volgverzekeraars vaak vraagt mee te tekenen op basis van de voorwaarden (waaronder de premie) die hij met de leidende verzekeraar heeft uit-onderhandeld. Dat impliceert dat met de volgverzekeraars, tenzij onder hen afgevallen leidende verzekeraars zich bevinden, niet meer afzonderlijk wordt onderhandeld. Premies worden gealigneerd/geharmoniseerd. Zoals hierboven is weergegeven, bevestigen de resultaten van het praktijkonderzoek dit beeld: in het merendeel van de gevallen wordt de premie van de leider overgenomen door volgers en vindt met hen geen afzonderlijke onderhandeling plaats.
Deze bevinding laat zien dat concurrentie voor de positie van leider bij coassurantie van groot belang is. Daarbij is relevant dat leidende verzekeraars die niet in aanmerking komen voor de positie van leider, nog steeds kunnen opteren voor de positie van volger (zij het dat zij dan akkoord moeten gaan met het betere bod van de leider). In de praktijk komt het ook voor dat onder de volgende verzekeraars zich verzekeraars bevinden die in eerste instantie mee hebben gedaan voor de positie van leidende verzekeraar. Vanuit mededingingsrechtelijk perspectief is deze praktijk om meerdere redenen interessant. In de eerste plaats zou het (in theorie) een prikkel kunnen geven voor de verzekeraars in het biedproces om een (kunstmatig) hoog bod uit te brengen of hun biedingen op elkaar af te stemmen. Ook als een verzekeraar niet de positie van leider krijgt, kan hij immers nog – bij premieharmonisatie: tegen dezelfde premie als de uiteindelijke winnaar – inschrijven op de polis. In de tweede plaats roept de praktijk van premieharmonisatie tussen de verzekeraars bij een coassurantiecontract de vraag op of sprake is van onderling afgestemd marktgedrag in de zin van het kartelverbod dat de mededinging beperkt. Ervan uitgaand dat verzekeraars onafhankelijk hun bod uitbrengen, resulteert premieharmonisatie immers in eenzelfde premie tussen verzekeraars die ten opzichte van elkaar in een concurrentieverhouding staan. Hoewel verschillende factoren ervoor pleiten dat premieharmonisatie voordelen voor de mededinging met zich brengt (snelle acceptatie, lager kosten, delen van kennis), kom ik tot de conclusie dat niet kan worden uitgesloten dat premieharmonisatie valt onder het kartelverbod. Het beroep op de vier vrijstellingsvoorwaarden van artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag kan stranden wanneer premieharmonisatie onmisbaar blijkt te zijn. Hoewel verdedigd zou kunnen worden dat premieharmonisatie gepaard gaat met efficiëntieverbeteringen, is ook niet aanstonds duidelijk dat deze voordelen de verzekeringnemer ten goede komen. Onduidelijk blijft waarom de mogelijkheid van afzonderlijke premiestelling door volgverzekeraars (sluiting op basis van een ‘Bipar-polis) door een makelaar niet steeds wordt benut. Anderzijds kan een klant ermee akkoord gaan dat premies worden geharmoniseerd. Ook al is dat het geval, dan kan nog steeds een beperking van de mededinging worden aangenomen. Mededingingsrechtelijk is immers niet relevant dat een klant instemt met een kartelgedraging. Anderzijds is geconstateerd dat in de coassurantiecontext sprake is van compenserende afnemersmacht – verzekeringnemers die hun risico’s (laten) onderbrengen op de coassurantiemarkt zijn grote professionele ondernemingen, die ook kunnen worden betrokken in het onderhandelingsproces.
Bij de andere totstandkomingsprocedure die in hoofdstuk 5 is besproken, de aanbestedingsprocedure, speelt dezelfde problematiek. De aanbestedingsprocedure wordt voornamelijk gevolgd bij het verzekeren van risico’s via overheidsopdrachten. Geconcludeerd werd dat in de praktijk de procedure in één ronde (de openbare procedure) het meest voorkomt. In deze procedure kunnen de inschrijvers vaak opteren voor de positie van leider of volgverzekeraar en voor die positie een bod uitbrengen. Ook voor deze procedure geldt dat de groep van inschrijvende verzekeraars klein kan zijn en dat in de meeste gevallen dezelfde verzekeraars inschrijven. Een tweede aspect van de totstandkomingsfase waarbij spanning kan ontstaan met het mededingingsrecht is mogelijke interactie tussen de inschrijvers op een coassurantiecontract. Zoals ik aan de orde stelde in par. 5.2 kenmerken de onderhandelingsprocedure en de aanbestedingsprocedure zich door een biedproces. Er bestaan vanuit mededingingsrechtelijk perspectief risico’s op afgestemd marktgedrag ingeval een inschrijvingsprocedure bestaat uit een kleine groep van (terugkerende) inschrijvers. In dit hoofdstuk heb ik enkele verboden vormen van samenwerking besproken te weten ‘bid rigging’ en ‘cover pricing’. Uit voorbeelden uit het buitenland blijkt dat ‘bid rigging’ niet ondenkbeeldig is in de zakelijke verzekeringsmarkt. In dat kader zijn in hoofdstuk 5 enkele aandachtpunten geformuleerd teneinde te voorkomen dat dergelijke concurrentiebeperkende gedragingen zich bij het biedproces voor zullen doen.
In hoofdstuk 5 is ook gepresenteerd hoe de praktijk een aanbestedingsprocedure bij coassurantie ervaart. Daaruit bleek dat de meerderheid van de respondenten vindt dat een aanbestedingsprocedure het totstandkomingsproces bemoeilijkt en vertraagt, en dat deze procedure niet geschikt zou zijn om een risico in coassurantie te verzekeren.
Kernbevindingen hoofdstuk 5:
De praktijkbevindingen geven weer dat de volgverzekeraars soms al eerder in het totstandkomingsproces worden betrokken en dat een makelaar vaak pas overgaat tot het opstellen van een eindofferte als hij voldoende zekerheid heeft dat ook de volgverzekeraars mee zullen tekenen;
Ook wanneer iedere verzekeraar conform de Bipar procedure een eigen offerte/prijsstelling indient, kan een makelaar besluiten de premie te harmoniseren op een bepaald niveau (dit kan voor de klant de gunstigste, de gemiddelde of - bij gebrek aan capaciteit - de hoogste prijs zijn);
Uit het praktijkonderzoek komt naar voren dat 64% ( 156) van de respondenten (verzekeraars, makelaars en volmacht bedrijven) aangeven dat een makelaar niet meer onderhandelt over de premie met de volgende verzekeraars. Deze bevinding is in lijn met eerdere onderzoeken van de Europese Commissie naar coassurantie, pools en mededinging in de Europese Unie;
Een groep van 24% (58) respondenten geven in het praktijkonderzoek aan dat een makelaar vaak eerst probeert om een risico tegen de premie en voorwaarden van de leidende verzekeraar vol getekend te krijgen en als dat niet lukt, wordt uitgeweken naar het sluiten op basis van afzonderlijke premies (Bipar-polis).
Premieharmonisatie in het biedproces dat aan de totstandkoming van een verzekeringsovereenkomst bij coassurantie ten grondslag ligt, kan (in theorie) leiden tot ongewenste prikkels, strategisch marktgedrag en/of collusie tussen verzekeraars;
Premieharmonisatie lijkt niet te voldoen aan de voorwaarden van het kartelverbod;
Gebruik van de aanbestedingsprocedure voor het verzekeren van risico’s in coassurantie wordt door de verzekeringspraktijk niet als positief ervaren.
In hoofdstuk 6 onderzocht ik in hoeverre de verzekering in pools spanning oplevert met het mededingingsrecht. Als gezegd bij de samenvatting van hoofdstuk 4 is een pool een samenwerkingsverband van verzekeraars om op basis van vooraf besproken voorwaarden risico’s te (her)verzekeren. Een beschouwing van de pools op de Nederlandse coassurantiemarkt leert dat twee soorten pools voorkomen. Bepalend voor het onderscheid is de vraag wie de pool opricht. In de eerste plaats zijn er de pools die zijn gevormd door verzekeraars en waarin grote complexe risico’s worden ondergebracht die de verzekeraars individueel niet kunnen of willen dragen. Dit zijn bijvoorbeeld de pools voor catastrofale risico’s zoals de Nederlandse Atoompool. In de tweede plaats zijn er de pools die zijn gevormd door het intermediair (de tussenpersoon), in de regel is dat de makelaar. Deze intermediaire pools, waarvoor bij wijze van zelfregulering het Protocol voor intermediaire pools van het Verbond is vastgesteld, zijn in de kern een vast panel van verzekeraars waarbij de gevolmachtigde risico’s accepteert tot bepaalde limieten. Indien deze limieten worden overschreden, wordt de acceptatie voorgelegd aan de leidende verzekeraar (aangeduid als ‘de poolleader’). Dit onderscheid tussen verzekeraars- en intermediaire pools is van belang voor de toetsing van de samenwerking aan het mededingingsrecht omdat verzekeraarspools in beginsel worden gebruikt om risico’s te verzekeren die anders onverzekerd zouden zijn.
Uit het praktijkonderzoek, waarvan de resultaten voor een deel in hoofdstuk 5 zijn gepresenteerd, blijkt dat de gronden voor het bestaan van intermediaire pools vooral gelegen zijn in het efficiënt plaatsen van risico’s doordat er niet meer afzonderlijk onderhandeld hoeft te worden over de voorwaarden en de premie, de verlaging van de administratieve lasten en de veronderstelling dat het verzekeren in een pool goedkoper is dan coassurantie of volledige tekening door één verzekeraar. De vraag hoe de premie wordt bepaald bij de verzekering in een intermediaire pool is in het praktijkonderzoek niet eenduidig beantwoord. Uit de gegeven antwoorden blijkt dat lang niet altijd van tevoren vaststaat tegen welke premie de pooldeelnemers risico’s verzekeren. Er kunnen nog onderhandelingen plaatsvinden over de premie of de premie wordt bepaald in samenspraak tussen de leidende verzekeraar en de makelaar. Dit hangt ervan af hoe een intermediaire pool is georganiseerd. Zo wordt bij sommige intermediaire pools overleg vereist met de poolleider voordat een offerte naar de klant gaat. Andere intermediaire pools kennen dat overleg bij het sluiten van een verzekering niet. Ook blijkt uit het praktijkonderzoek dat er daadwerkelijk alternatieven zijn voor het verzekeren van risico’s in intermediaire pools, zoals het verzekeren door middel van gewone coassurantie, het verzekeren door één verzekeraar al dan niet in combinatie met herverzekering.1
Ten aanzien van de beoordeling van pools onder het kartelverbod is in hoofdstuk 6 geconcludeerd dat een pool gezien kan worden als een vorm van samenwerking die wordt genoemd in het kartelverbod: een overeenkomst tussen ondernemingen, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging. Vervolgens is aandacht besteed aan de vraag of en wanneer een pool de mededinging beperkt. Daarbij verdiende met name de situatie bespreking dat in een pool wordt gebruikgemaakt van gestandaardiseerde premies. Hoewel uit de al wat oudere beschikkingen van de Europese Commissie Teko en Assurpol volgt dat een pool als doel en gevolg heeft de mededinging te beperken, dient dat beeld te worden genuanceerd op basis van de later door de Europese Commissie vastgestelde Verordening (EU) nr. 267/2010 waaruit valt af te leiden dat een pool een beperking van de mededinging tot gevolg kan hebben in de vorm van gestandaardiseerde dekkingsbedragen en premies. Daarmee is de kernvraag voor de beoordeling van pools onder het kartelverbod of een pool tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt, ook al kan niet worden uitgesloten dat er in poolovereenkomsten strekkingsbeperkingen kunnen zijn opgenomen. Om die vraag te kunnen beantwoorden dient vanuit mededingingsrechtelijk perspectief een vergelijking te worden gemaakt met de mededinging in de situatie waarin een pool niet zou hebben bestaan (de zogeheten ‘counterfactual’). In hoofdstuk 6 is dit verder onderzocht. In de eerste plaats is de situatie uitgewerkt dat het risico zonder pool onverzekerbaar zou zijn. In dat geval kan van een beperking van de mededinging geen sprake zijn omdat juist een nieuwe markt wordt gecreëerd. In de tweede plaats is de situatie besproken dat zonder de pool het risico wel verzekerd had kunnen worden. In deze situatie, waarvan bijvoorbeeld sprake is bij intermediaire pools, is het relevant om te beoordelen of zo’n pool een merkbaar ongunstige uitwerking heeft of kan hebben op ten minste één van de concurrentieparameters op de markt, zoals prijs, producthoeveelheden, productkwaliteit, productdiversiteit of innovatie. Om dat te beoordelen komt gewicht toe aan de aard/inhoud van de overeenkomst, de marktpositie van de partijen, concurrenten en afnemers, het bestaan van potentiële concurrenten en toetredingsdrempels. Daarbij is ook van belang door wie en hoe een pool wordt opgericht en welke afstemming er plaatsvindt tussen de poolleden over de commerciële voorwaarden waartegen de risico’s in een pool worden ondergebracht.
In hoofdstuk 6 is eveneens de ruimte verkend die artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag of artikel 6 lid 3 van de Mededingingswet voor samenwerking in pools zou kunnen bieden. Een kader voor de interpretatie van de vier vrijstellingsvoorwaarden van het kartelverbod biedt de voorheen geldende groepsvrijstellingsverordening, alsmede de beschikkingen van de Europese Commissie en nationale mededingingsautoriteiten. Daaruit valt af te leiden dat een pool de deelnemende ondernemingen in staat kan stellen om de nodige ervaring op te doen met de betrokken verzekeringsbranche, tot kostenbesparingen kan leiden of tot een verlaging van de premie door gemeenschappelijke herverzekering onder gunstige voorwaarden. Bovendien kan een pool, zo volgt uit de beschikking Assurpol, de bekendheid met de verzekering van bepaalde risico’s verbeteren, financiële capaciteit creëren en technische knowhow vergroten. Ook kan gedacht worden aan de toegang tot de markt voor ondernemingen die daar wegens hun beperkte capaciteit en ervaring alleen slechts moeilijk toegang toe zouden hebben verkregen. Andere voordelen zijn het creëren van een bredere basis voor de opstelling van statistieken, betere identificatie van de risico’s en een versnelde schadeafwikkeling. Voor een beroep van verzekeraars op de vrijstellingsregeling is noodzakelijk dat dergelijke voordelen via een lagere premie aan de verzekeringnemers worden doorgegeven. Wanneer tussen in een pool deelnemende verzekeraars afspraken worden gemaakt die betrekking hebben op een onredelijke toe- en uittreding, de marktverdeling, de productie of de berekening van commerciële premies, staat dat een beroep op de vrijstelling van het kartelverbod in de weg. Dat geldt ook voor de situatie waarin de regels van de pool de daarin deelnemende ondernemingen verplichten het door de pool gedekte soort risico’s geheel of gedeeltelijk via de pool te verzekeren of te herverzekeren, en de in de pool deelnemende ondernemingen wordt verboden om deze risico’s buiten de pool te verzekeren of te herverzekeren. Ten aanzien van de vraag of een pool leidt tot een uitschakeling van de mededinging is het nodig de relevante markt af te bakenen en de marktmacht van een pool op deze markt vast te stellen. De door de Europese Commissie gegeven marktaandeeldrempels van 20% voor verzekeraarspools en 25% voor herverzekeraarspools kunnen worden gebruikt als aanknopingspunten binnen welke marge pools worden verondersteld geen marktmacht te bezitten. Tot slot is in hoofdstuk 6 besproken of en wanneer een pool valt onder het verbod op misbruik van een machtspositie. Dit zal alleen gelden voor pools die over een aanmerkelijke machtspositie beschikken en daar misbruik van maken. Misbruik kan aan de orde zijn bij uitsluiting van marktdeelnemers of uitbuiting van de marktmacht. Daartoe behoort het opleggen van onredelijke productvoorwaarden of het uitsluiten van een bepaald gedeelte van de markt. Verder is een lijn getrokken naar de beoordeling van coöperatieve joint ventures in het concentratietoezicht.
Kernbevindingen hoofdstuk 6:
Het onderscheid tussen verzekeraars- en intermediaire pools is van belang voor de toetsing van de samenwerking aan het mededingingsrecht omdat verzekeraarspools vaak worden gebruikt om risico’s te (her)verzekeren die anders onverzekerd zouden zijn;
Intermediaire pools verzekeren risico’s die ook zonder pool verzekerd hadden kunnen worden, mededingingsrechtelijk is de vraag of de verzekeraars nog wel voldoende met elkaar concurreren buiten de pool om en of er nog wel daadwerkelijk alternatieven zijn voor verzekering van risico’s buiten de pool om;
Voordelen voor de mededinging van het (her)verzekeren van risico’s in pools zijn het opdoen van de nodige ervaring met de betrokken verzekeringsbranche, kostenbesparingen en/of een verlaging van de premie door gemeenschappelijke herverzekering onder gunstige voorwaarden;
Pools die een marktaandeel hebben dat minder is dan 20% zullen over het algemeen minder snel aanleiding geven tot mededingingsbezwaren;
Marktafbakening is specifiek voor de toetsing van pools aan het kartelverbod en het verbod op misbruik van een machtspositie van groot belang.
Deelvraag 4b: In hoeverre bestaat er spanning met het mededingingsrecht bij het gebruik van standaardvoorwaarden bij coassurantie of in pools?
In hoofdstuk 7 van dit boek is onderzocht in hoeverre de inhoud van een verzekeringsovereenkomst bij coassurantie spanning oplevert met het mededingingsrecht. Wat in het licht van het mededingingsrecht ten aanzien van de inhoud van een verzekeringspolis wezenlijk is, is de vaststelling en verspreiding van standaardpolisvoorwaarden door een ondernemers/branchevereniging. Standaardvoorwaarden worden zowel bij de verzekering in coassurantie als bij de verzekering in pools gebruikt en zijn daarom in dit hoofdstuk gezamenlijk behandeld. In hoofdstuk 7 is allereerst verduidelijkt welke verschillen er bestaan in de standaardpolisvoorwaarden die op de coassurantiemarkt worden gebruikt. Standaardpolisvoorwaarden kunnen worden aangeduid als standaardbeurspolissen die uiteenvallen in standaardmakelaarspolissen, beurscondities en de modelpolissen die worden vastgesteld door de VNAB. Gestandaardiseerde polisvoorwaarden bij coassurantie kunnen op verschillende manieren onder het toepassingsbereik van het kartelverbod vallen. Bijvoorbeeld doordat verzekeraars uniforme productvoorwaarden hanteren en daarmee hun marktgedrag op elkaar afstemmen of doordat polisvoorwaarden worden overgenomen van referentie-beurspolissen. Uit de bespreking in hoofdstuk 7 volgt dat het opstellen van standaardbeurspolissen, ook als deze niet-bindend van aard zijn, mededingingsrechtelijk gezien kan worden als een besluit van een ondernemersvereniging en daarmee onder de reikwijdte van het kartelverbod kan vallen. Het feit dat bij de verzekering in coassurantie wordt gewerkt met standaardbeurspolissen waarvan in individuele gevallen kan worden afgeweken, staat de toepassing van het kartelverbod dus niet in de weg. Evenals in de vorige hoofdstukken van dit boek is de vraag relevant of standaardvoorwaarden de strekking of het gevolg hebben dat de mededinging wordt beperkt. Een mededingingsbeperkende strekking wordt aangenomen als polisvoorwaarden een indicatie bevatten inzake de hoogte van commerciële premies; ii) de omvang van de dekking (verzekerde som) of het door de verzekeringnemer zelf te betalen gedeelte aangeven (eigen risico); of iii) uitgebreide dekking opleggen, ook voor risico's waaraan een aanzienlijk aantal verzekeringnemers niet gelijktijdig is blootgesteld en iv) de verzekeringnemer verplichten verschillende risico's bij dezelfde verzekeraar te dekken. Ten aanzien van de mededingingsbeperkende gevolgen van standaardpolisvoorwaarden is geconstateerd dat zolang de deelname aan het eigenlijke opstellen van de standaardvoorwaarden voor de concurrenten op de relevante markt (via de brancheorganisatie dan wel rechtstreeks) niet beperkt is, en voor zover de opgestelde standaardvoorwaarden niet-bindend en daadwerkelijk voor iedereen toegankelijk zijn, het niet waarschijnlijk is dat de standaardvoorwaarden mededingingsbeperkende gevolgen zullen hebben. Het belang van betrokkenheid bij de opstelling van standaardvoorwaarden laat zien hoe wezenlijk in het licht van het mededingingsrecht de transparantie van het totstandkomingsproces van standaardvoorwaarden is. Geconcludeerd is dat onder omstandigheden sprake kan zijn van een besluit dat onder het kartelverbod valt als de polisvoorwaarden ertoe strekken of als gevolg hebben dat de mededinging wordt beperkt. Hoewel een niet-bindende polisvoorwaarde minder snel leidt tot mededingingsbezwaren, kan deze wel een negatief effect hebben op de mededinging als zij betrekking heeft op de vaststelling of berekening (via een korting) van de premie. Dat zou ook het geval kunnen zijn voor standaardclausules waarin bepaalde soorten risico’s (collectief) worden uitgesloten van dekking. Ingeval standaardvoorwaarden wél bindend worden voorgeschreven, staat nog niet vast dat sprake is van een kartel maar moet voor de beoordeling onder het kartelverbod de invloed op de productkwaliteit, productdiversiteit en innovatie worden nagegaan. In hoofdstuk 7 is eveneens de ruimte verkend voor standaardpolisvoorwaarden die onder het toepassingsbereik vallen van artikel 101 lid 1 van het Werkingsverdrag of van artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet, maar in aanmerking kunnen komen voor een vrijstelling van het kartelverbod op grond van het derde lid van genoemde wetsartikelen. Getoetst is of een beroep op de vier (cumulatieve) vrijstellingscriteria kans van slagen heeft. Kortweg gaat het dan om de vraag of de mededingingsvoordelen de mededingingsbezwaren in voldoende mate compenseren. Het gebruik van standaardbeurspolissen kan in de eerste plaats gepaard gaan met verschillende voordelen voor de mededinging. Gedacht kan worden aan efficiëntieverbeteringen zoals lagere transactiekosten, betere vergelijkbaarheid, snellere acceptatie van polissen en gemakkelijkere toetreding tot de markt (lagere toetredingsdrempels). Voor een beroep op de vrijstelling van het kartelverbod is tevens van belang dat kan worden aangetoond dat de voordelen worden doorgegeven aan de klant, dat de beperking onmisbaar is en dat voldoende concurrentie resteert.
Kernbevindingen hoofdstuk 7:
De modelpolisvoorwaarden die in de zakelijke verzekeringsmarkt worden gebruikt zijn niet-bindend, en het staat verzekeraars vrij om hiervan af te wijken;
Het gebruik van standaardvoorwaarden bij coassurantie, hetzij in de vorm van standaard beursvoorwaarden of standaard makelaarsvoorwaarden lijkt de onderlinge concurrentie niet te beperken maar de werking van coassurantie ten goede te komen;
Het gebruik van standaardpolisvoorwaarden gaat gepaard met efficiëntieverbeteringen zoals lagere transactiekosten, betere vergelijkbaarheid, snellere acceptatie van polissen en gemakkelijkere toetreding tot de markt (lagere toetredingsdrempels);
Hoewel een niet-bindende polisvoorwaarde minder snel leidt tot mededingingsbezwaren, kan deze wel een negatief effect hebben op de mededinging als zij betrekking heeft op de vaststelling of berekening (via een korting) van de premie.
Deelvraag 4c: In hoeverre bestaat er spanning met het mededingingsrecht bij de schaderegeling bij coassurantie of in pools?
In hoofdstuk 8 stond de fase van de regeling van schades bij coassurantie of in een pool centraal. Een aantal onderwerpen passeerde de revue. Er is stilgestaan bij de werking van volgclausules bij coassurantie, de beoordeling van de verhoudingen bij schade-expertise vanuit mededingingsperspectief en verticale samenwerking in de distributieketen. Volgclausules zijn bijvoorbeeld polisclausules waarin staat dat indien meerdere verzekeraars op een verzekering zijn betrokken, de beslissingen betreffende de schaderegelingen of restituties, zoals door de leidende verzekeraars worden genomen, door de andere verzekeraars worden gevolgd, terwijl deze zich ook in alle andere opzichten bij de leidende verzekeraars zullen aansluiten. Ten aanzien van het gebruik van volgclausules is geconcludeerd dat, hoewel zij als gevolg hebben dat verzekeraars op eenzelfde wijze uitvoering geven aan de verzekeringsovereenkomst, niet aannemelijk is dat zij leiden tot een beperking van de mededinging. Hoewel een volgbepaling leidt tot eenzelfde houding van verzekeraars tegenover de verzekeringnemers en daarmee eenzelfde gedragslijn vertoont op de markt is het volgen van de leidende verzekeraar bij de schadeafwikkeling vanuit praktisch oogpunt in het belang van de verzekeringnemer/verzekerde. Bovendien is het zo dat zelfs al zou van een mededingingsbeperking sprake zijn, dan beargumenteerd kan worden dat de voordelen voor de mededinging zwaarder wegen dan de nadelen. Verder is kort stilgestaan bij de situatie dat twee leidende verzekeraars zijn betrokken op de schaderegeling en welke risico’s dat mededingingsrechtelijk kan opleveren. De situatie waarin twee concurrenten bevoegd zijn om gezamenlijk beslissingen te nemen ten aanzien van de schadeafwikkeling levert op zichzelf geen overtreding van het mededingingsrecht op maar kan wel risico’s opleveren, zo illustreert ook de beschikking van de Europese Commissie inzake Lloyd’s Underwriters’Association en Institute of London Underwriters. Het feit dat twee leidende verzekeraars, die elkaars nabije concurrenten zijn, gezamenlijk bevoegd zijn om schades te regelen, zou een prikkel kunnen geven tot overleg over en afstemming van niet alleen de schaderegeling, maar ook ander marktgedrag. Dit hangt vanzelfsprekend af van de concrete omstandigheden van het geval. In hoofdstuk 8 is eveneens de rol van de schade-expert bij het schaderegelingstraject behandeld. Hoewel een schade-expert in beginsel op een andere markt actief is dan een verzekeraar (tenzij een verzekeraar ook schade-expertiseactiviteiten verricht), zouden verzekeraars wel een belangrijke invloed kunnen hebben op de concurrentie op de markt voor schade-expertisediensten vanwege de nauwe band tussen beide markten. De uitvoering van schade-expertisediensten hangt immers af van de verzekeringsovereenkomsten en de bepalingen die daarin zijn opgenomen. In dat licht kan spanning bestaan met het mededingingsrecht ten aanzien van afspraken die kunnen worden gemaakt tussen verzekeraars en schade-experts en die betrekking hebben op de commerciële voorwaarden (vergoeding van de werkzaamheden) of zien op de keuze welke expert (voor wie) mag optreden. In hoofdstuk 8 is ten slotte aan de hand van het Allianz-arrest besproken hoe verticale samenwerking in het schaderegelingstraject beoordeeld moet worden. In het Allianz-arrest ging het kort samengevat om de vraag of de overeenkomsten die Allianz met de betrokken autodealers sloot, en waarin was bepaald dat de dealers voor de reparatie van autoschade een hoger tarief kregen wanneer de autoverzekeringen van Allianz een bepaald percentage van de door hen verkochte verzekeringen uitmaakte, de strekking hadden om de mededinging te beperken. Uit de bespreking van dit arrest is een aantal aanknopingspunten afgeleid voor de beoordeling van verticale vormen van samenwerking in het schaderegelingstraject bij coassurantie en daarbuiten. Genoemd zijn de koppeling van twee in beginsel losstaande activiteiten, de invloed van een afspraak op de mededinging op twee markten, het doel van een (verticale) samenwerkingsovereenkomst, de onafhankelijkheid van een assurantietussenpersoon (met name relevant indien wordt samengewerkt met een assurantietussenpersoon of soortgelijke figuur) alsmede de vraag hoeveel concurrentie resteert waarbij de structuur van de markt, de beschikbaarheid van alternatieve distributiekanalen en hun relatieve belang, en de marktmacht van de betrokken verzekeringsmaatschappijen in aanmerking moet worden genomen.
Kernbevindingen hoofdstuk 8:
Kenmerkend voor de schaderegeling bij coassurantie is het gebruik van volgclausules (‘to-follow’ clausules), waarbij volgende verzekeraars zich jegens de verzekeringnemer aansluiten bij de schadebeslissing van de leidende verzekeraar
Vanuit mededingingsrechtelijk perspectief kan het gebruik van een volgclausules als nadeel hebben dat de concurrentie op het gebied van de schade-uitkering wordt verminderd, maar in het boek is de stelling ingenomen dat het aannemelijk lijkt dat de voordelen de nadelen ervan in voldoende mate compenseren.