Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.9:10.4.9 Kinderrechtenconforme besluitvorming inzake voorlopige preventieve maatregelen
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.9
10.4.9 Kinderrechtenconforme besluitvorming inzake voorlopige preventieve maatregelen
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook in het voorgestelde nieuwe model geldt dat rechters het voorgestelde wettelijke kader van voorlopige preventieve maatregelen dienen te interpreteren conform de relevante internationale en Europese kinder- en mensenrechtenstandaarden om een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen te garanderen. In dit nieuwe model is, zoals gezegd, het onderscheid tussen de ‘bevelsbeslissing’ en ‘tenuitvoerleggingsbeslissing’ losgelaten (vgl. par. 10.2.1 en 10.2.2). In plaats daarvan kan het rechterlijke besluitvormingsproces over het al dan niet bevelen van voorlopige preventieve maatregelen ten aanzien van minderjarige verdachten worden opgedeeld in de volgende vijf stappen:
De instaptoets: is er sprake van een verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige preventieve maatregelen wettelijk zijn toegelaten én dat ernstig genoeg is om, mocht blijken dat dit strikt noodzakelijk is voor het afwenden van het gevaar als bedoeld in stap 3 en 4, vrijheidsbeneming van de minderjarige verdachte te overwegen?
De ‘ernstige bezwarentoets’: is het op basis van feiten en omstandigheden voor een objectief waarnemer ‘aannemelijk’ dat de minderjarige verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit?
Zijn er strafvorderlijke gronden (lees: het bestaan van een acuut en ernstig gevaar dat de minderjarige verdachte, lopende het strafproces, vlucht, de waarheidsvinding belemmert, recidiveert en/of dat, vanwege de ernst van het strafbare feit en de publieke reactie, maatschappelijke onrust ontstaat) die het strikt noodzakelijk maken dat wordt afgeweken van het uitgangspunt dat de minderjarige verdachte zijn proces in volledige vrijheid (lees: zonder voorlopige preventieve maatregelen) mag afwachten?
Welke voorlopige preventieve maatregel of combinatie van voorlopige preventieve maatregelen is strikt noodzakelijk en proportioneel met het oog op afwending van het onder stap 3 bedoelde ‘acute en ernstige gevaar’? Hierbij geldt als vertrekpunt dat de minderjarige verdachte in beginsel zijn proces in vrijheid en met zo min mogelijk beperkingen en dwang mag afwachten. Voorlopige hechtenis kan slechts als uiterste maatregel worden bevolen.
Indien onder stap 4 het bevelen van een voorlopige preventieve maatregel die strekt tot een vorm van voorlopige hechtenis wordt overwogen: staat het anticipatiegebod hieraan in de weg?
Voor welke duur wordt het bevel tot een voorlopige preventieve maatregel of combinatie van voorlopige preventieve maatregel afgegeven? Hierbij moeten de wettelijke termijnen in acht worden genomen en geldt als uitgangspunt dat voorlopige preventieve maatregelen niet langer voortduren dan strikt noodzakelijk en proportioneel is met het oog op afwending van het onder stap 3 bedoelde ‘acute en ernstige gevaar’?
Toelichting:
In het besluitvormingsproces over het bevelen van voorlopige preventieve maatregelen dient de rechter als eerste stap te beoordelen of sprake is van een verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige preventieve maatregelen wettelijk zijn toegelaten. Aangezien deze stap moet worden beschouwd als de instaptoets van het kader van voorlopige preventieve maatregelen, moet de rechter daarbij tevens beoordelen of het strafbare feit in het betreffende geval ernstig genoeg is om in de voorfase van het strafproces het bevelen van voorlopige preventieve maatregelen ten aanzien van een minderjarige te overwegen. Gelet op de systematiek van het model, dient de rechter hierbij in gedachte te houden dat het strafbare feit ernstig genoeg moet zijn om, mocht dit strikt noodzakelijk zijn voor het afwenden van een ‘acuut en ernstig gevaar ’ als bedoeld onder stap 3 en 4, de voorlopige preventieve maatregel van voorlopige hechtenis te kunnen overwegen. Hiermee komt deze stap van het bovenstaande besluitvormingsschema in grote lijnen overeen met de eerste stap van de bevelsbeslissing ten aanzien van voorlopige hechtenis, zoals beschreven in paragraaf 10.2.1.
Voorts komt ook de ‘ernstige bezwarentoets’ die in beide besluitvormingsschema’s als tweede stap is opgenomen inhoudelijk overeen. In dit verband geldt dat de voor ernstige bezwaren vereiste verdenkingsgraad niet afhankelijk mag worden gesteld van de intensiteit van de beoogde voorlopige preventieve maatregelen. Met andere woorden: bij ‘lichtere’ voorlopige preventieve maatregelen mag niet worden volstaan met een lagere verdenkingsgraad dan bij voorlopige hechtenis. Het op basis van een verdenking van een strafbaar feit met voorlopige preventieve maatregelen ingrijpen in het leven van een minderjarige, alvorens zijn schuld op basis van een eerlijk proces is vastgesteld, is immers per definitie zodanig precair dat dit hoe dan ook een stevige verdenking vereist.
Bij de derde stap van het besluitvormingsproces dient de rechter, ook al is sprake van ernstige bezwaren voor een ernstig strafbaar feit, te allen tijde als uitgangspunt te nemen dat de minderjarige verdachte in beginsel zijn proces in volledige vrijheid (lees: zonder voorlopige preventieve maatregelen) mag afwachten. De rechter wijkt slechts af van dit uitgangspunt als een zwaarwegende strafvorderlijke grond, bestaande uit een acuut en ernstig gevaar voor vlucht, maatschappelijke onrust, recidive of belemmering van de waarheidsvinding, dit strikt noodzakelijk maakt. De rechter interpreteert deze gronden conform de in de rechtspraak van het EHRM erkende uitzonderingen op het uitgangspunt dat een verdachte zijn proces in vrijheid mag afwachten (vgl. par. 3.2.2.1 – 3.2.2.4).
Pas nadat is voldaan aan deze drie basisvoorwaarden, zal de rechter als vierde stap bepalen welke voorlopige preventieve maatregel of combinatie van voorlopige preventieve maatregelen in het concrete geval strikt noodzakelijk is om de uit de grond(en) van het bevel voortvloeiende strafvorderlijke doelstellingen te verwezenlijken (lees: om het acute en ernstige gevaar af te wenden). Ook hierbij geldt als vertrekpunt van de rechterlijke besluitvorming dat de minderjarige verdachte in beginsel zijn proces in vrijheid en met zo min mogelijk beperkingen en dwang mag afwachten. Voorts zijn de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit leidend. Dit brengt mee dat de rechter geen ingrijpendere voorlopige preventieve maatregel of combinatie van voorlopige preventieve maatregelen beveelt dan strikt noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de strafvorderlijke doelstellingen. Bovendien kunnen voorlopige preventieve maatregelen slechts worden bevolen als het belang van verwezenlijking van deze doelstellingen, met in achtneming van de onschuldpresumptie, zwaarder weegt dan de inbreuk die met de betreffende voorlopige preventieve maatregel of combinatie van voorlopige preventieve maatregelen wordt gemaakt op het belang van de verdachte om zijn proces in volledige vrijheid af te wachten. Voor deze belangenafweging kan de rechter mutatis mutandis gebruik maken van het model voor een kinder- en mensenrechtenconforme belangenafweging, zoals beschreven in paragraaf 10.2.4. In elk geval houdt de rechter bij het bepalen van de noodzakelijke en proportionele (combinatie van) voorlopige preventieve maatregel(en) rekening met de leeftijd, ontwikkeling en omstandigheden van de minderjarige verdachte en zijn daarmee samenhangende belangen en behoeften.
Een voorlopige preventieve maatregel die strekt tot voorlopige hechtenis kan enkel als uiterste maatregel worden bevolen. Hiervoor is vereist dat onverwijlde vrijheidsbeneming van de minderjarige strikt noodzakelijk en proportioneel is met het oog op verwezenlijking van de strafvorderlijke doelstellingen die voortkomen uit de gronden van het bevel. Voorts geldt als aanvullende eis dat geen tot voorlopige hechtenis strekkende voorlopige preventieve maatregel kan worden bevolen wanneer ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hij door het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel. Dit wettelijke gebod voor de rechter-commissaris en raadkamer om te anticiperen op de straftoemeting fungeert als een aanvullende begrenzing van (de duur van) toepassing van voorlopige hechtenis en mag in geen geval worden gebruikt als rechtvaardiging voor het toepassen of laten voortduren van voorlopige hechtenis.
Tot slot moet de rechter als vijfde stap de duur van het bevel tot een voorlopige preventieve maatregel of een combinatie van voorlopige preventieve maatregelen bepalen. Hierbij neemt hij de wettelijke termijnen in acht, evenals het uitgangspunt dat voorlopige preventieve maatregelen niet langer voortduren dan strikt noodzakelijk en proportioneel met het oog op de verwezenlijking van de uit de gronden van het bevel voortvloeiende strafvorderlijke doelstellingen. De rechter zal in elk geval moeten waarborgen dat een bevel tot een voorlopige preventieve maatregel dat een vorm van voorlopige hechtenis met zich brengt zo kort mogelijk voortduurt.