Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/4.4.2
4.4.2 Tekortkoming
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS372311:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Krans 1999, p. 6.
Broekema-Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 7.
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AG4158, NJ 1981, 635m. nt. C.J.H. Brunner (Ermes/ Haviltex). Vgl. ook Tweede Kamer, 1975-1976, kamerstuknummer 7729, ondernummer 6, p. 66 (MvA): āzoals in het gehele verbintenissenrecht, [zal] ook bij de toepassing van de onderhavige afdeling de redelijkheid en billijkheid (ā¦) een rol kunnen spelen. Dat zal reeds direct het geval zijn bij de vraag wat de inhoud is van de verbintenis in de nakoming waarvan wordt tekort geschotenā.
Krans 1999, p. 9-10.
Krans 1999, p. 10.
Krans 1999, p. 12.
Idem.
Voor een tekortkoming in de zin van artikel 6:74 BW is bovendien vereist dat de op de schuldenaar rustende verbintenis opeisbaar was en dat er geen sprake was van bevoegde opschorting door de schuldenaar. Relevant voor het ontstaansmoment van de tekortkoming is bovendien of er sprake is van blijvende onmogelijkheid of verzuim. Broekema-Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 6.
Krans 1999, p. 13.
Broekema-Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 8; Asser/Sieburgh 6-I 2016/192.
Idem.
Broekema-Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 8.
Broekema-Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 8; Asser/Sieburgh 6-I 2016/192.
Schoordijk 1979, p. 209.
Broekema-Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 8.
Mijnssen 1978, p. 19.
Rechtbank Alkmaar 11 februari 2004, ECLI:NL:RBALK:2004:AO3453, r.o. 5.5-5.6.
Vgl. Suijling 1934, p. 306; Houwing 1953, nr. 15; Asser/Rutten 1967, p. 266; Annotatie G.J. Scholten bij HR 13 december 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AC3302, NJ 1969, 174.
Artikel 6:74 BW spreekt van de tekortkoming in de nakoming van een verbintenis. Bij de beoordeling of er sprake is van een tekortkoming, vormen de door Krans gepresenteerde drie fasen een relevant handvat.1 De eerste fase bestaat uit de vaststelling van de overeengekomen verplichtingen. Bij deze fase gaat het om de bepaling en uitleg van de wederzijdse verplichtingen, zodat vastgesteld kan worden welke prestatie (had) moet(en) worden verricht.2 Daarbij dient gekeken worden naar de bewoordingen van het contract en naar de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het Haviltex-criterium).3 Hierbij is de aard van de overeenkomst van belang, daar dit invloed kan hebben op bijvoorbeeld de onderzoeks- en mededelingsplichten van partijen, welke de inhoud van de verplichtingen van partijen vormgeven.4 Daarnaast kan de inhoud van de verplichting worden bepaald door de aanwezigheid van een zorgvuldigheidsnorm, hetgeen eveneens samen kan hangen met de aard van de overeenkomst.5
De tweede fase in de beoordeling van de vraag of sprake is van een tekortkoming betreft een beschouwing van de daadwerkelijk geleverde of niet-geleverde prestatie:6 welke prestaties heeft de schuldenaar wel of niet geleverd ter uitvoering van de overeenkomst? Dit betreft een feitelijke vaststelling. Ter beantwoording van de vraag of de schuldenaar daadwerkelijk tekort is geschoten, dienen de resultaten uit de eerste twee fases met elkaar vergeleken te worden. Deze vergelijking omvat de derde fase.7 Indien de in de tweede fase vastgestelde daadwerkelijk geleverde prestatie niet overeenkomt met de in de eerste fase vastgestelde prestatie waartoe de schuldenaar verplicht was op grond van de overeenkomst, dan is er sprake van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis.8 Uit de discrepantie volgt dat de geleverde prestatie van de schuldenaar niet aan de op hem rustende verbintenis beantwoordt. De vergelijking in de derde fase kan mogelijk nieuwe vragen opwerpen over de in de eerste fase vastgestelde overeengekomen verplichtingen.9
In het kader van de vaststelling van de tekortkoming van de schuldenaar kan het relevant zijn om te beoordelen of een verplichting van de schuldenaar als inspannings- of resultaatsverbintenis gekwalificeerd kan worden.10 Om te beoordelen of de door de schuldenaar geleverde prestatie afwijkt van de prestatie waartoe hij verplicht was, kan het relevant zijn om vast te stellen of hij een inspanning diende te leveren of voor een bepaald resultaat in stond. De meeste verbintenissen zijn gericht op het bereiken van een bepaald resultaat.11 Het leveren van een zekere mate van inspanning zal dan niet voldoende zijn om aan de verbintenis te voldoen.12 Indien het resultaat niet tot stand komt, is er sprake van een tekortkoming.13 Soms verplicht een verbintenis de schuldenaar zich slechts in te spannen voor het bereiken van een bepaald resultaat.14 Indien de schuldenaar de vereiste inspanning niet heeft geleverd, is er sprake van een tekortkoming.
Dikwijls zullen voor de schuldenaar uit een overeenkomst zowel inspannings- als resultaatsverplichtingen voortvloeien en kan van een bepaalde overeenkomst niet in zijn algemeenheid gezegd worden dat deze enkel inspannings- of resultaatsverbintenissen bevat. Een bepaalde overeenkomst kan ānu weer eens op een inspanning dan weer op een resultaatā gericht zijn, aldus Schoordijk.15 Het aanmerken van de hoofdverbintenis van een schuldenaar als inspanningsverbintenis laat onverlet dat hieruit deelverbintenissen kunnen voortvloeien die het karakter van een resultaatsverbintenis hebben.16 Een heldere illustratie daarvan is een voorbeeld van Mijnssen:17
āOok bij de zgn. inspanningsverplichtingen staat de schuldenaar er (ā¦) doorgaans voor in dat geen schade wordt toegebracht anders dan door het uitblijven van de prestatie. Een arts garandeert niet dat hij zijn patiĆ«nt zal genezen van een bepaalde kwaal. Blijft het gewenste resultaat uit, dan betekent dat niet dat hij wanprestatie pleegde. Daarvan zou eerst sprake zijn indien blijkt dat de inspanning van de arts beneden de maat bleef. Wanneer de arts echter bij de behandeling een injectie moet geven, zal hij er voor instaan dat hij dat op de, naar objectieve maatstaven, juiste plaats doet. In zoverre houdt de overeenkomst een resultaatsverplichting in: injecteren op de juiste plaats. Wordt de injectie gegeven op een verkeerde plaats, dan zal de arts hem bevrijdende omstandigheden moeten aantonen, wil hij aan zijn aansprakelijkheid ontkomen.ā
In vergelijkbare zin oordeelde de Rechtbank Alkmaar:18
āDe verbintenissen die voor een arts voortvloeien uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst worden veelal aangemerkt als zogenaamde inspanningsverbintenissen (ā¦). Dit uitgangspunt laat onverlet dat in sommige gevallen ook bij een geneeskundige behandelingsovereenkomst sprake kan zijn van een zogenaamde resultaatsverbintenis. Die situatie doet zich voor indien partijen bij het aangaan van de overeenkomst de bedoeling hebben gehad dat de hulpverlener voor een bepaald en duidelijk omschreven resultaat diende in te staan, dan wel dit geacht moet worden te zijn overeengekomen gelet op hetgeen partijen bij het aangaan van de overeenkomst jegens elkaar hebben verklaard, de betekenis die zij in de gegeven omstandigheden over en weer aan het verklaarde mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.ā
Op een schuldenaar die zaken gebruikt bij de uitvoering van zijn verplichting uit de overeenkomst zal in beginsel een resultaatsverbintenis rusten; de schuldenaar staat ervoor in dat de zaken die hij gebruikt bij de uitvoering van zijn verplichting uit de overeenkomst deugdelijk zijn.19 Dit is echter niet per definitie het geval aangezien de inhoud en daarmee de kwalificatie van de verbintenis van de schuldenaar in een concreet geval door middel van uitleg zal worden vastgesteld.