Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.3.2
14.3.2 Ambtsedige verklaringen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940286:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overigens is het schenden van de ambtseed op zichzelf niet strafbaar (in tegenstelling tot schending van het beroepsgeheim, zie art. 272 Sr). Wel kan een schending aanleiding geven tot disciplinaire maatregelen en in een uiterst geval tot ontslag leiden. Gaat het om het valselijk opmaken van een ambtsedig proces-verbaal door een verbalisant, dan kan deze worden vervolgd wegens meineed (art. 207 Sr), vgl. Rb ’s-Hertogenbosch 25 oktober 2004, ECLI:NL:RBSHE:2004:AR4409.
Zoals opgemerkt in paragraaf 7.3.5.1 en paragraaf 7.3.5.5 bestaat er in het fiscale bewijsrecht geen rangorde van bewijsmiddelen. Zie ook paragraaf 7.3.9.3.1.
Aldus ook, instemmend: Conclusie A-G Niessen 19 december 2014, V-N 2015/8.4, alsmede Niessen-Cobben 2013-I.
Zie HR 8 januari 1997, BNB 1997/69 (zie ook het slot van de noot van Van Leijenhorst), Hof Arnhem 24 april 2012, NTFR 2012/1440. Vgl. ook Hof Arnhem 3 mei 2011, V-N 2011/36.23.9, waaruit blijkt dat tevens van belang is of een dergelijke verklaring is gebaseerd op de herinnering van een (eigen) waarneming. Vgl. voorts Hof ’s-Hertogenbosch 24 juni 2011, V-N Vandaag 2011/2462, waarin het Hof aan een interne schermprint van de inspecteur en een ambtsedige verklaring van de productiecoördinator ‘geen enkele bewijskracht’ toekent. In dezelfde zin: Hof ’s-Hertogenbosch27 mei 2011, V-N 2011/44.6 en Hof Arnhem 3 mei 2011, V-N 2011/36.23.9, waarin ambtsedige verklaringen terzijde werden geschoven, in laatstgenoemd geval zelfs als direct bewijs.
In dezelfde zin: Niessen-Cobben 2013-I.
Zie daaromtrent nader paragraaf 9.3.3.2.1.
Voor de vraag in hoeverre hij deze verklaring überhaupt kan afleggen, verwijs ik naar Niessen-Cobben 2013-I, alsmede Niessen-Cobben 2013-II, paragraaf 3.1.
Hof ’s-Hertogenbosch 27 mei 2011, V-N 2011/44.6, Hof Arnhem 24 april 2012, V-N 2012/34.19.16. Voor het strafrechtelijke proces-verbaal is een expliciete vermelding van de ‘redenen van wetenschap’ wettelijk voorgeschreven, zie art. 153 lid 2 Sv.
Zie hierover uitgebreider Niessen-Cobben 2013-II.
Zie art. 344 lid 2 juncto lid 1 en art. 152 Sv. Het straf(proces)rechtelijke bewijsrecht is echter niet rechtstreeks toepasselijk op fiscale bestuurlijke boetes, HR 18 november 1992, BNB 1993/40, FED 1993/143, V-N 1992, p. 3722, r.o. 3.5. Zie in algemene zin verder paragraaf 8.2.3 en in dit verband ook: Niessen-Cobben 2013-II.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 22 augustus 2008, V-N 2008/56.2.1 en Rb ’s-Gravenhage 27 september 2011, NTFR 2011/2592 (steunbewijs). Vgl. voorts Hof Arnhem 23 januari 2007, NTFR 2007/483, waaruit kan worden afgeleid dat het gewicht van de verklaring had kunnen worden vergroot door deze ambtsedig af te leggen.
HR 16 december 1998, V-N 1999/10.3.
Ambtenaren kunnen verklaringen afleggen op hun ambtseed (‘op de eed bij de aanvang zijner bediening afgelegd’), en daardoor de stelligheid van die verklaringen onderstrepen.1 Het ligt voor de hand dat daarmee beoogd wordt om de (gepercipieerde) geloofwaardigheid te vergroten. Een ambtsedige verklaring legt echter niet per definitie meer gewicht in de schaal dan zijn niet-ambtsedige evenknie.2 De bewijsgradatie ‘beyond reasonable doubt’ wordt dus niet per se eerder gehaald met een ambtsedige verklaring. Ambtsedige verklaringen worden blijkens de jurisprudentie niet louter vanwege het ambtsedige karakter op een hoger plan gesteld.3 In lijn met de vrije bewijsleer komt het dan ook geregeld voor dat ambtsedige verklaringen niet door de feitenrechter worden gevolgd.4
Voor wat betreft de praktische betekenis van de ambtsedige verklaring bestaat er in beginsel geen verschil tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete. In de sfeer van de boete worden ambtsedige verklaringen vooral gebruikt als bewijsmiddel ten aanzien van aangifteverzuimboetes bij aanslagbelastingen.5 Dikwijls staat dan ter discussie of de aanmaning is verzonden.6 De inspecteur of zijn collega verklaart vervolgens ambtsedig dat de verzending daadwerkelijk heeft of moet hebben plaatsgevonden.7 De feitenrechter is, in gevallen waarin er lange tijd verstreken was tussen de (beweerde) verzending en de verklaring, of waarin onduidelijk bleef waarop de inspecteur zijn kennis omtrent de feitelijke verzending precies baseerde, niet minder kritisch vanwege het ambtsedige karakter.8 Naar mijn mening is dat terecht: het enkele feit dat een dergelijke verklaring op ambtseed wordt opgemaakt, betekent ook in de sfeer van de boete nog niet dat die verklaring meer geloofwaardig is dan een niet-ambtsedige verklaring.
In het strafrecht heeft een ambtsedige verklaring, vooral in de vorm van een proces-verbaal, wél een bijzondere bewijsrechtelijke status.9 Het is de strafrechter bijvoorbeeld toegestaan om, in afwijking van de hoofdregel dat er ten minste twee bewijsmiddelen benodigd zijn, uitsluitend op basis van een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar een veroordeling uit te spreken.10
Overigens kan de rechter, juist omdát hij vrij is in de keuze, weging en waardering van de bewijsmiddelen, wel degelijk een zwaar(der) gewicht aan de ambtseed toekennen en – bijvoorbeeld bij tegenstrijdige verklaringen – de knoop doorhakken ten gunste van de lezing volgens de ambtsedige afgelegde verklaring.11 Ook de waarde die de rechter aan een eventuele onjuistheid in een dergelijke, ambtsedige verklaring hecht, is te zijner discretie. De verklaring kan dus, ondanks de onjuistheid, voor het overige overeind blijven.12 Waar het om gaat, is dat de rechter in dergelijke gevallen geen bijzonder bewijsvoorschrift toepast, maar eenvoudigweg zijn vrije, subjectieve oordeel over de geloofwaardigheid geeft, net zoals hij dat ten aanzien van elk ander bewijsmiddel doet.