Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/8.1
8.1 Inleiding
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197405:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, PbEU 2010, C-83/02. Zie over het EU-Handvest onder meer: Wollenschläger 2014, Bernitz e.a. 2015, Di Federico 2011 en Gerards & Claes 2012.
Het recht op eigendom is opgenomen in artikel 17 van het Handvest.
Zie over algemene EU rechtsbeginselen onder meer: Kuijper e.a. 2018, p. 95-102 en Hartley 2014, p. 144-173.
HvJ 22 november 2017, zaak C-251/16 Cussens e.a.ECLI:EU:C:2017:881, HvJ 20 december 2017, zaak C-504/16 Deister Holding, ECLI:EU:C:2017:1009, HvJ 26 februari 2019, zaak C-116/16 T Danmark, ECLI:EU:C:2019:135.
Zie Barkhuysen & Bos 2011, p. 9. Het in artikel 17 van het Handvest opgenomen eigendomsgrondrecht lijkt mij aan deze voorwaarden te voldoen.
Zie over deze toetreding nader: Kosta e.a. 2014.
Voor lidstaten van de Europese Unie bestaan twee systemen van grondrechtenbescherming naast hun nationale recht: het EVRM in het kader van de Raad van Europa en, voor situaties die binnen de reikwijdte van het EU-recht vallen: het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.1 In zowel het EVRM als het Handvest zijn bepalingen opgenomen die het recht op ongestoord genot van eigendom garanderen.2 In inmiddels vele decennia heeft het EHRM een uitgebreide jurisprudentie ontwikkeld over artikel 1 Eerste Protocol (eigendomsgrondrecht). Zoals bleek in de vorige hoofdstukken, zijn daarbij ook vele aspecten van belastingheffing en invordering aan de orde gekomen. Hoewel grondrechtenbescherming binnen de EU zeker niet nieuw is – al vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw beschouwt het HvJ grondrechten als algemene beginselen van EU-recht3 – is de rechtspraak van het HvJ over grondrechten veel minder ontwikkeld dan die van het EHRM, dat nu eenmaal een gespecialiseerd Hof voor mensenrechtenbescherming is, terwijl het HvJ van huis uit meer een handelsgerecht was. In dit hoofdstuk richt ik mij op het belang van het eigendomsgrondrecht in het Handvest voor belastingheffing. Hoewel de rechtspraak daarover op dit moment nog bepaald schaars is, mag verwacht worden dat het belang van het Handvest op belastinggebied zal toenemen. In het algemeen omdat door de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon grondrechten een prominentere plek zijn gaan innemen binnen de EU. Daarnaast neemt de invloed van het EU-recht op het belastinggebied nog steeds toe (zie bijvoorbeeld de anti-belastingontwijkingsrichtlijnen en de recente ingrijpende rechtspraak van het HvJ over fiscaal misbruik4), waardoor het belang van bescherming van burgers en rechtspersonen tegen grondrechten schendend optreden van de EU of van lidstaten die EU-recht ten uitvoer brengen waarschijnlijk zal toenemen. De bepalingen van het Handvest hebben rechtstreekse werking. Dat wil zeggen dat betrokkenen zich voor de nationale rechter rechtstreeks op die bepalingen kunnen beroepen omdat zij onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk zijn geformuleerd om concrete casussen mee te berechten.5 Dat betekent dat niet alleen het HvJ, maar ook de nationale rechters van de lidstaten in toenemende mate te maken zullen krijgen met het Handvest. Ook bestaat nog steeds de mogelijkheid dat het HvJ op enig moment zal toetreden tot het EVRM,6 maar die is op de langere baan terecht gekomen door advies 2/13 van het HvJ van 18 december 2014, waarin het ontwerp-toetredingsverdrag op diverse punten onverenigbaar werd geoordeeld met de Unieverdragen.7