Biases in de boardroom en de raadkamer
Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/7.2:7.2 Mentale misleiding en de bestuurlijke taakuitoefening
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/7.2
7.2 Mentale misleiding en de bestuurlijke taakuitoefening
Documentgegevens:
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111409:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meerhoofdige rvb en de meerhoofdige rvc zien zich geconfronteerd met verschillende uitdagingen. De taak van bestuurders en commissarissen is inhoudelijk complex. Bovendien moeten bestuurders en commissarissen voldoen aan allerhande plichten voortvloeiend uit wet- en regelgeving. Zij oefenen hun taak uit onder de vlag van collectieve verantwoordelijkheid van de rvb respectievelijk de rvc. De collectieve verantwoordelijkheid brengt ondanks de mogelijkheid van taakverdeling automatisch de noodzakelijkheid van samenwerking, althans communicatie, met zich. Willen de meerhoofdige rvb en de meerhoofdige rvc bewerkstelligen dat het resultaat dat zij bereiken groter is dan de optelsom van de resultaten die de individuele leden als individu hadden kunnen bereiken (de optimaliteitsgedachte), dan moet aandacht worden besteed aan biases die de optimaliteitsgedachte aan het wankelen kunnen brengen. Deze biases zijn achtereenvolgens group polarization en groupthink.
Group polarization is de verschuiving van de mening van de groep in de richting waartoe de groep al neigde onder invloed van de groepsdiscussie. Het is een vergroting van de risicobereidheid van de groep. Group polarization kan bij de rvb bijvoorbeeld ertoe leiden dat de rvb onder invloed van de groepsdiscussie een te risicovolle investering doet. De eerste oorzaak van group polarization is de sociale druk die een individu ervaart om de individuele mening aan te passen in de richting van het – van wat het individu althans denkt – gemiddelde van de groep. Een tweede oorzaak kan zijn dat het individu zijn mening aanpast aan het gemiddelde, zonder dat hier een psychologische verandering aan ten grondslag ligt of bepaalde inhoudelijke argumenten een rol spelen. Het individu schat daarbij het groeps gemiddelde meer neutraal in dan de eigen mening. Een derde oorzaak bevindt zich op het vlak van informatie en argumenten. Een voorbeeld is dat een positieve ervaring met een risicovolle investering een meer risicovolle beslissing in de toekomst in de hand kan werken. Deze ervaringen hebben effect op de andere individuen in de groep door de groepsdiscussie.
Groupthink is het fenomeen waarbij een groep zo gericht is op consensus en overeenstemming dat de groep daardoor de overweging van realistische alternatieven overslaat. De oorzaken zijn onder meer een gevoel van onaantastbaarheid, rationalisatie van het eigen gedrag, een ongerechtvaardigd hoog vertrouwen in de moraal van de groep, het onder druk zetten van het individu met een afwijkende mening door de groep, een gevoel van druk om te conformeren aan de mening van de groep, stereotypering van een andere groep en het geloof van de groep in de illusie van anonimiteit. Groupthink kan optimisme, overmoed en ethisch discutabel handelen veroorzaken. De rvb en de rvc laten onder invloed van groupthink bijvoorbeeld onvoldoende alternatieve scenario’s de revue passeren. Het niet afwegen van alternatieven doet afbreuk aan de kwaliteit van de besluit- en oordeelsvorming van de rvb en de rvc.
Groupthink en group polarization spelen zich af op het individuele cognitieve niveau van de bestuurder en de commissaris. Deze biases blijken echter gevolgen te hebben voor het supra-individuele niveau van de rvb en de rvc. Het supra- individuele niveau is het systeemniveau, oftewel het niveau van de collectiviteit, van de rvb en de rvc als team. Dit gevolg maakt het noodzakelijk het supra-individuele niveau van de rvb en de rvc te bestuderen, om zo het functioneren van de meerhoofdige rvb en rvc te begrijpen. De interactie tussen de cognitieve processen die elk afzonderlijk op individueel niveau te begrijpen zijn, zorgen op het supra-individuele niveau voor patronen van bestuurlijk gedrag die niet meer te herleiden zijn tot de individuele processen. Om het handelen van de rvb en de rvc als teams toch te kunnen onderzoeken en de cognitieve invloeden op het supra- individuele niveau in kaart te brengen, is de Dynamische Systeemtheorie (DST) een waardevol instrument. De DST wordt gebruikt om complexe dynamische systemen te beschrijven. De DST is een toepassing van de wiskunde op een grote verscheidenheid aan vakgebieden zoals neurowetenschappen, kwantummechanica, biomechanica, meteorologie en kunstmatige intelligentie. Ik pas de begrippen uit de DST metaforisch toe op de rvb en de rvc.
Door het in kaart brengen van het patroonachtige gedrag van de rvb en de rvc (de attractor, bijvoorbeeld een sterke consensuscultuur), de mogelijke verstoringen van de rvb en de rvc van buitenaf (de peturbaties, bijvoorbeeld een vijandig openbaar bod), de synchronisaties van de rvb en de rvc (bijvoorbeeld of de bestuurders onderling een ‘klik’ hebben met elkaar) en de leercurves en schaalinvaratie van de grotere en kleinere patronen (de fractals en powers laws, bijvoorbeeld scholing van de rvb en de rvc) kan het supra-individuele niveau van de rvb en de rvc worden geanalyseerd. Met behulp van die analyse kunnen de prestaties van de meerhoofdige rvb en de meerhoofdige rvc worden verbeterd en kunnen zodanige wijzingen worden aangebracht in het oordeels- en besluitvormingsproces, dat het risico op groupthink en group polarization wordt verminderd. Dit kan worden bewerkstelligd met behulp van de beperkingstechnieken die ik geef op het gebied van de rol van de voorzitter, diversiteit, openheid en vertrouwen, de techniek van de advocaat-van-de-duivel, de nominal group technique en tot slot evaluaties. Het zijn uiteindelijk de bestuurders en commissarissen zelf die de aanbevelingen moeten toepassen om zo meer autonomie te krijgen over het teamgedrag. Nadere wettelijke regelgeving hieromtrent is niet gewenst, gelet op het risico van afvinkgedrag en het ontnemen van het gevoel van verantwoordelijkheid voor het eigen gedrag bij de bestuurders en commissarissen.