Biases in de boardroom en de raadkamer
Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/7.9:7.9 Toekomstig onderzoek
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/7.9
7.9 Toekomstig onderzoek
Documentgegevens:
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111413:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onderzoek van deze dissertatie biedt diverse aanknopingspunten voor toekomstig (empirisch) onderzoek. Verspreid in mijn dissertatie doe ik diverse suggesties. Ik herhaal hier enkele.
Allereerst verdient boardroom dynamics in Nederland meer wetenschappelijke aandacht. Het wetenschappelijk onderzoek hiernaar staat nog in de kinderschoenen. Interessante vragen daarbij zijn of er een groot verschil bestaat tussen de one-tier board en de two-tier board en wat de beste aanpak is voor het veranderen van gedrag in de boardroom gelet op de specifieke kenmerken van de boardroom.
Ten tweede is het waardevol door middel van een kwalitatief en kwantitatief empirisch onderzoek nader in te gaan op de invloed van biases op het rechterlijk oordeel. Hoewel al veel empirische onderzoeken zijn uitgevoerd naar de invloed van biases op oordeelsvorming is het empirisch onderzoek betreffende specifiek de invloed van biases op het rechterlijk oordeel beperkt. Ik heb getracht deze invloed in kaart te brengen in onderhavige dissertatie, maar poneer niet dat dit gelijk staat aan een empirisch onderzoek naar de invloed van biases op het rechterlijk oordeel. Eenzelfde onderzoek kan worden uitgevoerd naar de invloed van biases op de besluit- en oordeelsvorming door bestuurders en commissarissen. Dit onderzoek kan gedaan worden door transponering van dezelfde methodieken die gebruikt worden in andere onderzoeken naar de invloed van biases, maar specifiek toegepast op rechters.
Ten derde verdient het aanbeveling een algemeen wetenschappelijk onderzoek te initiëren waarbij wiskundige modellen worden ontwikkeld om de Dynamische Systeemtheorie toe te passen op de meerhoofdige rvb en rvc in Nederland. Dergelijke analyses zijn bij mijn weten nog niet verricht. Dit kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd door gedragswetenschappers in samenwerking met neurowetenschappers. Dit onderzoek is complex en de resultaten zijn niet vooraf duidelijk. Dit komt onder meer doordat het destilleren van de exacte componenten lastig is. Door emergentie kunnen namelijk eveneens nieuwe componenten gevormd worden. Voorts verschillen rvb’s en rvc’s veel van elkaar, waardoor op voorhand niet veel gezegd kan worden over de voorspellende factor van de modellen. Bij het ontwikkelen van modellen om een systeem in kaart te brengen, is als het model in de wereld gezet wordt altijd sprake van feedback. Op dat moment is een model niet slechts een theoretisch model in isolatie, maar is het ingebed in de werkelijkheid, met meer interactie en onvoorspelbaarheid tot gevolg. Toch denk ik dat uiteindelijk patronen ontdekt kunnen worden in het gedrag en de werkwijze van rvb’s en rvc’s die ons meer kunnen leren over dit gedrag en deze werkwijze.
Tot slot roep ik op tot een empirisch onderzoek naar implicit gender bias in de top van Nederlandse vennootschappen en de daarbij betrokken personen, zoals headhunters. Een dergelijk onderzoek kan uiteindelijk ook bijdragen aan het bereiken van een gelijkere behandeling van mannen en vrouwen in het algemeen. Een dergelijk onderzoek kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd door psychologen in samenwerking met cognitiefilosofen.