Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/2.3.0:2.3.0 Introductie
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/2.3.0
2.3.0 Introductie
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is niet eenvoudig een algemene karakterisering van de begrippen monisme en dualisme te geven. In de literatuur en de praktijk worden de begrippen op zeer uiteenlopende wijze gebruikt, hetgeen Dille ooit de uitspraak heeft ontlokt dat "de woorden 'monisme' en 'dualisme' zo verwarringwekkend kunnen werken, en werken, dat de verklarende waarde sterk is gedevalueerd."1 Hoewel uit het onderstaande zal blijken dat hij hierin gelijk zou kunnen hebben, is het vermijden van het begrippenpaar inmiddels onmogelijk geworden. In het aangehaalde artikel stelt Mille vast dat de begrippen vanuit verschillende invalshoeken worden gebruikt en van daaruit ook andere betekenissen krijgen. Zo onderscheidt hij het normatieve, feitelijke, strategische en ideële monisme en dualisme. Hierin schuilt de belangrijkste oorzaak van de begripsverwarring. Binnen het kader van dit onderzoek is het in ieder geval van belang het juridische monisme en dualisme te onderscheiden van het feitelijke monisme en dualisme. Een soortgelijk onderscheid kan ook worden aangetroffen bij Bordewijk.2 De ratio achter dit onderscheid ligt in de dualiseringsoperatie zelf. Voor ogen moet worden gehouden dat de Wet dualisering gemeentebestuur weliswaar veranderingen aanbrengt in de juridische verhoudingen tussen de verschillende gemeentelijke bestuursorganen, maar dat deze vooral bedoeld is om de verhoudingen feitelijk te veranderen. De kritiek van Konijnenbelt op Mille dat men eerst in algemene zin moet vaststellen wat monisme en dualisme betekenen en pas daarna kan onderscheiden in normatief, feitelijk of andersoortig monisme en dualisme,3 is mijns inziens niet terecht. Het is veeleer andersom: de context waarin het begrippenpaar wordt gebruikt, is in zeer grote mate typerend voor hun definitie. De mate waarin een raadsmeerderheid erin slaagt zich onafhankelijk op te stellen van het college, is bijvoorbeeld vanuit de feitelijke benadering sterk afhankelijk van de mate waarin (leden van) coalitiefracties in de gemeenteraad bereid zijn politiek 'bevriende' wethouders af te vallen. Hiermee wordt de betekenis van de begrippen monisme en dualisme als typering van een verhouding tussen organen genuanceerd; bij het politieke onderscheid tussen monisme en dualisme draait het ook (of zelfs: juist) om de verhoudingen binnen politieke partijen of coalities.