Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.2.0:14.2.0 Introductie
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.2.0
14.2.0 Introductie
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS450600:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit hoofdstuk 3 is gebleken dat het object van heffing ter zake van de opbrengsten van aandelen, t.w. het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal als absolute ondergrens van de belastingheffing, ertoe leidde dat belastingplichtigen door middel van 'agio-(oppomp)'- en 'turboconstructies' op een min of meer geforceerde wijze de fiscale claim die op de (winst)reserves van de vennootschap lag, illusoir maakten. Voorts werd onder het oude regime de fiscale structuur, met name via een 'holding- of kasgeldconstructie', zodanig ingericht dat hierbij tevens de laagst mogelijke belastingtarieven konden worden getoucheerd. In dat opzicht was de opdracht aan de fiscale wetgever dan ook duidelijk: Schaf het objectieve kenmerk van de opbrengsten van aandelen, t.w. het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal, af en hanteer voortaan voor de diverse opbrengsten van aandelen één gelijk tarief. Deze noodzakelijke ingreep in het tot dan toe voor iedere aandeelhouder die de aandelen rekent tot het privé-vermogen, geldende regime van de inkomsten uit vermogen, is echter slechts gedeeltelijk doorgevoerd, nl. alleen voor die aandeelhouders bij wie de aandelen en winstbewijzen tot een zgn. aanmerkelijk belang behoren. Sedert 1 januari 1997 is de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' op (meer) subjectieve leest geschoeid en wordt de aanmerkelijkbelanghouder uiteindelijk belast voor het verschil tussen zijn (subjectieve) overdrachtsprijs en zijn (subjectieve) verkrijgingsprijs. Hierdoor zijn de in hoofdstuk 3 beschreven 'agio(-oppomp)constructies' en de 'turboconstructies' definitief van hun fiscale attractiviteit beroofd. Weliswaar is in hoofdstuk 4 gebleken dat het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal op (ondergeschikte) onderdelen en uitsluitend in de categorie reguliere voordelen van art. 20b Wet IB nog steeds zijn belang heeft behouden, doch door de volledige subjectivering van de categorie vervreemdingsvoordelen is een definitief afstel van belastingheffing hiervan niet langer het gevolg. De belastingheffing wordt hoogstens uit- gesteld naar een later tijdstip. Voorts heeft de uniformering van het inkomstenbelastingtarief waartegen de diverse opbrengsten van aandelen worden belast, heilzaam gewerkt. Voor de belastingheffing is niet langer relevant in welke juridische vorm de desbetreffende opbrengst van aandelen wordt genoten. Alle opbrengsten van aandelen worden belast tegen het proportionele tarief van 25%. Door deze tariefsharmonisatie zijn de in hoofdstuk 3 beschreven 'holdingen kasgeldconstructies' die louter het gevolg waren van de uiteenlopende op de diverse opbrengsten van aandelen van toepassing zijnde tarieven, definitief beëindigd. Al met al kan worden geconcludeerd dat het nieuwe aanmerkelijkbelangregime veel van de knelpunten die voortvloeiden uit het oude tot 1 januari 1997 geldende regime, definitief heeft beëindigd.
Met betrekking tot de bron 'inkomsten uit vermogen' ligt dit echter fundamenteel anders. Deze bron is bij de ingrijpende herziening van het wettelijke regime met betrekking tot de opbrengsten van aandelen nagenoeg ongewijzigd gebleven. De belastingheffing over de opbrengsten van aandelen bij aandeelhouders, bij wie de aandelen niet behoren tot een aanmerkelijk belang, geschiedt aldus nog steeds volgens het objectieve regime van de bronnenleer. Hierbij fungeert het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal als ondergrens van de belastingheffing (basisconceptie). Voorts zijn de uiteenlopende tarieven die van toepassing zijn op de diverse opbrengsten van aandelen, nog steeds van toepassing gebleven. Wel is de reikwijdte van de bron 'inkomsten uit vermogen' door de aanmerkelijke gebiedsuitbreiding die de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' heeft ondergaan, drastisch ingeperkt, maar dit doet niets af aan het feit dat de in hoofdstuk 3 beschreven knelpunten in de sfeer van de bron 'inkomsten uit vermogen' in beginsel onverkort van kracht zijn gebleven.