Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.3.2:IX.3.2 Twee dimensies, één beginsel?
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.3.2
IX.3.2 Twee dimensies, één beginsel?
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS597491:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
§ II.4 en II.5.
§ II.6.
§ IV.2.1-2.3.
§ IV.2.4.
Zie § V.3.3.4; § VI.2.2.
§ VI.2.2.
§ III.4.1.
§ III.4.2.
Vgl. § IV.3.2.2.
Vgl. § IV.3.2.3.
§ III.3.2; § V.6; § VII.3.
§ IV.3.3; § VI.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als gezegd pleit het één en ander voor het onderscheiden van twee dimensies. Zijn beide dimensies echter tevens met elkaar verbonden? Mijns inziens is in enkele opzichten sprake van samenhang. Ten eerste in terminologisch opzicht. Beide worden samen consequent aangeduid als de onschuldpresumptie en afgeleid uit verdragsrechtelijke bepalingen die verplichten eenieder voor onschuldig te houden tot diens schuld is bewezen. Ten tweede hebben zij een vergelijkbaar toepassingsbereik, in zoverre dat het beide strafrechtelijke rechten zijn die uitsluitend betrekking hebben op de schuld van de verdachte aan een strafbaar feit en ophouden te gelden waar die schuld definitief is vastgesteld. Ook hangen de grondslagen van beide in een tweetal opzichten samen. Ik licht dat toe.
Dat de bewijsdimensie en de behandelingsdimensie samen als de onschuldpresumptie worden aangeduid, laat zich in belangrijke mate historisch verklaren. Oorspronkelijk was het beginsel een presumptie in juridische zin die eerst als bewijsmiddel en later als bewijslastverdelingsmechanisme opereerde. Het karakter van een rechtspresumptie was de reden voor de gangbare formulering van het adagium: eenieder wordt onschuldig vermoed tot zijn schuld is bewezen.1 Met de opkomst van de theorie van het sociaal contract en daarmee van meer rechtstatelijke ideeën over de verhouding tussen staat en burger, groeide ook het verzet tegen strafrechtelijke gebruiken die de rechten van het individu geringschatten. Het adagium dat eenieder wordt vermoed onschuldig te zijn, werd vanaf toen als argument gebruikt tegen praktijken die de schuld van de verdachte tot uitgangspunt namen of onnodig vernederend of hardvochtig waren.2 Dat destijds ook een meer inhoudelijk verband met de bewijsfunctie van het adagium werd gezien, is niet gebleken.
Ook voor de tegenwoordige inhoudelijke coherentie van het beginsel heeft het terminologisch verband weinig betekenis. Het adagium sluit eigenlijk louter aan op de bewijslastverdelende functie van de onschuldpresumptie. Andere normen die onderdeel zijn van één van beide dimensies zijn daarin niet te herkennen.3 Met betrekking tot de behandelingsdimensie zaait de terminologie eerder verwarring. Het adagium dat eenieder voor onschuldig wordt gehouden, is steeds aangevoerd tegen bejegening van verdachten als schuldigen. Eenmaal begrepen als bejegeningsrecht wijzen de bewoordingen ervan echter in de richting van een recht op bejegening als onschuldige. Dat het adagium zich verzet tegen bepaalde bejegeningswijzen, brengt echter niet mee dat het in dat verband aan de eigen bewoordingen ook letterlijk recht doet.4
Ten tweede is het toepassingsbereik van beide dimensies beperkt tot de vaststelling van de strafrechtelijke schuld van de verdachte. De bewijsdimensie heeft alleen betrekking op de wijze waarop wordt vastgesteld dat de verdachte de materiële strafbaarheidsvoorwaarden heeft vervuld en de behandelingsdimensie beschermt uitsluitend tegen bejegening als strafrechtelijk schuldige, niet tegen andere bejegeningswijzen die afkeuring van de verdachte tot uitdrukking brengen of de uitkomst van het strafproces potentieel oneigenlijk beïnvloeden. Is het bewijs van schuld eenmaal geleverd, dan houden beide dimensies op te gelden.
De significantie van deze overeenkomst is beperkt. Strafrechtelijke procedurele rechten hebben in de regel primair betrekking op de wijze waarop de schuldvraag of schuldvragen in het strafproces worden beantwoord. Ook het recht op een eerlijk proces van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR in het algemeen ziet eerst en vooral op de determination of a criminal charge, oftewel de gegrondheid van de beschuldiging.5 Andere procedurele rechten hebben net als de beide dimensies daarnaast na veroordeling geen betekenis meer, terwijl na vrijspraak de bewijsdimensie geen en de behandelingsdimensie wel relevantie behoudt. Markant is deze gelijkenis dan ook enkel voor zover beide op de sanctietoemeting niet van toepassing zijn.6 Die overeenkomst heeft het EHRM evenwel rechtstreeks afgeleid uit de bewoordingen van artikel 6 lid 2 EVRM, zodat een en ander in zoverre rechtstreeks voortvloeit uit het terminologisch verband. Bovendien heeft het Hof uitsluiting van toepasselijkheid op de straftoemeting ten aanzien van de behandelingsdimensie nadien ook weer gerelativeerd.7
Ten derde bestaat tussen de voor beide dimensies pleitende argumenten, de grondslagen van beide dimensies, een tweetal verbanden. De primaire grondslag voor de bewijsdimensie is de relatief hogere waardering van het voorkomen van onterechte veroordelingen ten opzichte van het voorkomen dat schuldigen vrijuit gaan.8 Een tweede reden om de bewijsdimensie te aanvaarden is gelegen in de rechtsstaatidee, die in het algemeen voorschrijft dat tot overheidsingrijpen steeds een bevoegdheid moet bestaan. Voor het meest ingrijpende overheidsoptreden schrijft het legaliteitsbeginsel voor dat de bevoegdheid daartoe zich in het recht voldoende moet manifesteren, de onschuldpresumptie vereist dat die bevoegdheid ook door de feiten overtuigend wordt gedemonstreerd.9 In zekere zin ligt de behandelingsdimensie in het verlengde hiervan. Neemt men bij de bewijsbeslissing tot uitgangspunt dat het beter is een schuldige vrij te spreken dan een onschuldige te veroordelen, dan ligt het (a fortiori) in de rede om buiten het op de vaststelling van de toedracht van het tenlastegelegde gerichte kader van de bewijsbeslissing aan het voorkomen van onterechte schuldvaststelling eveneens de voorkeur te geven boven het (versneld) bestraffen van schuldigen.10 Aan de rechtsstaatidee dat de bevoegdheid tot straffen moet worden gedemonstreerd, is tevens de consequentie te verbinden dat op die bevoegdheid geen ‘voorschot’ mag worden genomen. Zo bezien garandeert de behandelingsdimensie de verwezenlijking van de bewijsdimensie. Of anders gezegd, vormt de behandelingsdimensie een bredere erkenning van een belangrijk deel van de ratio van de bewijsdimensie.
Bij nader inzien is de zeggingskracht van deze samenhang evenwel om twee redenen beperkter dan op het eerste gezicht lijkt. Ten eerste dragen namelijk vrijwel alle in artikel 6 EVRM besloten liggende procedurele rechten op de ene of andere manier bij aan het streven in het strafproces de feitelijke toedracht van het tenlastegelegde met accuratesse te achterhalen en daarmee een juiste toepassing van het strafrecht te garanderen. De beide dimensies van de onschuldpresumptie zijn in dat opzicht geen uitzondering. Dat zij die accuratesse asymmetrisch nastreven plaatst ze evenmin in een uitzonderingspositie. Het zwijgrecht, het recht op toegang tot een advocaat en het nemo-teneturbeginsel beogen bijvoorbeeld onder meer de betrouwbaarheid van de waarheidsvinding te bevorderen en offeren daarbij het verkrijgen van accurate bekentenissen tot op zekere hoogte op aan het voorkomen van onjuiste verklaringen. Een tweede reden om aan deze samenhang niet te zwaar te tillen, is dat de behandelingsdimensie met andere procedurele rechten op dezelfde manier samenhangt als met de bewijsdimensie. De behandelingsdimensie verzet zich tegen feitelijke omzeiling van de strafprocedure en hoedt op die manier de met dat strafproces gemoeide belangen. Die door het eerlijk strafproces beschermde belangen zijn er meer dan het enkele voorkomen dat de verdachte onterecht straf dient te ondergaan. Door te beschermen tegen omzeiling van het strafproces waarborgt de behandelingsdimensie algemener dat een minimum aan procedurele fairness in acht wordt genomen alvorens bejegening als schuldige plaatsvindt.11 Aldus ligt de behandelingsdimensie in dit opzicht evenzeer in het verlengde van bijvoorbeeld het beginsel van hoor en wederhoor, als in het verlengde van de bewijsdimensie. Wordt de verdachte namelijk veroordeeld zonder dat hij de kans heeft gehad zijn kant van het verhaal te doen horen, dan is het beginsel van hoor en wederhoor en daarmee het recht op een eerlijk strafproces geschonden. Gezegd kan worden dat de behandelingsdimensie in het verlengde daarvan voorkomt dat in materiële zin de gevolgen van een veroordeling (straffen etc.) worden ondergaan zonder dat de verdachte is gehoord. Zo bezien beschermt de behandelingsdimensie de procedurele rechten die deel uitmaken van een eerlijk strafproces waaronder, maar niet uitsluitend, de bewijsdimensie.
De argumenten voor en de inhoud van de behandelingsdimensie houden echter nog in een tweede opzicht verband met de bewijsdimensie. Ter verwezenlijking van de door de bewijsdimensie voorgeschreven bewijslastverdeling is noodzakelijk dat de rechter zijn bewijsoordeel louter stoelt op het aan hem gepresenteerde bewijsmateriaal en niet op vooroordelen over de mogelijke schuld van de verdachte.12 Eén van de redenen om overheidsfunctionarissen niet toe te staan de verdachte voortijdig te bejegenen als schuldige is dat een dergelijke bejegening tot bevooroordeeldheid van de zittingsrechter of jury zou kunnen leiden.13 Dit is een wezenlijk verband tussen beide dimensies, al zijn diverse potentieel prejudiciërende krachten rond het strafproces aanwijsbaar die de behandelingsdimensie niet aan banden legt.
Al met al kan dan ook niet worden gezegd dat de behandelingsdimensie en de bewijsdimensie volstrekt onafhankelijk van elkaar bestaan. Ondertussen verschillen de dimensies echter wezenlijk van elkaar en kan het beginsel het best worden begrepen als bestaande uit twee enigszins samenhangende, maar toch vooral zelfstandige beginselen. Zonder op zijn minst bereik en inhoud van één van de dimensies aanzienlijk te reduceren, lijkt herleiding tot één oorspronkelijke of fundamentele kern niet goed mogelijk. Daarvoor zijn de tussen beide bestaande overeenkomsten te weinig betekenisvol en de verschillen te wezenlijk.