Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.4.1.1
2.4.1.1 Aanpassing van het commune strafrecht: het nieuwe Wetboek van Strafrecht van 1886
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270153:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Commissie Van den Dries 1936, p. 9, de tegenstellingen worden door de commissie niet expliciet benoemd.
Kristen 2011, p. 77.
Zoals uit § 2.4.2.2. zal blijken, heeft de fiscale strafbepaling die ziet op het doen van een onjuiste aangifte, in ieder geval sinds een arrest van de Hoge Raad van 23 februari 1982 een aantal jaar niet als specialis gegolden ten opzichte van het centrale fraudeartikel uit art. 225 WvSr. In 1998 zou de Hoge Raad oordelen dat als vervolging van het fiscale misdrijf op grond van art. 68 lid 3 AWR is uitgesloten, de beginselen van behoorlijke procesorde kunnen meebrengen dat hetzelfde feitencomplex niet alsnog op basis van art. 225 WvSr mag worden vervolgd.
In 1886 trad het nieuwe Wetboek van Strafrecht in werking. De bespreking hiervan valt buiten de reikwijdte van dit onderzoek. Van belang is wel dat drie redenen aan het gelijktijdig aanpassen van het fiscale strafrecht in de weg stonden. Een aanpassing van het fiscale strafrecht aan het nieuwe Wetboek van Strafrecht zou allereerst een algehele herziening van het over een groot aantal wetten verspreide fiscale strafrecht hebben gevorderd, een arbeid die wegens zijn omvang flinke vertraging op de invoering van het Wetboek van Strafrecht zou hebben uitgeoefend. Ten tweede bracht een aanpassing het gevaar voor moeilijk te overbruggen tegenstellingen met zich.1 Ten derde speelde de angst voor het onbekende een rol, zo zal uit paragraaf 2.4.1.2. blijken.
Een probleem als gevolg van het niet meenemen van fiscale strafrecht bij de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886, was bijvoorbeeld dat de bepaling van valsheid in geschrifte van art. 225 WvSr het centrale fraudeartikel werd, door het toen nog ontbreken van expliciete duidelijkheid over de eventuele specialis-generalis verhouding tussen het Wetboek van Strafrecht en afzonderlijke strafbaarstellingen van fraude (waaronder het doen van een onjuiste aangifte) in bijzondere wetten.2 In 1886 werd art. 55 lid 2 in het Wetboek van Strafrecht opgenomen, op grond waarvan speciale strafbepalingen voorgaan op algemene strafbepalingen. De vraag heeft lange tijd gegolden in hoeverre deze bepaling toepassing vond in fiscale zaken.3