Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/2.2.1.3:2.2.1.3 De reglementen van 1824 en 1825
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/2.2.1.3
2.2.1.3 De reglementen van 1824 en 1825
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van der Pot (1934), p. 291-293 en het generale model van het Reglement voor het bestuur der stad, 4 januari 1824, artt. 1 en 86 e.v. afgedrukt in Vis(1980), p. 245 e.v.
Overige wijzigingen betreffen o.m. wijzigingen in de vereisten voor het raadslidmaatschap en het kiezerschap.
Zie Van der Pot (1934).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De reglementen van 1824 (steden) en 1825 (platteland) vertoonden een weer grotere uniformiteit dan hun voorgangers. De verandering van de reglementen is voortgekomen uit de wens de Koning een grotere invloed te geven op het plaatselijke bestuur. De timing van de wijziging kan amper toeval zijn. Aan het einde van 1825 zouden de bestaande reglementen namelijk op basis van het eerder genoemde art. 7 Gw 1815 automatisch deel gaan uitmaken van de grondwet en zou voor de wijziging hiervan dan ook de grondwetsherzieningprocedure gevolgd moeten worden.
De belangrijkste wijziging in de inrichting van het stadsbestuur1 betrof de introductie van een college van burgemeester en wethouders dat dezelfde bevoegdheden had als voorheen de burgemeesteren.2 De burgemeester en de wethouders werden door de Koning uit de raad benoemd. Hierbij was het nominatierecht van de raad verdwenen. Bij wijze van uitzondering kon de burgemeester van buiten de raad worden benoemd. De burgemeester werd voorzitter van het college en van de gemeenteraad.
De verschillen in de bestuursorganisatie van de plattelandsgemeenten3 zijn door de bestuursreglementen van 1825 kleiner geworden. Elke gemeente werd bestuurd door een burgemeester, twee assessoren en een gemeenteraad. De burgemeester werd door de Koning benoemd. Deze hoefde niet uit de raad te worden benoemd, maar werd daarvan wel van rechtswege lid als hij daarin voordien geen zitting had. De assessoren werden vanwege de Koning, door de Commissaris van de betreffende provincie, uit de raad benoemd. De leden van de raad bleven benoemd door de Staten. Burgemeester, assessoren en raadsleden werden benoemd voor een periode van zes jaar, waarbij elke twee jaar een derde aftrad. In de heerlijkheden werden de burgemeester, de raadsleden en enkele belangrijke gemeenteambtenaren (zoals de Ontvanger) op voordracht van de heer benoemd.