Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/7.3.2
7.3.2 ‘Equality of arms’ in de ontbindingsprocedure
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS357094:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Kuijer & Sagel 2001, p. 55.
Vgl. EHRM 24 februari 1997, nr. 19983/92, § 53-59 (De Haes and Gijsels v. Belgium).
Overigens kan in een dergelijk geval ook gezegd worden dat een procespartij die haar stellingen alleen door middel van getuigenbewijs kan bewijzen en daartoe niet in de gelegenheid wordt gesteld, geen redelijke mogelijkheid heeft gekregen om haar stellingen te bewijzen. Vgl. Kuijer & Sagel 2001, p. 55.
Hier geldt echter wel een beoordelingsmarge voor de rechter. Een bewijsaanbod mag afgewezen worden omdat het overbodig is of niet relevant kan zijn voor de beslechting van het geschil. Deze afwijzing mag echter niet arbitrair zijn. Vgl. EHRM 27 maart 2008, nr. 34499/06 (Peric v. Croatia); EHRM 5 februari 2009, nr. 22330/05 (Olujic v. Croatia). Zie ook: Smits 2008, p. 132-133.
Van der Meer 2006, p. 290.
Tenzij het bewijsaanbod overbodig is of niet relevant kan zijn voor de beslechting van het geschil.
HR 29 september 2000, NJ 2001, 302.
Kuijer & Sagel 2001, p. 55. Hovens en Alt sluiten zich bij deze opvatting aan. Hovens 2005, p. 53; Alt 2009, p. 236-237. In gelijke zin ook Hengstmengel & Mahabiersing 2009, p. 234.
Zie § 7.2.2. Bovendien overwoog de Hoge Raad in de beschikking Kuiper/ING dat het oordeel van de rechtbank dat de aard van de onderhavige ontbindingsprocedure zich niet leent voor (getuigen) bewijs of een deskundigenonderzoek geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting geeft, en dus niet zoals Kuijer en Sagel doen geloven in algemene zin dat de aard van de ontbindingsprocedure zich niet leent voor (getuigen)bewijs.
De uitsluiting van bepaalde regels van bewijsrecht in een spoedeisende ontbindingsprocedure is gezien het voorgaande niet zonder meer in strijd met art. 6 EVRM. Het bewijsrecht wordt door het EHRM uitsluitend in verband gebracht met het beginsel van 'equality of arms' en juist dit beginsel lijkt op het eerste gezicht geen probleem op te leveren in een spoedeisende ontbindingsprocedure, waarin – naar wordt aangenomen – zonder het houden van getuigenverhoren mag worden beslist. Wanneer beide partijen geen gelegenheid krijgen tot het horen van getuigen, kan immers niet gezegd worden dat partijen ongelijke proceskansen hebben gehad. Desondanks kan dit beginsel onder omstandigheden toch geschonden worden. Met Kuijer en Sagel1 meen ik dat dit het geval is wanneer een aanbod tot getuigenbewijs wordt afgewezen, terwijl het horen van getuigen de enige mogelijkheid vormt voor een procespartij om het bewijs van haar stelling te leveren.2 Die procespartij is daarmee in een substantieel nadeliger positie geplaatst ten opzichte van haar wederpartij, die ook over andere bewijsmiddelen beschikt.3 Deze partij heeft geen redelijke gelijke kans gekregen om haar stellingen te bewijzen. Verder wordt het beginsel van 'equality of arms' geschonden wanneer de kantonrechter de ene partij wel toestaat getuigen te doen horen, terwijl de wederpartij deze mogelijkheid op willekeurige gronden niet geboden wordt.4 Daarbij wil ik opmerken, in navolging van Van der Meer, dat het horen van – veelal aan werkgeverszijde – naar de zitting meegebrachte informanten in essentie niets anders is dan het horen van getuigen.5 Voor de werknemer is het van belang de rechter hierop attent te maken. De werknemer dient namelijk in een dergelijk geval ook in de gelegenheid te worden gesteld informanten getuigen te horen. Staat de kantonrechter dit niet toe, dan is daarmee het beginsel van 'equality of arms' geschonden.6 Overigens zal de kantonrechter ook moeten opletten of de verweerder genoeg tijd heeft gehad om zijn bewijs in de relatief korte duur van de ontbindingsprocedure te verzamelen, mede gezien de onbeperkte tijd die de verzoeker heeft om zijn verzoek in te kleden. Is het de verweerder niet gelukt om bewijs voor zijn stellingen op tijd te verkrijgen, bijvoorbeeld omdat een schriftelijk bewijsstuk opgevraagd en nog niet ontvangen is, en de kantonrechter beslist op het verzoek zonder de zaak aan te houden totdat het bewijsstuk binnen is, dan wordt mijns inziens het beginsel van 'equality of arms' geschonden. De verweerder wordt in een dergelijk geval substantieel benadeeld ten opzichte van de verzoeker.
Verschillende auteurs zijn op grond van het voorgaande van mening dat het uitgangspunt dat in een (spoedeisende) ontbindingsprocedure geen toepassing behoeft te worden gegeven aan het wettelijk bewijsrecht, op gespannen voet staat met art. 6 EVRM. Zo schrijven Kuijer en Sagel dat zij grote twijfels hebben of de lijn uit de beschikking Kuijper/ING,7 waarin de Hoge Raad heeft beslist dat de opvatting van de rechtbank dat de aard van de ontbindingsprocedure zich niet leent voor (getuigen) bewijs of een deskundigenonderzoek geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, in overeenstemming is met de rechtspraak van het EHRM inzake het beginsel van 'equality of arms'.8
In voorgaand standpunt kan ik mij vinden voor zover de Hoge Raad in zijn algemeenheid zou stellen dat in elke ontbindingsprocedure per definitie geen plaats is voor getuigenbewijs of een deskundigenbericht. Een dergelijke algemene lijn komt inderdaad onder omstandigheden in strijd met het door art. 6 EVRM gewaarborgde beginsel van 'equality of arms'. In het voorgaande heb ik echter betoogd dat de Hoge Raad noch de wetgever ooit expliciet het standpunt heeft ingenomen dat elke ontbindingsprocedure zich tegen bewijslevering verzet. Sterker nog, uit de parlementaire geschiedenis bij art. 284 lid 1 Rv en diverse beschikkingen van de Hoge Raad kan mijns inziens het tegendeel afgeleid worden. Niet aannemelijk is dat elke ontbindingsprocedure naar haar aard zodanig spoedeisend is, dat nooit plaats is voor getuigenbewijs of een eventueel deskundigenbericht.9 Belangrijker is echter nog dat de Hoge Raad het beginsel van 'equality of arms' erkent als een zo fundamenteel rechtsbeginsel dat doorbreking van het rechtsmiddelenverbod ex art. 7:685 BW rechtvaardigt.