Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.6.1
4.2.6.1 Inleiding
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291515:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. A.F. Mollema, ‘Drie stellingen over beperkte rechten’, WPNR 2013/7000, p. 1155 en S.E. Bartels, V. Sagaert, V. Tweehuysen en F.J. Vonck, If it ain't broke, don't fix it, in: L.C.A. Verstappen (red.), Boek 5 van de toekomst (KNB Preadvies), Den Haag: Sdu Uitgevers 2016, p. 313.
A.F. Mollema, Het beperkte recht: een analyse van zijn theoretische constructie, zijn plaats in het systeem van het vermogensrecht en zijn mogelijke inhoud (diss.), Utrecht: Uitgeverij BOXPress 2013, p. 142-143.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 165.
Zoals in paragraaf 4.2.3.2.2 is betoogd, volgt uit de richtlijnhistorie, de ratio van art. 15 lid 2 Btw-richtlijn en de vrijstellingen voor de levering van vastgoed dat de gelijkstelling met lichamelijke zaken een gelijkstelling is met het onderliggende vastgoed. Uit het arrest van 5 juli 2012, zaak C-259/11, BNB 2012/311, m.nt. Van Kesteren, r.o. 37 (DTZ Zadelhoff) is af te leiden dat ook het Hof van Justitie uitgaat van een vereenzelviging met het onderliggende vastgoed: “(…) Zoals de Commissie heeft opgemerkt in haar schriftelijke opmerkingen, voorzag haar voorstel voor een zesde richtlijn [COM(73) 950 def.] erin, in artikel 5, lid 1, ervan, dat de deelnemersbewijzen en aandelen waarvan het bezit rechtens of in feite recht geeft op de eigendom of het genot van een onroerend goed of een deel daarvan, altijd worden behandeld zoals het vastgoed waarop zij betrekking hebben.” Anders: H.W.M. van Kesteren, ‘Het begrip “levering”, WFR 2009/1332 die stelt dat art. 15 lid 2 Btw-richtlijn met zich brengt dat niet het onderliggende goed wordt geleverd, maar de ‘lichtere’ rechten als bedoeld in art. 15 lid 2 Btw-richtlijn waarvoor de lat van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn te hoog ligt.
Vgl. A.F. Mollema, Het beperkte recht: een analyse van zijn theoretische constructie, zijn plaats in het systeem van het vermogensrecht en zijn mogelijke inhoud (diss.), Utrecht: Uitgeverij BOXPress 2013, p. 177 die benadrukt dat de eigendom en beperkte zakelijke rechten niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief verschillende rechten zijn.
HvJ EG 15 december 2005, zaak C-63/04, V-N 2005/61.19 (Centralan).
Zie bijv. H.W.M. van Kesteren, ‘Het begrip “levering”’, WFR 2009/1332. In het Centralan-arrest is naar mijn mening geen grond te vinden om de overdracht van beperkte zakelijke rechten per definitie als een levering aan te merken, aangezien (thans) art. 14 lid 1 Btw-richtlijn eist dat hierdoor de macht om als een eigenaar over het (onderliggende) vastgoed te beschikken wordt overgedragen. Anders: M. Albers, Het beperkt zakelijk recht en enkele belastingen (diss.), Groningen: Rijksuniversiteit Groningen 2016, p. 73-74.
Indien zou worden aangenomen dat de overdracht van de in art. 15 lid 2, onderdelen a en b Btw-richtlijn genoemde rechten op onroerend goed een levering kan zijn op grond van enkel art. 14 lid 1 Btw-richtlijn, dan zou art. 15 lid 2, onderdelen a en b Btw-richtlijn slechts toegevoegde waarde kunnen hebben voor (gebruiks)rechten op vastgoed die de rechthebbende niet de macht geven om als eigenaar over het onderliggende vastgoed te beschikken (G.J. van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 263). Echter, de gelijkstelling met het onderliggende vastgoed op grond van art. 15 lid 2 Btw-richtlijn betekent slechts dat het onderliggende vastgoed geleverd kan worden op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn. Voor een dergelijke levering volstaat een vereenzelviging met het onderliggende vastgoed niet, maar is ook vereist dat de macht om als een eigenaar over het onderliggende vastgoed te beschikken wordt overgedragen. Indien art. 14 lid 1 Btw-richtlijn bij de in art. 15 lid 2, onderdelen a en b Btw-richtlijn rechten op vastgoed reeds zou dwingen tot een vereenzelviging van die rechten met het onderliggende vastgoed, dan zijn de vereenzelvigingsmogelijkheden van art. 15 lid 2, onderdelen a en b Btw-richtlijn zinledig. Voor de vereenzelvigingsmogelijkheid van art. 15 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn ligt dat anders. Bij de daarin genoemde deelbewijzen en aandelen heeft de vennootschap waarin de deelbewijzen of aandelen worden gehouden de macht om als eigenaar over het (gedeelte van het) onroerend goed te beschikken en niet de eigenaar van de deelbewijzen of aandelen. Laatstgenoemde heeft de slechts macht om als eigenaar over zijn deelbewijzen of aandelen in de vennootschap te beschikken. Anders dan de in art. 15 lid 2, onderdelen a en b Btw-richtlijn genoemde rechten op een onroerend goed geven deze deelbewijzen en aandelen niet direct, maar indirect een gebruiksrecht op een onroerend goed. Een vereenzelviging van de in art. 15 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn bedoelde deelbewijzen en aandelen is derhalve hoe dan ook noodzakelijk om te doen alsof de overdracht van de macht om als eigenaar over een deelbewijs of aandeel te beschikken kwalificeert als een overdracht van een gebruiksrecht op het onderliggende vastgoed.
HvJ EG 4 december 1990, zaak C-186/89, BNB 1991/352, m.nt. Ploeger (Van Tiem).
HvJ EG 15 december 2005, zaak C-63/04, V-N 2005/61.19 (Centralan). In gelijke zin: B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 161, D.B. Bijl, Onroerend goed omzetbelasting en overdrachtsbelasting, Deventer: Kluwer 1998, p. 69 en H.W.M. van Kesteren, ‘Het begrip “levering”’, WFR 2009/1332. Anders: M.M.G.A. Voets, ‘Centralan Property: herziening van de Nederlandse onroerend goedpraktijk’, BtwBrief 2006/5.
MvA, Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 6, p. 31.
In paragraaf 4.2.3.2 is erop gewezen dat het zowel in het spraakgebruik als het Nederlandse civiele recht niet ongebruikelijk is om de juridische eigendom van een lichamelijke zaak te vereenzelvigen met de onderliggende lichamelijke zaak.1 De juridische eigendom van een zaak en de lichamelijke zaak zijn de juridische respectievelijk feitelijke zijde van dezelfde medaille.2 Ook in de btw is sprake van een dergelijke vereenzelviging, aangezien de overdracht van de eigendom van vastgoed (de juridische zijde) in beginsel kwalificeert als de levering van het onderliggende vastgoed (de feitelijke zijde).3 Op grond van art. 15 lid 2 Btw-richtlijn hebben lidstaten de mogelijkheid om ook de volgende rechten, deelbewijzen en aandelen (de juridische zijde) te vereenzelvigen met het onderliggende vastgoed (de feitelijke zijde):
bepaalde rechten op onroerende goederen;
zakelijke rechten die aan de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen om een onroerend goed te gebruiken;
de deelbewijzen en aandelen waarvan het bezit rechtens of in feite recht geven op de eigendom of het genot van een onroerend goed of een deel daarvan.4
Deze rechten, deelbewijzen en aandelen hebben met elkaar gemeen dat zij betrekking hebben op een onroerend goed dat juridisch gezien eigendom is van een ander. Vermoedelijk is dat de reden waarom vereenzelviging met het onderliggende onroerend goed niet vanzelfsprekend werd geacht.5 Uit de richtlijnhistorie (paragraaf 4.2.3.2) en de opzet van (thans) art. 14 Btw-richtlijn blijkt dat geen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat ook zonder eigendomsoverdracht sprake kan zijn van een overdracht van de macht om als een eigenaar over vastgoed te beschikken als bedoeld in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn. Dat art. 15 lid 2 Btw-richtlijn nodig werd geacht om bepaalde vormen van economische eigendom van onroerende goederen gelijk te stellen met de juridische eigendom (zie paragraaf 4.2.3.2) onderstreept dit.
Uit het Centralan-arrest6 is in de literatuur afgeleid dat het mogelijk is dat (gebruiks)rechten op vastgoed als bedoeld in art. 15 lid 2, onderdelen a en b Btw-richtlijn reeds op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn vereenzelvigd (moeten) worden met het onderliggende vastgoed indien zij de rechthebbende de macht geven om als een eigenaar over dit vastgoed te beschikken.7 Zoals in paragraaf 4.2.3.5.5 is betoogd, dwingt dit arrest niet tot die uitleg en staat deze uitleg op gespannen voet met de opzet van art. 14 lid 1 en 15 lid 2 Btw-richtlijn. Een dergelijke conclusie zou aan art. 15 lid 2, onderdelen a en b Btw-richtlijn iedere zin ontnemen.8 In deze paragraaf wordt er daarom van uitgegaan dat de overdracht, waaronder bij (zakelijke) rechten op onroerend goederen ook de vestiging en moet worden begrepen9, van de in art. 15 lid 2 Btw-richtlijn genoemde rechten, deelbewijzen en aandelen op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn slechts een levering kan zijn indien deze rechten, deelbewijzen en aandelen op grond van het nationale recht zijn vereenzelvigd met het onderliggende vastgoed.
De kwalificatie van de overdracht van de in art. 15 lid 2 Btw-richtlijn genoemde rechten, deelbewijzen en aandelen als een levering op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn werkt door naar de andere ‘pijlers’ van de Europese btw die in dit onderzoek aan bod komen. In de eerste plaats brengt de kwalificatie van deze transactie als levering voor de ‘vrijstellingspijler’ met zich dat de vrijstelling (en haar uitzonderingen) voor de verhuur van onroerend goed niet van toepassing kan zijn, maar dat deze vastgoedtransactie valt onder één van de vrijstellingen of haar uitzonderingen daarop voor de levering van een onroerend goed. Daarnaast brengt de kwalificatie van de vastgoedtransactie als een levering van het onderliggende vastgoed voor de ‘aftrekpijler’ met zich dat de herzieningsregels voor onroerende investeringsgoederen van toepassing kunnen zijn. De kwalificatie van de overdracht van de in art. 15 lid 2 Btw-richtlijn genoemde rechten, deelbewijzen en aandelen als de levering van het onderliggende onroerend goed betekent niet dat de overdracht van de (bloot-)eigendom van het betreffende onroerend goed geen levering is. Het bepaalde in art. 15 lid 2 Btw-richtlijn strekt er slechts toe de vereenzelviging met het onderliggende vastgoed te verruimen tot bepaalde situaties waarin geen sprake is van de juridische, maar wel van de economische eigendom van het onderliggende vastgoed. Op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn kwalificeert de overdracht van de (bloot-)eigendom in beginsel als de levering van het onderliggende vastgoed.10 Bij de kwalificatie van de overdracht van de in art. 15 lid 2 Btw-richtlijn genoemde rechten, deelbewijzen en aandelen als een levering gaan de (bloot-)eigendom van het onroerend goed enerzijds en de rechten, deelbewijzen en aandelen als bedoeld in art. 15 lid 2 Btw-richtlijn anderzijds voor de btw derhalve ieder hun eigen leven leiden.11
In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de optionele vereenzelvigingen met het onderliggende vastgoed. De opbouw van deze paragraaf is als volgt. In paragraaf 4.2.6.2 wordt de ratio van de optionele gelijkstellingen in art. 15 lid 2 Btw-richtlijn voor het voetlicht gebracht. Vervolgens komen in de paragrafen 4.2.6.3 tot en met 4.2.6.5 de drie optionele gelijkstellingen met het onderliggende vastgoed aan bod. Hierbij zal de nadruk liggen op de optionele gelijkstelling van zakelijke rechten die aan de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen om een onroerend goed te gebruiken, omdat Nederland alleen die optionele gelijkstelling heeft geïmplementeerd. In paragraaf 4.2.6.6 wordt de balans opgemaakt.