Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.5.5
4.5.5 Incentives
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS387030:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ibid, p. 67-68.
Zie Easterbrook/Fischel 1983, p. 403: “As the residual claimants, the shareholders are the group with the appropriate incentives (…) to make discretionary decisions. The firm should invest in new products, plants etc, until the gains and costs are identical at the margin. Yet all of the actors, except the shareholders, lack the appropriate incentives. (…) The shareholders receive most of the marginal gains and incur most of the marginal costs. They therefore have the right incentives to exercise discretion.”
Easterbrook/Fischel 1991, p. 67.
Een reprise van de shareholder value-benadering is A. Rappaport, ‘Ten Ways to Create Shareholder Value’, Harvard Business Review september 2006, bron:
In deze zin bijvoorbeeld de Duitse voormalig minister van financiën Steinbrück. ZieP. Steinbrück, Unterm Strich, Hamburg: Hoffmann und Campe Verlag 2010, p. 74.
Zie voor voorbeelden M.G. Faure, ‘Law and Economics: belang voor het privaatrecht’,WPNR 2011 (6912), p. 1058 (“De law and economics benadering werd (…) razend populair in de VS. (…) Het feit dat vooraanstaande rechtseconomen zoals Richard Posner zelf, maar ook Frank Easterbrook en Robert Bork belangrijke posities kregen binnen federale gerechtshoven heeft daar uiteraard ook aan bijgedragen.”) en H.J. de Kluiver, ‘Het einde van de rechtspersoonlijkheid: een rechtseconomisch perspectief’, in G. van Solinge et al (reds.), Relativering van Rechtspersoonlijkheid, Van der Heijden-reeks nr. 114, Deventer: Kluwer 2012, p. 92 (“In de rechtspraak zijn beschouwingen ontleend aan Law & Economics inzichten en benaderingen dan ook bepaald geen zeldzaamheid meer. Posner – net als de eerder genoemde Easterbrook trouwens (inmiddels zelfs Chief-Judge van een federaal Court of Appeals) – is niet voor niets al 30 jaar rechter in een federale Court of Appeals en hij is in de VS zeker niet de enige rechter met een rechtseconomische achtergrond en/of belangstelling.”)
Naast de hierboven genoemde twee normatieve argumenten voor het aannemen van een primaat van de belangen van aandeelhouders in de taakopdracht van bestuurders vonden Easterbrook en Fischel nog een derde normatief argument voor hun stelling in een koppeling van de residual claimants-benadering met het krachtenveld van prikkels (‘incentives’) van de bij de beursonderneming betrokken personen en groeperingen. Hier ging het niet alleen om de vraag of bestuurders zich bij de vervulling van hun taken uitsluitend naar de belangen van de aandeelhouders zouden moeten richten, maar ook om de bredere vraag welke groep binnen de onderneming qua prikkels het beste geschikt was om economisch optimale beslissingen te nemen. Hierover overwogen Easterbrook en Fischel: “Shareholders are the residual claimants to the firm’s income. Creditors have fixed claims and employees generally negotiate compensation schedules in advance of performance. The gains and losses from abnormally good or bad performance are the lot of the shareholders whose claims stand last in line. As the residual claimants, shareholders have the appropriate incentives (collective choice problems notwithstanding) to make discretionary decisions. (…) [M] anagers’ knowledge that they are being monitored by those who have the right incentives (…) leads managers to act in shareholders’ interests in order to advance their own careers and to avoid being ousted.”1
De ken van het hierboven weergegeven argument is een bewerking van een redenering uit een eerder artikel van Easterbrook en Fischel uit 1983. In dit artikel hadden zij betoogd dat het voor het aanvullen van de ‘incomplete contract’ tussen aandeelhouders en bestuurders economisch efficiënt was om naast ‘fiduciary duties’ voor bestuurders ook stemrecht aan aandeelhouders toe te kennen.2 Hierbij moet wel de kanttekening worden gemaakt dat deze redenering tegen de achtergrond van het toenmalige binnen de Verenigde Staten gangbare model van het ondernemingsrecht, in het bijzonder het ondernemingsrecht van de staat Delaware, moet worden begrepen. In dit model hadden (en hebben) aandeelhouders materieel gezien alleen de bevoegdheid om te stemmen over voorstellen tot benoeming en ontslag van ‘directors’. Nota bene, de ‘officers’ zoals de Chief Executive Officer maken niet altijd deel uit van de ‘board of directors’, dus het stemrecht van aandeelhouders strekt zich niet per definitie tot de benoeming en ontslag van de (uitvoerend) bestuurders uit. Easterbrook en Fischel onderkenden dit impliciet door te stellen dat aandeelhouders uit praktische overwegingen hun bevoegdheden tot het nemen van ‘discretionary decisions’ aan de board delegeerden. Het ligt dan ook niet voor de hand dat hun stelling dat aandeelhouders over de beste prikkels beschikken om de meest efficiënte beslissingen te nemen bedoeld was als pleidooi om aandeelhouders daadwerkelijk via het stemrecht meer zeggenschap over inhoudelijke aangelegenheden te geven.
Eerder lijken Easterbrook en Fischel te hebben beoogd om een normatief accent in de verhouding tussen vennootschapsleiding en aandeelhouders aan te leggen. Aandeelhouders zijn als groep binnen de vennootschap vanuit hun positie als ‘residual claimants’ intrinsiek het beste geëquipeerd om de best mogelijke (lees: economisch efficiënte) beslissingen aangaande de vennootschap en de onderneming te nemen. Praktisch gezien zou het evenwel niet mogelijk zijn om de aandeelhouders telkens via een soort vergadering op de Atheense Akropolis tot besluiten over elke specifieke aangelegenheid te laten komen. Het is daarom vanuit economisch oogpunt efficiënter om een groep personen aan te stellen, de ‘board’, om deze besluiten te nemen. Bij deze besluitvorming zou de board zich nog steeds naar de belangen van de aandeelhouders dienen te richten. De board (de vennootschapsleiding) zou als het ware die besluiten moeten nemen die de gezamenlijke aandeelhouders zouden hebben genomen als zij zelf in staat zouden zijn gesteld om over het onderwerp te stemmen (en als stemmen kosteloos was geweest). Doet de vennootschapsleiding dit niet, dan neemt zij vanuit economisch perspectief suboptimale besluiten. In dat geval is het wenselijk (lees wederom: efficiënt) als de aandeelhouders ingrijpen door de vennootschapsleiding te vervangen. Zoals Easterbrook en Fischel zelf opmerkten: “[M]anagers exercise authority at the sufferance of investors.”3 Anders gezegd, de vennootschapsleiding vervult haar taken dus bij gratie van de aandeelhouders.
De aandeelhoudersgeoriënteerde benadering van Easterbrook en Fischel en andere rechtseconomen wordt nog wel eens in verband gebracht (of verward) met de op ‘shareholder value’ (aandeelhouderswaarde) gerichte stroming in de populaire managementliteratuur. De laatstgenoemde stroming ziet op het ontwikkelen van ondernemingsstrategieën die de meeste waarde voor aandeelhouders creëren. De bekendste uitdrukking van deze stroming is het boek Creating Shareholder Value: a Guide for Managers and Investors van de Amerikaanse business school-hoogleraar Rappaport uit 1986. Hoewel er zeker raakvlakken en dwarsverbanden zijn tussen het aandeelhoudersgeoriënteerd model van corporate governance enerzijds en het op aandeel houderswaarde gerichte strategisch kader anderzijds was de shareholder value-benadering van Rappaport – zeker in zijn latere publicaties4 – genu anceerder dan op het eerste gezicht wordt vermoed. Zo werd de na te streven aandeelhouderswaarde niet gelijk gesteld aan de hoogte van de beurskoers op enig moment, maar lag hieraan een uitgebreide(re) berekening ten grond slag. Toch wordt het boek van Rappaport, mede vanwege de populariteit dat het destijds in andere landen zoals Duitsland genoot, tegenwoordig ook wel in een negatieve connotatie aangemerkt als een typerend voorbeeld van het Amerikaans neoliberaal gedachtengoed dat in de jaren ’80 een opmars maakte in het Europese bedrijfsleven.5
Easterbrook en Fischel presenteerden al met al dus een drievoudig normatief argument voor het bij uitsluiting sturen door de vennootschapsleiding op de belangen van aandeelhouders:
een diffuse ondernemingsdoelstelling stelt managers in staat om hun eigen belangen na te streven, met alle ‘agency costs’ van dien;
er is geen inherente tegenstelling tussen de belangen van aandeelhouders en de belangen van andere bij de vennootschap betrokken personen en groeperingen; en
beslissingen die bij uitsluiting door de belangen van aandeelhouders zijn ingegeven zijn vanuit economisch oogpunt het meest efficiënt voor de onderneming.
Easterbrook en Fischel leverden hiermee als eersten een geïntegreerde rechtseconomische ‘business case’ aan voor een aandeelhoudersgeoriënteerd model van governance voor beursondernemingen.
Easterbrook en Fischel hebben met hun werk een belangrijke stap gezet in de verspreiding en de popularisering van deze rechtseconomische benadering binnen de juridische wetenschap. Het succes van hun boek zorgde voor een internationaal verspreidingsbereik van de door hen geformuleerde ideeën. Voorts droeg het enkele feit dat Easterbrook en Fischel zelf geen economen, maar juristen waren kennelijk bij aan de geloofwaardigheid en aanvaardbaarheid van hun rechtseconomische analyse in rechtswetenschappelijke kringen. Het is interessant om te constateren dat Easterbrook’s aanstelling als rechter zelfs in de Nederlandse literatuur – toen en nu – als verklarende factor voor het succes van de law & economics-beweging of zelfs als autoriteitsargument voor de bruikbaarheid van aan law & economics ontleende ideeën in de praktijk wordt gebezigd.6 Wat hier ook verder van zij, vast staat dat Easterbrook en Fischel in hun boek enkele cruciale ideeën en inzichten uit de hoek van economie en finance voor een breder (juridisch) publiek hebben ontsloten en deze ideeën en inzichten op een voor leken begrijpelijke wijze als een geïntegreerd en samenhangend geheel hebben gepresenteerd. Hiermee hebben zij ontegenzeggelijk een grote bijdrage geleverd aan de verdere ontwikkeling van de rechtseconomische benadering van het ondernemingsrecht.
Als we terugkijken naar de in de inleiding aangehaalde passage uit het ‘End of History’-artikel van Hansmann en Kraakman (zie §4.1), dan blijkt dat alle elementen van het door Hansmann en Kraakman geformuleerde aandeelhoudersgeoriënteerde model van corporate governance in de bovenstaande verhandeling – beginnend bij Coase en culminerend in het werk van Easterbrook en Fischel – de revue zijn gepasseerd. Bestuurders hebben zich enkel naar de belangen van aandeelhouders te richten (de agency theory van Jensen en Meckling gecombineerd met de residual claimants-benadering van Easterbrook en Fischel), de belangrijkste maatstaf voor de belangen van aandeelhouders is de marktwaarde van hun aandelen (de efficiënte kapitaalmarkt van Fama en de market for corporate control van Manne) en de onzichtbare hand van de markt kan in alle verhoudingen als zelfcorrigerend mechanisme worden ingezet om een economisch optimaal resultaat te bereiken zo lang alle belemmeringen voor een dergelijke marktwerking maar weggenomen zouden worden (de Coase Theorem zoals toegepast in de markt voor corporate governance van Easterbrook en Fischel). De voornaamste contouren van de rechtseconomische benadering van het ondernemingsrecht waren hiermee geformuleerd.