Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.2.2.2:6.2.2.2 Gevolgen voor de klachtgerechtigde
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.2.2.2
6.2.2.2 Gevolgen voor de klachtgerechtigde
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946084:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 498.
Kamerstukken II 2022-2023, 36 327, nr. 3, p. 388 en 390.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering zal naar verwachting ook leiden tot aanpassing van de regels omtrent klachtdelicten. Zo bevat het wetboek tot op heden in art. 161 Sv de onjuiste zinsnede dat eenieder die kennis draagt van een strafbaar feit bevoegd is daarvan “aangifte of klachte” te doen, terwijl duidelijk is dat slechts een beperkte groep personen gerechtigd is een klacht in te dienen. Voorgesteld wordt om dit in het nieuwe wetboek te herstellen door slechts weer te geven dat eenieder aangifte mag doen. 1
Daarnaast wordt voorgesteld om in het nieuwe art. 2.2.1 lid 2 weer te geven dat het indienen van een klacht plaatsvindt door het doen van een aangifte met verzoek tot vervolging. De wetgever stelt dat hiermee duidelijker uit de verf komt dat een klacht een ‘gewone’ aangifte betreft waarin dan ook een verzoek tot vervolging is verwoord. Veel duidelijker dan het huidige art. 164 lid 1 Sv lijkt dit echter niet te zijn, omdat hierin ook nu al is verwoord dat de klacht bestaat uit een aangifte met verzoek tot vervolging. De belangrijkere toevoeging op dit punt is mijns inziens gelegen in het zesde lid van het voorgestelde art. 2.1.10 dat een wettelijke grondslag biedt om bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels te stellen ten aanzien van het proces-verbaal van de aangifte. De wetgever overweegt in dit verband immers expliciet dat op deze wijze bijvoorbeeld kan worden geregeld dat wanneer aangifte wordt gedaan van een klachtdelict in het proces-verbaal van aangifte uitdrukkelijk moet zijn vermeld of de aangever behoort tot de kring van klachtgerechtigden en of deze om vervolging verzoekt. 2Dit wekt de indruk dat de wetgever de teugels strakker wil aantrekken waar het gaat om het indienen van een klacht, maar dat blijkt niet zonder meer het geval. De wetgever voegt in de toelichting op het nieuwe wetboek – onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad – immers toe dat bij het ontbreken van een verzoek tot vervolging in een aangifte de klacht ook nadien op het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld als blijkt dat de klager ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld. Deze voorziening moet blijkens de toelichting worden beschouwd als een “reparatiemogelijkheid”.3
De meest ingrijpende wijzigingen die worden voorgesteld voor de regeling van de klacht hebben betrekking op de termijnvoorschriften. De wetgever concludeert dat de procedurele bepalingen betreffende de termijn voor het indienen en intrekken van klachten – die vooralsnog deel uitmaken van het Wetboek van Strafrecht – van strafvorderlijke aard zijn en dus dienen te worden betrokken bij de vormgeving van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Daarbij wordt voorgesteld de klachttermijn van drie maanden te schrappen. De ratio achter die termijn is dat de klachtgerechtigde het niet tot het einde van de verjaringstermijn in zijn macht moet hebben om te bepalen of strafvervolging mogelijk is. Het werd onwenselijk geacht dat de mogelijkheid van vervolging gedurende de volledige verjaringstermijn afhankelijk zou zijn van de willekeur van de klachtgerechtigde. Dit zou niet stroken met het maatschappelijk belang bij een voortvarende rechtspleging en spoedige berechting van misdrijven. 4De memorie van toelichting bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering bevat verschillende argumenten waarom die redengeving voor de klachttermijn niet (meer ) standhoudt. Ten eerste wordt overwogen dat de aangifte op goede gronden niet aan een termijn is gebonden en dat veel niet-klachtdelicten uitsluitend door een aangifte ter kennis komen van politie en justitie. In dergelijke gevallen heeft een aangever dus tot het einde van de verjaringstermijn de mogelijkheid een zaak onder de aandacht van justitie brengen. Hiermee wordt geïmpliceerd dat de ‘macht’ die ontstaat voor een klachtgerechtigde die niet is gebonden aan een termijn feitelijk al bestaat voor aangevers van diverse andere feiten en dat dit kennelijk niet als een probleem wordt ervaren in de rechtspraktijk. In de toelichting op het wetsvoorstel wordt voorts van belang geacht dat een klachttermijn een obstakel kan zijn voor slachtoffers die een langere tijd nodig hebben om hun vrees voor de dader te boven te komen. Dit wordt in de toelichting geïllustreerd door te wijzen op diverse klachtdelicten die een ex-partner kan begaan, zoals belaging, vermogensdelicten en vernieling. Tot slot wordt opgemerkt dat de officier van justitie na ontvangst van een klacht bij de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging kan meewegen of de klachtgerechtigde al dan niet onredelijk lang heeft gewacht met het doen van een klacht. De klachtgerechtigde zou daardoor niet zonder meer tot het einde van de verjaringstermijn een stevig middel in handen houden. Dit leidt tot het voorstel om bij de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering art. 66 uit het Wetboek van Strafrecht te schrappen.5
De wetgever bespreekt vervolgens of het wetsartikel dat ziet op de termijn voor het intrekken van een klacht wel moet worden behouden. Het schrappen van die bepaling zou ertoe leiden dat het onmogelijk wordt om een klacht in te trekken, net zoals het reeds onmogelijk is om een aangifte in te trekken. In de toelichting komen diverse voor- en nadelen van de mogelijkheid om een klacht in te trekken aan bod. Een nadeel zou zijn dat na ontvangst van een klacht opsporingshandelingen worden verricht die vanwege een daaropvolgende intrekking van de klacht nutteloos worden. Het intrekken van een klacht zou daarmee een efficiënte rechtspleging niet ten goede komen. De kanttekening wordt echter geplaatst dat het risico van nodeloos verrichte opsporingshandelingen beperkt is vanwege de korte termijn waarbinnen een klacht kan worden ingetrokken. Een voordeel van schrapping van de mogelijkheid tot intrekking zou zijn dat er geen aanleiding meer is om de indiener van een klacht onder druk te zetten deze in te trekken. De vraag is echter in hoeverre dit voordeel daadwerkelijk zijn uitwerking vindt in de praktijk. In de toelichting wordt er immers op gewezen dat het ook voorkomt dat aangevers (van delicten die geen klacht vereisen) zich bij een politiebureau melden om een eerdere aangifte in te trekken, terwijl de wet die mogelijkheid helemaal niet biedt. Bovendien is het standpunt van het (al dan niet klachtgerechtigde) slachtoffer over de wenselijkheid van de vervolging wel degelijk van gewicht voor de vervolgingsbeslissing die het openbaar ministerie neemt. Het ontnemen van de mogelijkheid om een klacht in te trekken, brengt dus niet zonder meer met zich dat een dader zich zal onthouden van het benaderen van de indiener van een klacht met het (dwingende) verzoek een andersluidend standpunt in te nemen ten overstaan van de autoriteiten. Het belangrijkere voordeel van het behoud van de mogelijkheid tot intrekking van de klacht waarop wordt gewezen in de memorie van toelichting lijkt dan ook te zijn dat met de bevoegdheid tot intrekking een afkoelperiode wordt gegund aan de klachtgerechtigde waarbinnen hij kan terugkomen op zijn eerdere beslissing. Na weging van deze argumenten is besloten om de intrekkingsmogelijkheid te behouden. In het licht van de eerdere vaststelling dat het gaat om een strafvorderlijke bepaling wordt deze in het wetsvoorstel overgeheveld naar het nieuwe Wetboek van Strafvordering. De mogelijkheid om een klacht in te trekken wordt neergelegd in art. 2.2.1 lid 3. Daarbij wordt voorgesteld om de huidige termijn van 8 dagen te verkorten tot de meer gebruikelijke termijn van één week.6