25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/26.5:26.5 En een mogelijke verklaring op grond van de Awb
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/26.5
26.5 En een mogelijke verklaring op grond van de Awb
Documentgegevens:
prof. mr. F.J. van Ommeren, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. F.J. van Ommeren
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht, Voorontwerp Algemene wet bestuursrecht, Eerste deel, Den Haag: Sdu 1987.
Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3, p. 14 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het valt overigens ook vanuit het perspectief van de Awb wel enigszins te verklaren dat de wetsgeschiedenis zo is gelopen en de Awb niet zelf tot uitdrukking brengt op welke wijze de overheid aan haar rechtspersoonlijkheid komt. Toen de eerste tranche van de Awb in 1994 werd ingevoerd, was dat resultaat al een hele stap, die een stevige voorgeschiedenis kende.1 Niet iedereen zat, om het eufemistisch te zeggen, op de Awb te wachten. In een dergelijk tijdsgewricht lag het, zo komt mij voor, niet heel erg voor de hand om artikelen uit andere wetboeken te gaan overhevelen. Eerst moest die nieuwe wet zijn bestaansrecht maar eens gaan bewijzen.
Bovendien is van belang dat het element van ‘een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld’ op een betrekkelijk laat moment in de eerste tranche van de Awb terecht is gekomen. Het voorontwerp voor de eerste tranche repte daarvan nog niet, maar definieerde een bestuursorgaan als: een persoon of college met enig openbaar gezag bekleed (waarna een aantal bekende uitzonderingen volgde, zie thans het tweede lid van artikel 1:1). Een onderscheid tussen a- en b-organen maakte het voorontwerp evenmin.2 Ook dat relatief late totstandkomingsmoment zal er, zo veronderstel ik, niet aan hebben bijgedragen dat de verhouding met het BW reeds toen al systematisch werd doordacht. Voor de verhouding met het BW is pas veel later, namelijk bij de vierde tranche van de Awb, de ruimte genomen, in het bijzonder met het oog op het invoegen van de regeling over bestuursrechtelijke geldschulden (titel 4.4).3