Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/1.7:1.7 KORTE INHOUD VAN DIT BOEK
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/1.7
1.7 KORTE INHOUD VAN DIT BOEK
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619032:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit boek staan na deze inleiding (hfst. 1) vier overkoepelende vragen centraal: (i) Welke taak heeft de zittingsrechter bij het controleren en reageren op vormfouten en aan welke eisen moet zijn rechtspraak voldoen? (ii) Hoe kan de doel-middel benadering bijdragen aan een betere taakvervulling? (iii) Hoe heeft de Hoge Raad naar de huidige stand van de rechtspraak vormgegeven aan de uitoefening van die taak? (iv) Welke verbeteringen zijn mogelijk?
Ter beantwoording van de eerste vraag wordt aan de hand van een beknopte beschrijving van de relevante juridische en maatschappelijke ontwikkelingen de taak van de zittingsrechter bij het controleren en reageren op vormfouten in kaart gebracht. Onderzocht wordt welke taken de zittingsrechter binnen het strafproces vervult door het voorbereidend onderzoek te controleren op vormfouten en door aan geconstateerde vormfouten rechtsgevolgen te verbinden. Op die basis kan onderscheid worden gemaakt tussen doeleinden die binnen het strafproces met reacties op vormfouten in elk geval moeten worden nagestreefd en doeleinden die daarin mogelijk, maar niet noodzakelijkerwijs een rol kunnen spelen (hfst. 2). Verder wordt het juridische en maatschappelijke krachtenveld onderzocht dat op de taak van de zittingsrechter van invloed is (hfst. 3) en wordt inzichtelijk gemaakt welke instrumenten hem bij zijn taakvervulling ter beschikking staan en welke effecten optreden bij het gebruik daarvan (hfst. 4). Afzonderlijk wordt voorts ingegaan op het gewicht dat een goede verantwoording van de rechtspraak over vormfouten tegenwoordig heeft (hfst. 5).
Nadat in deze hoofdstukken de taak van de zittingsrechter in kaart is gebracht en duidelijk is geworden aan welke eisen de huidige rechtspraak over vormfouten in grote lijnen moet voldoen, wordt – ter beantwoording van de tweede vraag – voortbouwend op de resultaten van het voorafgaande rechtsvergelijkende onderzoek besproken hoe de doel-middel benadering eraan kan bijdragen dat de rechtspraak en het (wetenschappelijk) onderzoek betreffende het controleren en reageren op vormfouten beter aan de daaraan gestelde eisen kan voldoen en hoe met die benadering verbetering mogelijk is op bestaande problematische punten (hfst. 6).
In de daaropvolgende hoofdstukken (7 en 8) wordt de derde vraag beantwoord door de huidige rechtspraak nader onder de loep te nemen. Voldoet die rechtspraak aan de belangrijkste daaraan te stellen eisen? En wat kan uit die rechtspraak worden afgeleid vanuit het perspectief van de doelmiddel benadering? Om op die vragen een antwoord te kunnen geven en om mogelijkheden voor verdere toepassing van de doel-middel benadering te exploreren, wordt geanalyseerd welke doeleinden in de huidige rechtspraak met welke middelen worden nagestreefd en welke voor- en nadelen daarbij in de afweging worden betrokken. Onderzocht wordt in hoeverre een doelmiddel benadering in de bestaande rechtspraak al doorschemert en in welke opzichten consequente en expliciete toepassing daarvan nog tot verbetering zou kunnen leiden. Een onderverdeling is bij die analyse aangebracht tussen de vormgeving van de mate waarin en de punten waarop de strafrechter controle uitoefent op het voorbereidend onderzoek (hfst. 7) en de afbakening van het toepassingsbereik van de verschillende binnen het strafproces mogelijke reacties en daarbij gehanteerde wegingsfactoren (hfst. 8). In hoofdstuk 7 komen onder meer aan bod het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, het Schutznormvereiste en de eisen aan verweren. In hoofdstuk 8 wordt precies gekeken naar de vraag in welke gevallen niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting en strafvermindering kunnen worden toegepast, wederom met het oog op de vraag welke doeleinden daarbij voorop staan en welke afweging van voor- en nadelen daaraan ten grondslag ligt.
De vierde vraag wordt beantwoord in hoofdstuk 9. In dat slothoofdstuk worden de belangrijkste onderzoeksresultaten kort op een rij worden gezet en worden – in aanvulling op de meer gedetailleerde behandeling in de hoofdstukken 7 en 8 – op hoofdlijnen enkele aanbevelingen gedaan om de rechtspraak nog beter te laten voldoen aan de daaraan te stellen eisen.