Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.4.2.5
2.4.2.5 Afrondende bevindingen
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855395:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Slooten noemt als voorbeeld de volgelgriep: bij een pluimveebedrijf werd deze griep niet als exceptioneel risico beschouwt (rb. Noord-Holland 4 mei 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:2222), terwijl dit anders zou kunnen liggen wanneer een bedrijf wordt getroffen dat toevallig binnen een gebied ligt waarvoor als gevolg van vogelgriep een betredingsverbod geldt (Van Slooten, JAR 2020/156).
Ook in dit kader geldt dat m.n. de opdrachtnemer die in een economisch afhankelijke positie verkeert, waarschijnlijk niet zal riskeren de opdracht te verliezen door bij de opdrachtgever aanspraak te maken op loon over de niet-verrichte werkzaamheden, terwijl juist deze opdrachtnemer economisch afhankelijk is van dit loon (zie ook par. 2.4.1.3). Dit wordt des te problematischer op het moment dat de opdrachtnemer een laag tarief verdient ter hoogte van bijv. het minimumloon en dus een versterkt belang heeft bij het ontvangen van zijn loon.
Kamerstukken II 2019/20, 31 311, 235, p. 2; Diris, Jongen & Van Vliet 2022.
Ik heb in paragraaf 2.4.2 stilgestaan bij de vraag hoe schuldeisersverzuim (artikel 6:58 BW) moet worden gelezen en toegepast in de situatie dat de opdrachtnemer (schuldenaar) op grond daarvan loon claimt over niet-verrichte werkzaamheden, omdat volgens hem de oorzaak van het niet-werken aan de opdrachtgever is toe te rekenen. De invulling van het juridische begrip ‘toerekening’ is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dit heeft als voordeel dat bij deze invulling rekening kan worden gehouden met onder andere de hoedanigheid van partijen en hun onderlinge verhouding, die telkens weer anders kunnen liggen vanwege de verscheidenheid aan type opdrachtnemers (en opdrachtgevers). Een (ander) voordeel voor de opdrachtnemer is de bewijstechnische kwestie: schuldeisersverzuim staat in principe vast als de opdrachtnemer (schuldenaar) stelt, en zo nodig bewijst, dat het verrichten van werkzaamheden werd verhinderd doordat de opdrachtgever (schuldeiser) de noodzakelijke medewerking niet verleende of doordat een ander beletsel van de zijde van de opdrachtgever (schuldeiser) opkomt. Het is dan aan de opdrachtgever (schuldeiser) om te bewijzen dat de oorzaak van het niet-werken niet aan hem kan worden toegerekend en de verplichting tot het moeten (door)betalen van het loon over de niet-gewerkte periode daarom ontbreekt.
Het leerstuk schuldeisersverzuim lijkt de opdrachtnemer (schuldenaar) een krachtig wapen te geven in het licht van zijn inkomensbescherming. De opdrachtnemer (schuldenaar) kan op basis hiervan onder omstandigheden aanspraak maken op loon, ondanks het wegvallen van de werkzaamheden aan de zijde van de opdrachtgever. Schuldeisersverzuim vormt echter tegelijkertijd een onzekere figuur. Hoewel ik enkele gezichtspunten heb uitgewerkt die enigszins houvast kunnen bieden, luidt de conclusie dat de toerekeningseis bepaald niet uitblinkt in duidelijkheid. De in de rechtsliteratuur aangebrachte categorisering maken de toerekeningsgrond verkeersopvattingen weliswaar inzichtelijker, maar daarmee niet automatisch duidelijker. Wat wel en niet toerekenbaar is, blijft doorgaans tamelijk vaag, bijvoorbeeld wanneer een bepaalde gebeurtenis voorzienbaar of exceptioneel is, wat ook weer per oorzaak en per bedrijf verschilt.1 Feitenrechtspraak ontbreekt nagenoeg geheel. Mede in dit kader zou voor de invulling van het begrip ‘toerekening’ misschien kunnen worden aangesloten bij de wijze waarop het arbeidsovereenkomstenrecht hiermee omgaat, dat met artikel 7:628 BW een eigen artikel kent omtrent de risicoverdeling (zie paragraaf 2.5.2.1). Als die aansluiting mogelijk blijkt, dan zijn daarmee nog niet alle problemen verdwenen. Of de periode waarin de werkzaamheden niet worden verricht door een oorzaak die eventueel aan de opdrachtgever (schuldeiser) is toe te rekenen, nu kort of lang is, in beide gevallen zijn er (specifieke) risico's. Bij een korte periode van bijvoorbeeld één of twee dagen is het denkbaar dat de opdrachtnemer het financiële belang te klein vindt om de (goede) relatie met de opdrachtgever te verstoren, net als bij de wettelijke (handels)rente (zie paragraaf 2.4.1.3).2 Hoe langer de periode wordt, hoe groter de kans wordt dat de opdrachtnemer het risico neemt de (goede) relatie met de opdrachtgever op het spel te zetten door het loon over de niet-verrichte werkzaamheden te vorderen. Hier dient zich een ander probleem aan: als het van tevoren aannemelijk is dat de opdracht gedurende een zekere periode niet kan worden uitgevoerd, zal de opdrachtgever vermoedelijk snel de overeenkomst met de opdrachtnemer opzeggen, gezien zijn ruime opzegbevoegdheid (zie paragraaf 4.2.1). De periode waarover de opdrachtnemer dan loon kan vorderen, is alsnog betrekkelijk kort. Deze gang van zaken deed zich bijvoorbeeld voor aan het begin van de coronacrisis; opdrachtgevers zegden de overeenkomsten met opdrachtnemers massaal op.3 De inkomensbescherming die schuldeisersverzuim kan bieden, zou als het ware een lege huls worden als de opdrachtgever de overeenkomst met onmiddellijke ingang kan opzeggen. Met andere woorden: de inkomensbescherming kan bij een langere periode waarin er geen werkzaamheden worden verricht door een oorzaak die aan de opdrachtgever is toe te rekenen, niet los worden gezien van de bescherming die een opzegtermijn kan bieden (zie paragraaf 4.2.2 en 4.3.2).