Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.5.7.2
2.5.7.2 Trust en beperkte beschikkingsbevoegdheid
Datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- JCDI
JCDI:ADS588064:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann & Verhagen 1999, p. 195 wijzen erop dat dit beeld overheersend is (geweest) in het Nederlandse begrip van de Engelse trust. Dit beeld heeft ertoe bijgedragen dat de trust bij het NBW niet is ingevoerd. Zie MvA II (2846), Parl. Gesch. Boek 3, p. 462 (bij titel 3.6), waar de minister de opvatting van de gehele vaste commissie onderschrijft, dat de invoering van de Engelse trust met haar dubbel eigendomsrecht in ons recht niet is gewenst. Ook Schmieman 2013, p. 615 beschrijft het Engelse trustrecht in termen van gesplitste eigendom.
Uniken Venema 1985, p. 92, met verwijzing naar Dyer; Aertsen 2004, p. 65.
Uniken Venema 1971, p. 186-190; Faber 1996, p. 239; Kortmann 1996, p. 188-190; Kortmann & Verhagen 1999, p. 207; Uniken Venema/Zwalve 2000, p. 122, 285 en 294-296; Wolfert 2001, p. 15/16 en 29; en Aertsen 2004, p. 90 e.v.
Uniken Venema 1985, p. 93, met verwijzing naar Van Loon; Snijders 1993 en Snijders 1997; Aertsen 2004; Koppenol-Laforce 2008, par. 2.1 en 2.2.
Aertsen 2004, p. 102. Vgl. ook Schmieman 2013, p. 618 die wel een rol ziet voor de beperkte beschikkingsbevoegdheid, maar niet aangeeft welke, en een verband legt met een Nederlands testamentair bewind.
Zie 2.5.4.3.
Uniken Venema 2000, p. 260.
Struycken 2007, p. 544.
Thomas & Hudson 2010, nr. 1.52.
Uniken Venema 1998, p. 356, verwijzend naar Hayton; Underhill & Hayton 2010, nr. 2.10.
Underhill & Hayton 2010, nr. 27.1 e.v. en 28.1.
Underhill & Hayton 2010, nr. 2.11.
Art. 11 van het op 1 juli 1985 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts, Tractatenblad 1985, 141 (Haags Trustverdrag), naar welk verdrag wordt verwezen in art. 10:126 BW.
Vaak wordt over de trust gesproken in termen van dual ownership, alsof het om gesplitste eigendomsrechten gaat.1 Dit is een ‘red herring’ genoemd, omdat het bij continentale juristen onjuiste gedachten oproept.2 In Nederlandse publicaties over de trust wordt er steevast op gewezen dat de aanspraken van de begunstigden van een trust niet alleen obligatoire, maar ook goederenrechtelijke karaktertrekken kent.3 Tal van constructies zijn aangedragen om deze meerzinnigheid in het Nederlandse rechtssysteem een plaats te geven of te benaderen, waaronder lastgeving en bewind, de kwalitatieve verbintenis, de fiduciaire eigendom en het bijzondere beperkte recht.4
Volgens mij kan de trust met het Nederlandse juridische begrippenkader worden beschreven in termen van een beperkte beschikkingsbevoegdheid van de trustee. De ‘goederenrechtelijke’ karaktertrekken van de trust schuilen in een zozeer beperkte beschikkingsbevoegdheid, dat de trustgoederen niet beschikbaar zijn voor uitwinning door privéschuldeisers van de trustee. En bij de fixed trust komt de beneficial interest van de begunstigden overeen met wat ik als de beneficiaire aanspraak heb aangeduid. Ook Aertsen wijst op het belang van de beperkte beschikkingsbevoegdheid. Hij stelt dat op de trustgoederen een goederenrechtelijk verband (het trustverband) rust, dat tot gevolg heeft dat de trustee de betrokken goederen ten behoeve van de begunstigde moet gebruiken en dat voorts de beschikkingsbevoegdheid van de trustee aan banden legt.5 Aertsen lijkt hiermee aan te geven dat de beperkte beschikkingsbevoegdheid van de trustee een gevolg is van het trustverband. Ik zie de beperkte beschikkingsbevoegdheid veeleer als belangrijke eigenschap van het trustverband.
Ik noem vijf punten waarin de beperkte beschikkingsbevoegdheid van de trustee naar voren komt en trek een vergelijking met de beperkte bevoegdheid van vennoten om te beschikken over hun aandelen in de tot het maatschapsvermogen behorende goederen (maatschapsgoederen).
Het eerste punt betreft de op het afgescheiden vermogen verhaalbare schulden. Doordat de beschikkingsbevoegdheid van de vennoot vergaand beperkt is, kunnen zijn privéschuldeisers zich niet op diens aandelen in de maatschapsgoederen verhalen.6 Op dezelfde grond kunnen de privéschuldeisers van de trustee zich niet op de trustgoederen verhalen. Bij de trust worden in beginsel alleen schulden uit hoofde van de lien van de trustee en de beneficial interest van de begunstigden aangemerkt als tot het trustvermogen behorende schulden. Enigszins verwarrend stelt Uniken Venema dat bij de trust trustschulden niet tot het afgescheiden vermogen behoren, maar dat de trustee zich intern wel op het trustvermogen kan verhalen.7 Bij het interne verhaalsrecht gaat het juist om een trustschuld. Het verschil tussen trust en maatschap betreft niet de vraag óf er schulden tot het afgescheiden vermogen behoren, maar welke. Vaak zullen bij een maatschap zowel interne als externe schulden tot het maatschapsvermogen behoren. Schulden uit hoofde van (regres)vorderingen van vennoten behoren tot het maatschapsvermogen. Net als bij de trust kunnen deze regresrechten onder bepaalde omstandigheden worden uitgeoefend door schuldeisers van vennoten (art. 7:421 BW).
Struycken merkt in zijn bespreking van het afgescheiden vermogen op dat alleen indien de vatbaarheid van een goed voor beslag en de beschikkingsbevoegdheid over datzelfde goed worden beschouwd als twee zijden van dezelfde medaille, de beperking van de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers kan worden aangemerkt als een beperking van de bevoegdheden die in algemene zin ten aanzien van een goed bestaan. In dit perspectief heeft de figuur van een afgescheiden vermogen volgens Struycken minder van doen met de onsplitsbaarheid van de vermogensrechten dan met de bevoegdheden om over andermans goed te beschikken.8 Deze opmerking past uitstekend in het door mij geschetste verband tussen vermogensscheiding en beschikkingsbevoegdheid: de omstandigheid dat de privéschuldeiser van een trustee geen verhaal kan nemen op trustgoederen, kan worden aangeduid als uitvloeisel van de vergaand beperkte omvang van de beschikkingsbevoegdheid van de trustee.
Het tweede punt betreft het gegeven dat een trust in beginsel niet met bepaalde specifieke goederen verbonden is, maar met bundles of property die door renteinkomsten aangevuld en door vervreemding en verkrijging vervangen kunnen worden.9 Vervreemding en verkrijging van trustgoederen kan zoals gezegd leiden tot vervanging, maar het betreft geen zaaksvervanging. De bundles of property benadering kan goed in termen van beperkte beschikkingsbevoegdheid worden opgevat. De trustee is beperkt in zijn bevoegdheid om te beschikken over de goederen die van tijd tot tijd tot het trustvermogen behoren. De door de doelbestemming van het vermogen bepaalde beperking van de beschikkingsbevoegdheid bundelt de betrokken goederen. Hetzelfde geldt voor de maatschapsgoederen, die door de vennoten q.q. worden gehouden.
Het derde punt betreft het geval waarin een trustee in breach of trust een tot het trustvermogen behorend goed vervreemdt. Bij de fixed trust kan dan sprake zijn van wanprestatie van de trustee, maar er is meer. De begunstigden kunnen de derde-verkrijger dwingen tot afgifte van het goed, tenzij deze te goeder trouw is.10 Dit sluit goed aan bij de gevolgen die het Nederlandse recht aan vervreemding door een beschikkingsonbevoegde verbindt. Neem het geval waarin een beperkt beschikkingsbevoegde deelgenoot in een gemeenschappelijk goed zijn aandeel onbevoegd vervreemdt.11 Dan kunnen de overige deelgenoten de beschikkingsonbevoegdheid tegenover de derde inroepen, behoudens derdenbeschermingsbepalingen.12 Net als bij de trust komt dit recht toe aan anderen dan de rechthebbende op het vervreemde goed, i.c. het vervreemde aandeel. Men kan het aldus verwoorden dat de beperking van de beschikkingsbevoegdheid kan worden ingeroepen door de begunstigde van de beperking.
Als een derde van de onbevoegd handelende trustee verkrijgt, kan naar Engels recht bij de verkrijger een constructive trust ontstaan. Niet alleen op de trustgoederen die zich nog in het vermogen van de verkrijger bevinden, maar ook op goederen die daar weer voor in de plaats treden.13 Voorbeeld: de trustee draagt een trustgoed over als ware het een privégoed en laat zich op zijn privérekening betalen. De verkrijger van het goed is te kwader trouw. Dat dit goed dan bij de verkrijger wordt onderworpen aan de constructive trust kan m.i. met het begrip beperkte beschikkingsbevoegdheid worden gevangen. De hoedanigheid van verkrijger (die i.c. wordt bepaald door zijn kwade trouw) brengt mee dat het goed, en hetgeen daarvoor weer in de plaats treedt, wordt onderworpen aan dezelfde beperking van beschikkingsbevoegdheid als voor de trustee gold. Hier manifesteert zich dat het Engelse (trust)recht in meer gevallen uitgaat van beperkte beschikkingsbevoegdheid dan het Nederlandse recht. Het doet er niet aan af dat de rechtsgevolgen goed met de figuur van de beperkte beschikkingsbevoegdheid benoemd kunnen worden.
Het vierde punt betreft het geval van vervanging van de trustee. Goederen die door de oude aan de nieuwe trustee zijn overgedragen én goederen die nog niet aan de nieuwe trustee zijn overgedragen blijven onder het trustverband. Ook dit kan goed vanuit een beperkte beschikkingsbevoegdheid worden verklaard. De vervanging van de trustee laat onverlet dat de oude trustee slechts q.q. gerechtigd blijft tot de goederen die nog niet zijn overgedragen. En de beschikkingsbevoegdheid die door overdracht op de nieuwe trustee overgaat, wordt door de overdracht niet groter (nemo-plus). Hetzelfde geldt bij een vennotenwissel in een maatschap.
Het vijfde en laatste punt is ipr-technisch van aard. Toepasselijkheid van Frans goederenrecht op een goed sluit toepassing van Engels trustrecht niet uit.14 Vergelijk in dit verband dat beschikkingsonbevoegdheid naar Nederlands maatschaps- en gemeenschapsrecht kan voortvloeien uit de (door het Nederlandse recht bepaalde) aard van de rechtsverhouding tussen de deelgenoten, ook als het goederen betreft waarvan buitenlands recht het goederenrechtelijk regime vormt. Dit ipr-aspect komt ook naar voren in het op de trust toepasselijke Nederlandse ipr. Kramer en Verhagen bespreken het geval dat een goed waarvan de levering wordt beheerst door Nederlands recht, onderworpen is aan een Anglo-Amerikaanse express trust. Als de trustee dat goed onbevoegd vervreemdt, dan bepaalt het op de trust toepasselijke recht in beginsel in welke gevallen er een teruggaveverplichting voor de derde-verkrijger bestaat.15 Dit toepasselijke trustrecht kan volgens deze auteurs het beste worden ‘geassimileerd’ door de Nederlandse regels over beperkte beschikkingsbevoegdheid toe te passen.16 Daar sluit ik mij bij aan.