Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.3.2
IV.5.3.2 Strijd met een wettelijke plicht
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460153:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent wat ik schrijf verderop in par. IV.5.3.2 onder het kopje ‘A) Het kwalitatieve bestanddeel’, met verdere verwijzingen aldaar.
Zoals artikelen 173a en 173b Sr. Het is algemeen aanvaard dat delictsomschrijvingen uit het Wetboek van Strafrecht en andere wettelijke strafbepalingen (bij uitstek) kunnen fungeren als bronnen van wettelijke plichten, aldus Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 5.2.2. Zie voorts Asser/Sieburgh 6-IV 2019/44.
Een voorbeeld uit de jurisprudentie van handelen in strijd met een wettelijke plicht door het zonder de vereiste vergunning storten van tuinvuil op een aan eisers erf grenzend perceel, is HR 17 september 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4439, NJ 1983/278, m.nt. Scheltema (Zegwaard/Knijnenburg). Zie voorts HR 9 januari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4127, NJ 1981/227, m.nt. Brunner (Van Dam/Beukeboom) over het schenden van een hinderwetvergunningsvoorschrift. Voor meer voorbeelden, zie Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 5.2.4 en 5.4.
Zie par. II.2.2 en II.2.5. Ook in het bestuursrechtelijke hoofdstuk kunnen toelichting en voorbeelden worden gevonden van de werking van de verschillende voorbeelden. Zie met name par. III.3.
Zie uitvoerig par. II.2.3 en par. II.2.7.
Op grond van een subjectief recht of het ongeschreven recht kan een bepaald soort handelen of nalaten in een concreet geval verboden zijn. Dit kan worden gezien als een objectief bestanddeel. Verder zou je bijvoorbeeld kunnen zeggen dat bepaalde zorgplichten die voortvloeien uit mensenrechten zijn geadresseerd aan de overheid, niet aan private actoren. Dit kun je duiden als een kwalitatief bestanddeel. Wanneer het schenden van de norm uit het ongeschreven recht een bepaalde geestesgesteldheid vereist, zou je kunnen spreken van een subjectief bestanddeel.
De handeling van een ander kan onder omstandigheden worden toegerekend aan de leidinggevende. Zie hierna onder het kopje ‘B) Het objectieve bestanddeel’.
In deze paragraaf gebruik ik betrekkelijk eenvoudige voorbeelden om de betekenis en de werking van de bestanddelen te verduidelijken. Complexere voorbeelden en aanvullende handvatten kunnen worden gevonden in paragraaf II.3.3 en II.3.4.
Voor de liefhebbers: strikt genomen blijft ook bij strafbare deelneming geen bestanddeel onvervuld. Bij alle deelnemingsvormen geldt het accessoriteitsvereiste: er moet sprake zijn van een strafbaar feit, en daarvoor moeten (al dan niet door verschillende personen) alle bestanddelen zijn vervuld (zie par. II.5.2.2). Als ik het goed zie, zou je de deelnemingsfiguren kunnen beschouwen als meta-delicten die bovenop het strafbare feit worden geschoven, waarbij iedere deelnemingsvorm eigen objectieve bestanddelen (de verboden betrokkenheid), een subjectief bestanddeel (opzet op het gronddelict) en in het geval van feitelijk leidinggeven een kwalitatief bestanddeel (er moet een bepaalde relatie zijn tussen de feitelijk leidinggever en de rechtspersoon) heeft. Om te compenseren dat de dader zelf niet alle bestanddelen vervult, stellen de deelnemingsfiguren aanvullende eisen die – zodra vervuld – aansprakelijkheid toch mogelijk maken.
Let wel: ook de niet-normadressaat kan handelen in strijd met een zelfstandige aanverwante ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Zie hierna par. IV.5.3.4 over reflexwerking van wettelijke voorschriften naar het ongeschreven recht.
Voor een uitvoerige bespreking van de normen die zijn geadresseerd aan bestuurders, zie par. II.2.5 en III.5.
Behoudens de in lid 2 en 3 geregelde vrijstellingen. Zie uitvoeriger over de adressering van deze norm par. II.2.5.4.
Of je kunt stellen dat iedereen het kwalitatieve bestanddeel kan vervullen. Potato potatoe.
Zie voorts par. II.2.5.4.
Bedrijven zullen in de regel kunnen worden aangemerkt als milieu-inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Voor milieu-inrichtingen gelden de voorschriften die voortvloeien uit de Wm en Wabo. Zie uitvoerig omtrent milieu-inrichtingen, vergunningsvoorschriften en algemene regels par. III.5.3.
Zie over de normadressaat van algemene regels par. III.5.3.3, en van vergunningsvoorschriften par. III.5.3.4.
De toets die wordt gehanteerd voor het vaststellen van drijverschap heb ik uitgewerkt in par. III.5.4 en Bleeker 2019a.
Zeggenschap over de naleving van een enkele norm is niet voldoende: de zeggenschap moet over een groot genoeg deel van de inrichting zijn voordat een persoon kan worden aangemerkt als deeldrijver. Hoe breed dat deel moet zijn, bespreek ik in het kader van de zijgrenzen van de zeggenschapstoets. Zie hieromtrent par. III.5.4.2 en III.5.4.3.
Als de moedervennootschap verschillende dochters onder haar hoede heeft, zullen de dochtervennootschappen vermoedelijk kunnen worden gekwalificeerd als verschillende milieu-inrichtingen met ieder een eigen drijver, of – als de dochtervennootschappen allen deel uitmaken van dezelfde milieuinrichting – dan zal er sprake zijn van deeldrijverschap, waarover uitvoerig in par. III.5.4.3.
Let wel: het normadressaatschap van de zus is pas het begin van de aansprakelijkheidstoets. Voor de onrechtmatigheid in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW moet ook worden bewezen dat de andere bestanddelen van het wettelijke voorschrift zijn vervuld door de zus óf dat de zus strafbaar heeft deelgenomen aan de overtreding, waarover hierna meer. Voor een schadevergoeding gelden daarnaast ook nog de andere voorwaarden van artikel 6:162 BW, zoals toerekenbaarheid en causaliteit. Voorts moet de eiser bewijzen dat de schade ook in redelijkheid aan de zus kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW. Met andere worden: de normadressaat is niet automatisch aansprakelijk tot schadevergoeding als er sprake is van een normschending binnen het bedrijf.
Zoals hieronder zal blijken kan onder omstandigheden de niet-normadressaat van een wettelijk voorschrift, tóch onrechtmatig handelen op grond van deelneming en/of op grond van de schending van een zelfstandige, afgeleide ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Zie par. IV.5.3.4 onder het kopje ‘Reflexwerking van wettelijke voorschriften’ en verderop in par. IV.5.3.2 onder het kopje ‘Strafrechtelijk deelnemen’.
De schadevergoeding is dan nog niet toewijsbaar: hiervoor moet ook worden voldaan aan de andere vereisten van artikel 6:162 BW, en bovendien moet de geleden schade in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan de leidinggevende in de zin van artikel 6:98 BW.
Een voorbeeld uit de jurisprudentie kan worden gevonden in Rb. Rotterdam 18 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:6342, m.n. r.o. 2.5. Deze zaak ging over de vraag of een tweedehands auto-onderdelenhandelaar onrechtmatig handelt door onderdelen uit gestolen auto’s te verhandelen. Het beroep op de administratieplicht faalt, omdat deze verplichting alleen geldt voor autohandelaren, niet voor onderdelenhandelaren. Reeds omdat gedaagde geen normadressaat is, heeft hij niet in strijd gehandeld met een wettelijke plicht.
Overigens, zoals ik ook heb geconstateerd in par. II.2.5.4, rusten er verschillende milieuverplichtingen persoonlijk op leidinggevenden, waardoor het kwalitatieve bestanddeel doorgaans geen obstakel zal vormen voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Anders dan bijvoorbeeld in fiscale regels of mededingingsvoorschriften, worden in het milieurecht natuurlijke personen met een leidinggevende functie binnen een onderneming vaak ook persoonlijk geadresseerd.
Mogelijk is deze manier van handelen wel in strijd met een ander wettelijk voorschrift, of onder omstandigheden met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.
Het leerstuk van functioneel plegerschap komt uitvoerig aan bod in par. II.3.4.
HR 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3, NJ 1954/378, m.nt. Röling (IJzerdraad). Terzijde merk ik hier nog op dat ook door een ‘vergeestelijkte interpretatie van de delictsgedraging’ het objectieve bestanddeel kan worden vervuld, zonder dat de IJzerdraad-criteria eraan te pas komen. Zie hierover uitvoerig par. II.3.4.
Zie hieromtrent ook wat ik schrijf in par. IV.5.2.
Par. II.3.4.
Zie hieromtrent uitvoerig en met meer voorbeelden uit het milieuaansprakelijkheidsrecht, par. II.3.4.5.
HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest), r.o. 3.4. Voor meer handvatten voor de toepassing van het aanvaardingsvereiste in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, zie par. II.3.4.5 onder het kopje ‘aanvaarding’.
Dit begrip licht ik toe in par. II.2.2.
Omdat het kwalitatieve en objectieve bestanddeel in casu zijn vervuld, en het voorschrift geen subjectief bestanddeel bevat, heeft de leidinggevende in kwestie onrechtmatig gehandeld in de zin van artikel 6:162 lid 2. Ik blijf het herhalen: daarmee is de leidinggevende nog niet schadevergoedingsplichtig: hij moet ook de overige vereisten vervullen. Bij een methaanlek zal de civiele aansprakelijkheid vermoedelijk vastlopen op een gebrek aan schade. Zie hieromtrent par. IV.5.6.
Bauw & Brans 2003, p. 67.
In HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0341, NJ 2004/292, m.nt. Brunner (Wateringen/GIK) oordeelde de Hoge Raad dat art. 1.1a Wm niet een norm bevat die wat betreft de aansprakelijkheid voor saneringskosten naast het bepaalde in art. 6:162 BW zelfstandige betekenis heeft.
Zie hierna onder par. IV.4.3.4.
Waarover hierna meer onder par. IV.5.4.
Aldus ook Asser/Sieburgh 6-IV 2019/44, met een voorbeeld gebaseerd op artikel 350 Sr. Overigens zou het door mij gebruikte voorbeeld ook strijd kunnen opleveren met een ander wettelijk voorschrift, bijvoorbeeld uit de Wbb.
Over de overlappende daderschapsvormen, zie par. II.5.2.1.
Ik heb deelneming ondergebracht bij de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijke plicht’. Maar vanzelfsprekend is strafbare deelneming op zichzelf ook in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid.
Voor een stroomschema om een geschikte daderschapsvorm te kiezen, zie par. II.6.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis (Overzichtsarrest medeplegen). Zie hieromtrent uitvoerig par. II.5.3.
Zie o.a. De Jong 2007, p. 118-119; Knigge en Wolswijk 2015, p. 262-263; Postma 2014, par. I.3.3; De Hullu 2018, p. 449-451, 471. Bij voorschriften zonder subjectief bestanddeel is slechts vereist dat de medepleger weet heeft van het plaatsvinden van de verboden gedraging.
Nu kan worden betwijfeld of het aandeel van de werknemer in de normschending voldoende is om een deel van de schade die een eiser eventueel lijdt te verhalen op de werknemer. Maar door middel van een rechterlijk bevel kan bijvoorbeeld wel worden geëist dat de werknemer zijn bijdrage aan het schenden van de vergunningsplicht staakt.
Onnodig veel, zo betoog ik in het strafrechtelijke hoofdstuk, aangezien de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden beter kan worden beoordeeld via de aansprakelijkheidsfiguur plegen. Zie daarover par. II.5.4 en II.6.
Dit betreft dus twee gevalstypen, de standaardsituatie (‘direct’) en de ondergrens van feitelijk leidinggeven (‘indirect’), voor deze gevallen zijn verschillende gezichtspunten ontwikkeld. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375, m.nt. Wolswijk (Overzichtsarrest feitelijk leidinggeven), r.o. 3.5.1.
HR 16 december 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9607, NJ 1987/321 en 322, m.nt. ’t Hart (Slavenburg II).
Deze casus is gebaseerd op Rb. Dordrecht 16 februari 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BL4377, M&R 2010/33, m.nt. Douma (De grote Wade).
In dit voorbeeld kan de bestuurder ook worden aangemerkt als drijver van de inrichting. Verder had de bestuurder de beschikkingsmacht die nodig is om de overtreding van de vergunningsvoorschriften te voorkomen, en kan worden gezegd dat hij de schending heeft aanvaard. Daarom handelt de bestuurder ook zelf in strijd met het betreffende milieuvoorschrift. Voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden is de aansprakelijkheidsfiguur ‘feitelijk leidinggeven’ daarom enigszins omslachtig te noemen. Deze figuur komt beter tot zijn recht voor de aansprakelijkheid van leidinggevenden voor de schending van voorschriften die zijn geadresseerd aan de rechtspersoon, bijvoorbeeld fiscale of mededingingsrechtelijke voorschriften.
Zie hieromtrent uitvoeriger par. II.5.3.3.
Ik gebruik hier bewust het woord ‘misdrijf ’ in plaats van ‘overtreding’, omdat medeplichtigheid aan overtredingen (lichtere vergrijpen dan misdrijven) niet strafbaar is.
Zie voor de vereisten voor een rechterlijk bevel par. IV.6.
Zo moet de deelnemer in beginsel opzet hebben op alle bestanddelen van het grondfeit, waarover meer in par. II.5.2.3.
Bestanddelen van een wettelijk voorschrift
De eerste onrechtmatigheidsgrond van artikel 6:162 lid 2 BW die ik hier bespreek is ‘doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht’.1 Deze onrechtmatigheidsgrond speelt een belangrijke rol bij de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. De milieurelevante activiteiten van bedrijven zijn namelijk sterk gereguleerd: voor bijna iedere situatie waarin een bedrijf (zonder toestemming of daartoe strekkende vergunning) milieuschade veroorzaakt bestaat een bijpassende milieunorm. Bovendien heeft de wetgever ervoor gekozen om milieunormen niet alleen aan de exploiterende rechtspersoon te adresseren, maar ook aan de natuurlijke personen binnen de rechtspersoon met zeggenschap over de milieurelevante activiteiten.2
Voor de milieuaansprakelijkheid van de leidinggevende zijn verschillende soorten wettelijke voorschriften relevant. Gedacht kan worden aan milieuregels van EU-recht met horizontale rechtstreekse werking, aan bepalingen opgenomen in wetten in formele zin, zoals milieubepalingen in het Wetboek van Strafrecht,3 of aan bepalingen opgenomen in wetten in materiële zin, zoals milieuregels uit plaatselijke verordeningen en verplichtingen die voortvloeien uit een milieuvergunning.4
De aanduiding ‘strijd met een wettelijke plicht’ in artikel 6:162 lid 2 BW is een doorgeefluik: de norm waaraan moet worden getoetst is te vinden in een ander wettelijk voorschrift. Het wettelijke voorschrift kan vervolgens weer bestaan uit verschillende aansprakelijkheidsvereisten. Pas als aan alle constitutieve vereisten van het wettelijk voorschrift is voldaan, is er sprake van handelen in strijd met een wettelijk voorschrift in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW.
Om te beoordelen of een leidinggevende voldoet aan alle aansprakelijkheidsvereisten van een wettelijk voorschrift, is het onderscheid dat ik heb gehanteerd in de eerdere hoofdstukken – tussen objectieve, subjectieve en kwalitatieve bestanddelen – behulpzaam. Deze bestanddelen geven structuur aan de onrechtmatigheidstoets wanneer een beroep wordt gedaan op de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijke plicht’. De structuur helpt voorkomen dat wettelijke vereisten voor de onrechtmatigheid van een gedraging over het hoofd worden gezien, waardoor een leidinggevende aansprakelijk wordt gehouden voor een overtreding die hij niet heeft begaan. Enige kennis van de kenmerken van de verschillende bestanddelen maakt het bovendien makkelijker om te beoordelen of de bestanddelen in een concreet geval zijn vervuld. Voor een uitvoerige bespreking met voorbeelden van de bestanddelen verwijs ik naar het strafrechtelijke hoofdstuk.5 Hierna geef ik een korte samenvatting van wat ieder bestanddeel inhoudt.
Een wettelijk voorschrift kan aansprakelijkheidscriteria bevatten die betrekking hebben op een bepaald soort handelen of een bepaalde situatie verbieden. Dergelijke aansprakelijkheidscriteria worden objectieve bestanddelen genoemd. Het gaat met andere woorden om een bepaald soort verplichting; iets dat moet- of juist niet mag gebeuren. Sommige wettelijke voorschriften kunnen meerdere objectieve bestanddelen bevatten, bijvoorbeeld wanneer er naast een bepaalde verboden handeling ook sprake moet zijn van een bepaald verboden gevolg. Het geheel aan objectieve bestanddelen wordt de objectieve zijde van het delict genoemd.
Waar het objectieve bestanddeel draait om een verboden gedraging of situatie, staat bij het subjectieve bestanddeel de geestesgesteldheid van de dader centraal. In dit type bestanddeel kan een bepaald schuldverband worden vereist, dus opzet (‘dolus’ – willens en wetens of de aanmerkelijke kans aanvaardend) of schuld (‘culpa’ – verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid).6
Het kwalitatieve bestanddeel stelt eisen aan de hoedanigheid van de dader. Dat betekent dat de verplichting uit het wettelijke voorschrift niet geldt voor iedereen, maar alleen voor personen die de hoedanigheid uit het kwalitatieve bestanddeel bezitten. Er wordt ook wel gesproken van ‘adressering van de norm’. Degene op wie de verplichting uit het wettelijke voorschrift rust, wordt de normadressaat genoemd.
Sommige wettelijke voorschriften bevatten alleen een objectieve zijde, bij andere delicten is er ook sprake van een kwalitatief of subjectief bestanddeel, bij sommige delicten zijn zelfs alle drie aanwezig. Hier geldt ook: een halve schending van een wettelijk voorschrift is geen schending. Dat betekent dat als een wettelijk milieuvoorschrift meerdere bestanddelen heeft, een leidinggevende in beginsel pas in strijd handelt met een wettelijke plicht wanneer alle bestanddelen zijn vervuld.
Terzijde: het denken in termen van bestanddelen is ook mogelijk bij de andere onrechtmatigheidsgronden.7 Het ontleden tot bestanddeelniveau, heeft echter de grootste meerwaarde als er sprake is van een op voorhand vaststaande norm. Bij een wettelijk voorschrift helpen de bestanddelen te begrijpen welke vereisten er precies gelden voor de onrechtmatigheid, hoe die vereisten zich tot elkaar verhouden en wanneer een specifiek vereiste vervuld is. Bij de onrechtmatigheidscategorieën ‘inbreuk op een recht’ en ‘strijd met het ongeschreven recht’ is er – anders dan bij strijd met een wettelijke plicht – in principe geen sprake van een op voorhand vaststaande norm die ontleed kan worden. Bij de andere onrechtmatigheidsgronden is de norm telkens nauw verbonden met de omstandigheden van het concrete geval. Daarom bespreek ik de bestanddeelbenadering hier in het kader van strijd met een wettelijke plicht.
Verhouding ‘strijd met een wettelijke plicht’ tot strafrechtelijke aansprakelijkheidsfiguren
De werking en betekenis van bestanddelen van een wettelijk voorschrift verschillen niet per rechtsgebied, maar vloeien voort uit het voorschrift zelf. De onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijke plicht’ komt dan ook materieel gezien overeen met de strafrechtelijke aansprakelijkheidsfiguur ‘plegen’: in beide gevallen moet voor aansprakelijkheid de leidinggevende zelf alle bestanddelen van het delict vervullen. Dus als een voorschrift zowel een kwalitatief, objectief als subjectief bestanddeel heeft, dan moet voor de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijke plicht’ worden nagegaan of de hoedanigheid, handeling8 en geestesgesteldheid van de gedaagde beantwoorden aan de inhoud (‘delictsomschrijving’) van het wettelijke voorschrift. Daarom geldt wat ik schrijf in het strafrechtelijke hoofdstuk over het plegen van een milieudelict mutatis mutandis ook voor de civiele milieuaansprakelijkheid in het kader van strijd met een wettelijke plicht.9
Er bestaat een uitzondering op de regel dat een gedaagde alleen in strijd handelt met een wettelijke plicht wanneer hij alle bestanddelen van een wettelijk voorschrift vervult. Sommige vormen van betrokkenheid bij het schenden van een wettelijk voorschrift zijn namelijk ook bij wet verboden gesteld.10Titel V van het Wetboek van Strafrecht bepaalt wanneer betrokkenheid bij een strafbaar feit ook strafwaardig is. In die titel worden verschillende deelnemingsvormen uitgewerkt, waaronder medeplegen (art. 47 lid 1 Sr), medeplichtigheid (art. 48 Sr) en feitelijk leidinggeven (art. 51 lid 2 Sr). Als iemand aansprakelijk wordt gesteld voor het op strafbare wijze deelnemen aan het schenden van een wettelijk voorschrift, dan vervult deze persoon weliswaar niet zelf de bestanddelen van het geschonden voorschrift. Doordat diegene echter op een bij wet verboden wijze betrokken is geweest bij de wetsovertreding, is er nog steeds sprake van ‘strijd met een wettelijke plicht’ in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. De wettelijke plicht waarmee in strijd is gehandeld, kan dan worden gevonden door het geschonden wettelijke voorschrift te lezen in samenhang met artikel 47, 48 of 51 Sr.
Voor milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden gebaseerd op de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijke plicht’, moet de leidinggevende dus zelf alle bestanddelen van het milieuvoorschrift vervullen (plegen) of betrokken zijn bij de milieuovertreding die verboden wordt gesteld in Titel V van het Wetboek van strafrecht (deelnemen). Om redenen die uitvoerig worden besproken in paragraaf II.6, ligt de weg van ‘plegen’ het meest voor de hand bij het aansprakelijk stellen van een leidinggevende voor een milieuovertreding, en zijn de deelnemingsvormen pas relevant als vangnet voor atypische gevallen.
Hierna geef ik per type bestanddeel enkele handvatten voor de beoordeling of een leidinggevende het bestanddeel heeft vervuld. Daarna bespreek ik op welke manier een leidinggevende door deelneming aan een milieuovertreding handelt in strijd met een wettelijke plicht.
A) Het kwalitatieve bestanddeel (normadressaatschap)
Alleen degene die wordt geadresseerd door een norm, kan hem overtreden.11 Daarom is in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden op grond van een doen of nalaten ‘in strijd met een wettelijke plicht’, een goede eerste stap om na te gaan of de leidinggevende in kwestie normadressaat is van het wettelijke voorschrift. De adressering van een wettelijk voorschrift is niet rechtsgebied-afhankelijk, maar normafhankelijk. Wat ik in de vorige twee hoofdstukken heb geschreven over normadressaatschap gaat dus ook op in dit hoofdstuk. Ik houd het daarom hier bij een aantal algemene constateringen met enkele verduidelijkende voorbeelden.12
Het uitgangspunt is dat een wettelijk voorschrift voor een ieder geldt. Als geen specifieke adressaat wordt genoemd in een milieuvoorschrift, dan moet in beginsel iedereen – dus ook een leidinggevende – de norm naleven.
Artikel 10.2 lid 1 Wm luidt bijvoorbeeld als volgt: “Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze (...) buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.” Het is een algemeen geformuleerd verbod; aan de verplichting wordt geen hoedanigheid verbonden. Dat betekent dat niemand buiten een inrichting afvalstoffen mag storten of verbranden.13 Dit voorschrift heeft dus geen kwalitatief bestanddeel dat moet worden vervuld voordat er strijd is met een wettelijke plicht.14
Met een kwalitatief bestanddeel kan de wetgever de kring van personen voor wie het wettelijke voorschrift geldt verkleinen. Als de aangesproken leidinggevende niet behoort tot de geadresseerde kring van personen, dan hoeft hij de betreffende verplichting niet na te leven. Alleen de normadressaat kan immers het kwalitatieve bestanddeel vervullen.
Een voorbeeld van een kwaliteitsdelict is artikel 19 lid 1 Meststoffenwet. Dit artikel bepaalt dat het verboden is voor de landbouwer om meer varkens te houden dan het op het bedrijf rustende varkensrecht toelaat.15 De definitie van landbouwer kan worden gevonden in de begrippenlijst van artikel 1 van de Meststoffenwet, en krijgt nader invulling in de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie.16 Het verbod geldt alleen voor leidinggevenden die kunnen worden aangemerkt als ‘landbouwer’; andere leidinggevenden kunnen niet in strijd handelen met dit wettelijke voorschrift.
Milieunormen zijn dus niet altijd tot iedereen gericht. Door het kwalitatieve bestanddeel is het ook mogelijk dat bepaalde personen binnen een onderneming wél, en een andere persoon binnen de onderneming niét gehouden is om een bepaalde norm na te leven.
Stel bijvoorbeeld dat in een agrarisch bedrijf met twee bestuurders meer varkens worden gehouden dan toegestaan: de eerste bestuurder houdt zich bezig met de landbouwactiviteiten waaronder de verzorging van varkens, en de tweede bestuurder doet het klantencontact en regelt de financiering. Aangenomen dat de tweede bestuurder niet kan worden aangemerkt als landbouwer, dan is het voorschrift uit de Meststoffenwet niet tot hem gericht, en dan kan hij er (dus) ook niet mee in strijd handelen. Als omwonenden die overlast ervaren van het varkensoverschot een schadevergoeding zouden willen vorderen van de tweede bestuurder in verband met de schending van artikel 19 lid 1 Msw, dan loopt de vordering vanwege het onvervulde kwalitatieve bestanddeel reeds vast op het onrechtmatigheidsvereiste van artikel 6:162 lid 2 BW.
Een belangrijke categorie milieunormen voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden wordt gevormd door vergunningsvoorschriften en algemene regels die voortvloeien uit de Wet Milieubeheer; dit zijn de normen die de milieurelevante activiteiten van bedrijven reguleren.17 De wetgever heeft er namelijk bewust voor gekozen om niet alleen de exploiterende rechtspersoon adressaat te maken van deze normen, maar de normen ook te adresseren aan bepaalde leidinggevende natuurlijke personen binnen de rechtspersoon. Milieuvergunningsvoorschriften en de algemene regels zijn namelijk gericht tot ‘degene die de inrichting drijft’.18 Drijver van de inrichting zijn personen die feitelijk zeggenschap hebben over (de exploitatie van) de inrichting en/of over de activiteiten en het gebruik van het onroerend goed ten behoeve van het verrichten van die activiteiten.19 Juridische zeggenschap is een aanwijzing maar niet doorslaggevend; het gaat om de feitelijke situatie.
Om te bepalen welke leidinggevenden wél en welke leidinggevenden niét kunnen worden aangemerkt als drijver van de inrichting, heb ik in het bestuursrechtelijke hoofdstuk de zeggenschapstoets onderzocht en verder uitgewerkt. Ook voor de privaatrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden is het drijversbegrip belangrijk. Het drijverschap van de leidinggevende is immers een noodzakelijke voorwaarde voor het schenden van een vergunningvoorschrift of algemene regel die de milieuimpact van het bedrijf reguleert. Ik geef hierna enkele aanwijzingen en voorbeelden om de afbakening van het drijversbegrip te verduidelijken. Voor een uitvoerige bespreking van de voor het vaststellen van drijverschap ontwikkelde zeggenschapstoets verwijs ik door naar paragraaf III.5.4.
Zeggenschap is een breed begrip. Binnen een inrichting heeft vrijwel iedere betrokkene wel enige zeggenschap over iets wat er gebeurt. Bij het achterhalen van de drijver van de inrichting, rijst de vraag hoeveel zeggenschap voldoende is, en waarop die zeggenschap betrekking moet hebben. De zeggenschapstoets heeft een ondergrens: de zeggenschap van de drijver moet in ieder geval zodanig zijn dat hij feitelijk kan bewerkstelligen dat binnen (een deel van20) de inrichting conform de voorschriften wordt gehandeld. Staat een leidinggevende te laag in de hiërarchische keten om de naleving van een bepaald voorschrift feitelijk af te dwingen, dan is deze persoon geen normadressaat van het geschonden voorschrift.
Stel dat in de vergunning van een chemische fabriek wordt geëist dat een bepaalde machine wordt geïnstalleerd op een vloeistofvaste ondergrond. Als deze ondergrond ontbreekt en bodemverontreiniging bij omwonenden ontstaat, rijst in het kader van de onrechtmatigheidstoets de vraag wie kan worden aangemerkt als drijver van de inrichting. Omdat het aanleggen van deze vloer kostbaar en ingrijpend is, zal naast de exploiterende rechtspersoon vermoedelijk alleen de bestuurder (of de bestuurders) van de rechtspersoon met de taak en bevoegdheid om onroerend goed te beheren kunnen worden aangemerkt als normadressaat van dit vergunningsvoorschrift. De verplichting om zorg te dragen voor de vloeistofvaste bodem, zal gelet op de ondergrens van de zeggenschapstoets, bijvoorbeeld niet rusten op de teamleider van de werknemers die de machine bedienen.
Binnen een inrichting kunnen meerdere personen voldoen aan de zeggenschapstoets. Daarom kan een inrichting meerdere drijvers hebben. Deze drijvers kunnen in verticale relatie of horizontale relatie tot elkaar staan. Er is sprake van verticale relatie wanneer naast de drijver een hiërarchisch gezien hogere (rechts)persoon dusdanige zeggenschap heeft over (de exploitatie van) de inrichting, dat deze (rechts)persoon ook zelf kan worden aangemerkt als drijver.
Deze vorm van drijverschap kan bijvoorbeeld van toepassing zijn in concernverhoudingen. Als de moedervennootschap of de bestuurders van de moedervennootschap feitelijke zeggenschap heeft/hebben over de exploitatie van de dochterondernemingen, en kan/kunnen bewerkstelligen dat aldaar de inrichtinggerelateerde milieuvoorschriften worden nageleefd, dan kan/kunnen zij worden aangemerkt als ‘hoofddrijvers’.21
Bij horizontaal drijverschap zijn er op hetzelfde niveau verschillende (rechts)personen betrokken bij het exploiteren van de inrichting. Als twee of meer natuurlijke personen gezamenlijk de hele inrichting drijven, dan worden ze mededrijvers genoemd. Mededrijvers zijn ieder normadressaat van alle vergunningsvoorschriften en algemene regels die gelden voor de milieurelevante activiteiten van de inrichting.
Om verder te gaan op het voorbeeld van de chemische fabriek: stel dat het bestuur van de fabriek bestaat uit twee zussen. Als de zussen gezamenlijk de hele inrichting exploiteren, en op de werkvloer wordt naar beide zussen geluisterd, dan is er sprake van mededrijverschap. De zussen zijn dan allebei gehouden tot de naleving van de vergunningsvoorschriften. Wanneer een omwonende een zus persoonlijk aansprakelijk wil stellen voor milieuschade ten gevolge van het schenden van een voorschrift dat is gericht tot degene die de inrichting drijft, dan kan de betreffende zus zich niet verweren met de stelling dat onrechtmatigheid ontbreekt omdat zij geen normadressaat is.22
Wanneer een natuurlijke persoon met leidinggevende functie alleen zeggenschap heeft over een deel van de inrichting, dan wordt hij ‘deeldrijver’ genoemd. Deeldrijvers zijn slechts normadressaat van de regels met betrekking tot hun ‘eigen deel’ van de inrichting.
Het volgende voorbeeld kan dit verduidelijken. Bestuurder X exploiteert (als directeur en enig aandeelhouder van een daarvoor opgerichte BV) een inrichting waarin bedrijfsafval wordt opgeslagen en afvalwater wordt verwerkt. In dat afvalcentrum heeft afdelingsleider A zeggenschap over de activiteiten met betrekking tot bedrijfsafval en gaat afdelingsleider B over de verwerking van afvalwater. A en B hebben geen betrokkenheid bij (laat staan zeggenschap over) elkaars bezigheden; daarom zijn ze deeldrijvers. Als de verwerking van afvalwater niet conform de voorschriften verloopt en een omwonende daardoor schade lijdt, dan moet in een eventuele aansprakelijkheidsprocedure voor de onrechtmatigheidstoets de vraag worden beantwoord wie kan worden aangemerkt als normadressaat van het geschonden vergunningsvoorschrift. Afdelingsleider A had geen feitelijke zeggenschap over het onderdeel van de inrichting waarop het geschonden voorschrift betrekking had. Daarom heeft A niet een tot hem gerichte norm geschonden en daarom in beginsel23 ook niet onrechtmatig gehandeld jegens de omwonenden. X (als hoofddrijver) en B (als deeldrijver van het onderdeel van de inrichting waar afvalwater wordt verwerkt) zijn wél verplicht om het vergunningsvoorschrift ten aanzien van afvalwaterverwerking na te leven: als de eisende omwonende kan aantonen dat een van hen ook de overige bestanddelen van het voorschrift vervullen, dan is het onrechtmatigheidsvereiste van artikel 6:162 lid 2 BW vervuld.24
De voorgaande voorbeelden illustreren dat bij het beantwoorden van de vraag of een leidinggevende wegens schending van een milieuvoorschrift onrechtmatig jegens een derde heeft gehandeld, van belang is om na te gaan of deze leidinggevende kan worden aangemerkt als normadressaat. Onthoud: een leidinggevende kan niet een wettelijke plicht schenden, als er geen verplichting is.25 Daarom raad ik aan om bij de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden in verband met de overtreding van een milieuvoorschrift, eerst na te gaan of de leidinggevende het kwalitatieve bestanddeel vervult. Nadat deze horde genomen is,26 kan de blik worden gericht op de objectieve zijde van het wettelijke voorschrift: dan komt de vraag aan de orde of de verplichting die rust op de leidinggevende ook daadwerkelijk is geschonden door de leidinggevende.
In het geval dat een leidinggevende geen normadressaat is van een wettelijk voorschrift, dan kan hij dat voorschrift als gezegd ook niet schenden. De betrokkenheid van de leidinggevende bij de schending van een wettelijk voorschrift kan onder omstandigheden tóch onrechtmatig zijn, bijvoorbeeld vanwege onrechtmatige deelneming aan de wetsovertreding of vanwege strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Verdergaand op het voorbeeld van het afvalcentrum: stel dat afdelingsleider A met afdelingsleider B heeft samengewerkt om de filters van het afvalwater onklaar te maken, en maatregelen heeft genomen om de milieuovertreding te verhullen, dan heeft A (als niet-normadressaat) weliswaar niet in strijd gehandeld met de verplichting uit de vergunning om het afvalwater te filteren, maar is zijn gedraging toch onrechtmatig. In dit voorbeeld kan A mogelijk worden aangesproken als medepleger, waarover later meer in deze subparagraaf onder ‘Strafrechtelijk deelnemen’. Daarnaast kan er sprake zijn van strijd met hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, bijvoorbeeld door middel van reflexwerking van wettelijke voorschriften naar het ongeschreven recht, waarover meer in paragraaf IV.5.3.4.
B) Het objectieve bestanddeel (verboden handelen of nalaten)
Een verplichting hebben, is iets anders dan een verplichting schenden. Bij het objectieve bestanddeel draait het niet om de hoedanigheid van de leidinggevende, maar om de vraag of de leidinggevende in strijd handelt met het gebod of verbod uit het wettelijke voorschrift. Het gebod of verbod kan betrekking hebben op een bepaald soort handelen of nalaten, maar ook op een bepaald gevolg of toestand. Ook hier geldt weer: een halve schending is geen schending. Dus als de objectieve zijde van het voorschrift bestaat uit meerdere bestanddelen, dan is er pas sprake van een schending van dit wettelijke voorschrift als alle (objectieve) bestanddelen worden vervuld.
Bijvoorbeeld, artikel 173a Sr verbiedt het om opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater te brengen, als daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is. Voor het oordeel dat een leidinggevende in strijd heeft gehandeld met dit wettelijke voorschrift, is niet voldoende dat hij ‘opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de bodem heeft gebracht’ (bijvoorbeeld door bedrijfsafval op het erf te dumpen).27 Daarnáást moet worden bewezen dat deze vorm van handelen een specifiek gevolg heeft gehad, namelijk dat er (minimaal) een gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is.
Als de leidinggevende zelf (fysiek) de handeling verricht die wordt verboden in het toepasselijke wettelijke voorschrift, of als de leidinggevende persoonlijk de door het voorschrift verboden situatie bewerkstelligt, dan hoeft er niet aan te worden getwijfeld dat de leidinggevende het objectieve bestanddeel van het betreffende voorschrift vervult.
Ingevolge hoofdstuk III van de Meststoffenwet is het verboden om meststoffen in de bodem te brengen boven een bepaalde gebruiksnorm. Als een leidinggevende van een agrarisch bedrijf (die kan worden aangemerkt als normadressaat van de Meststoffenwet) zelf op de tractor zit en de mest uitrijdt waardoor de gebruiksnorm wordt overschreden, dan handelt hij vanzelfsprekend zelf in strijd met de genoemde verplichting uit de Meststoffenwet, waarmee het objectieve bestanddeel is vervuld.
De leidinggevende van een onderneming zal meestal niet zelf een verboden gedraging verrichten; dit kan hij overlaten aan zijn ondergeschikten. Maar ook zonder je handen te bevuilen kun je een milieuovertreding plegen: de objectieve zijde van het delict kan namelijk ook worden vervuld met tussenkomst van een ander. Het handelen van de ondergeschikte kan onder bepaalde voorwaarden worden aangemerkt als een uitvloeisel van het handelen of nalaten van de leidinggevende. Het in het strafrecht ontwikkelde leerstuk van ‘functioneel plegen’ kan ook in het privaatrecht handvatten bieden om te achterhalen wie materieel verantwoordelijk is voor een bepaalde gedraging.28
De ‘toerekening’ van een verboden gedraging aan een functionele pleger geschiedt (bij natuurlijke personen) aan de hand van de (verruimde) ‘IJzerdraad-criteria’.29
Het begrip ‘toerekening’ heeft in het civiele aansprakelijkheidsrecht verschillende betekenissen en toepassingen. Maar waarop de toerekening precies betrekking heeft, welke vereisten gelden, en wat het gevolg is van de toerekening, verschilt per gebruikscontext. Voor de duidelijkheid zet ik in paragraaf IV.5.4.5 de verschillende betekenissen van dit homoniem op een rij. In het kader van deze sub-paragraaf gaat het om toerekening van een verboden gedraging om vast te stellen of leidinggevende een gedraging heeft verricht die in strijd is met een wettelijke plicht, dus in het kader van de onrechtmatigheidstoets van artikel 6:162 lid 2 BW.
Voor de toerekening van de verboden gedraging op grond van de IJzerdraad-criteria moet heel kort gezegd sprake zijn van 1) beschikkingsmacht over de gedraging of situatie die verboden is gesteld in het geschonden wettelijke voorschrift, en 2) aanvaarding van die gedraging of situatie. Als een leidinggevende opdracht geeft aan een ondergeschikte om de verboden gedraging te verrichten, en de ondergeschikte voert de opdracht uit, dan staat buiten kijf dat de leidinggevende over de verboden gedraging vermocht te beschikken, en dat hij de verboden gedraging ook aanvaardt.
De IJzerdraad-criteria zijn mijns inziens ook van toepassing in het privaatrecht, wat in het strafrecht genoeg is voor toerekening, moet zeker genoeg zijn in het privaatrecht.30 Immers, als er bij functioneel plegerschap geen sprake zou zijn van een handeling ‘in strijd met een wettelijke plicht’ in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW, dan zou vanwege het legaliteitsbeginsel uit artikel 1 Sr ook geen strafrechtelijke aansprakelijkheid mogelijk zijn. Dat artikel bepaalt immers dat “Geen feit strafbaar [is] dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.”
Om de werking van de IJzerdraad-criteria te verduidelijken geef ik hierna een aantal eenvoudige voorbeelden. Een uitvoerige beschouwing van deze criteria, inclusief voorbeelden van complexere gevalstypen en de daarbij passende gezichtspunten, kan worden gevonden in het strafrechtelijke hoofdstuk.31
Voorbeeld: als de leidinggevende van het eerdergenoemde agrarische bedrijf niet zelf de tractor bestuurt, maar een werknemer opdraagt om te veel mest in de bodem te brengen, dan kan deze gedraging (die in strijd is met een verplichting uit de Meststoffenwet) op grond van de IJzerdraad-toets worden toegerekend aan de leidinggevende. Hij kon kennelijk 1) over de verboden gedraging van de werknemer beschikken, en 2) hij heeft de overbemesting ook aanvaard (zelfs expliciet gewenst). Voor de privaatrechtelijke aansprakelijkheid betekent dit dat de leidinggevende het objectieve bestanddeel van het geschonden wettelijke voorschrift heeft vervuld, en zo weer een stap dichterbij onrechtmatigheid is in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW.
Maar functioneel plegerschap kent ook lichtere gradaties.32 Voor beschikkingsmacht is niet vereist dat de leidinggevende de gedraging initieert; het is reeds voldoende dat de leidinggevende de ondergeschikte ‘kan terugfluiten’.
Als de werknemer uit gewoonte te veel mest uitrijdt, dan is de leidinggevende doorgaans in de positie om de werknemer te instrueren om bij het bemesten binnen de normen te blijven. Daarom voldoet de leidinggevende in dit voorbeeld aan het beschikkingscriterium.
De ondergrens van het aanvaardingsvereiste is geformuleerd in het Drijfmest-arrest. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat van aanvaarding reeds sprake is als de functionele pleger ‘niet de zorg heeft betracht die in redelijkheid van hem of haar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging’.33 Er wordt dus gewerkt met een maatmanconstructie; de aanvaarding heeft een geobjectiveerd karakter.
Om verder te gaan op het vorige eenvoudige voorbeeld: als de leidinggevende weet dat een werknemer te veel mest uitrijdt, maar (uit winstbejag of nonchalance) niet ingrijpt, dan heeft hij niet de zorg betracht die in redelijkheid kan worden gevergd van iemand in zijn positie om de naleving van de Meststoffenwet te bewerkstelligen. Omdat hij voldoet aan zowel het beschikkings- als aan het aanvaardingscriterium, vervult de leidinggevende door toerekening het objectieve bestanddeel van het geschonden wettelijke voorschrift.
Het voorgaande illustreert op welke manier de IJzerdraad-criteria voor de civiele milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden houvast kunnen bieden bij de beantwoording van de vraag of een leidinggevende door toerekening een objectief bestanddeel heeft vervuld.
Let wel, de toerekening ziet alleen op de verboden gedraging in het kader van het objectieve bestanddeel. Voor handelen in strijd met een wettelijke plicht moeten – behoudens deelneming, waarover hierna meer – alle bestanddelen, dus ook eventuele subjectieve en kwalitatieve, door de gedaagde worden vervuld.
In een wettelijk voorschrift wordt niet altijd een bepaalde gedraging verboden; soms bevat het voorschrift een gebod om op een bepaalde manier te handelen, of wordt een bepaalde situatie verplicht gesteld. Bij dergelijke voorschriften (om een strafrechtelijke term te gebruiken: omissiedelicten34) vervult de leidinggevende het objectieve bestanddeel niet door te handelen, maar door nalaten.
Neem bijvoorbeeld de meldplicht van ongewone voorvallen. Artikel 17.2 lid 1 Wm juncto artikel 17.1 lid 1 Wm bepaalt kort gezegd dat, indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, degene die de inrichting drijft dat voorval zo spoedig mogelijk moet melden aan het bevoegde bestuursorgaan.
Verdergaand op het voorbeeld van de chemische fabriek: stel dat een werknemer bij de opslag van bepaalde chemische stoffen vergeet om de containers correct af te sluiten, waardoor een grote hoeveelheid methaan ontsnapt in de buitenlucht. Als degene die de inrichting drijft (één van de zussen) dit de volgende dag ontdekt en de containers alsnog juist laat afsluiten, maar dit voorval niet meldt aan het bevoegde bestuursorgaan, dan heeft de zus in strijd gehandeld met de verplichting uit dit voorschrift. Daarmee is door nalaten het objectieve bestanddeel met de meldplicht door nalaten vervuld.35
Als de leidinggevende niét in strijd handelt met de verplichting uit het voorschrift, of als één van de omstandigheden die wordt vereist in de objectieve zijde van het voorschrift niet van toepassing is, dan is er geen sprake van handelen in strijd met de wet in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW.
Wat betreft de omstandigheden die worden genoemd in de objectieve zijde van het delict: de meldplicht van artikel 17.2 lid 1 Wm komt pas in beeld als er sprake is van 1) een ongewoon voorval waardoor 2) nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) ontstaan. Als variant op het vorige voorbeeld: stel dat een werknemer de container van een chemische stof verkeerd afsluit waardoor een grote hoeveelheid waterdamp ontsnapt, dan is weliswaar sprake van 1) een ongewoon voorval, maar omdat waterdamp niet schadelijk is voor de natuur, is er 2) geen sprake van nadelige milieugevolgen. Omdat het vereiste gevolg niet intreedt, worden niet alle objectieve bestanddelen vervuld.
Voor een tweede voorbeeld waarin de objectieve zijde van het delict niet wordt vervuld door een leidinggevende, keer ik terug naar de tractor en de Meststoffenwet. Stel dat de leidinggevende door misleidende opmerkingen van de werknemer niet weet dat er te veel mest wordt uitgereden, dan ontbreekt de benodigde kennis die vereist is voor het aanvaardingscriterium voor de toerekening van de gedraging. Dan kan niet worden gezegd dat de leidinggevende (met tussenkomst van de werknemer) meer meststoffen in de bodem heeft gebracht dan de gebruiksnorm die geldt krachtens hoofdstuk III van de Meststoffenwet. De gedraging kan dan niet worden toegerekend waardoor de aansprakelijkheid van de leidinggevende in kwestie voor het schenden van een wettelijk voorschrift vastloopt op de objectieve zijde van het delict.
Ten slotte nog een voorbeeld gebaseerd op de casus over het afvalcentrum waarbij de aansprakelijkheid van de leidinggevende strandt op het beschikkingsmachtcriterium: stel dat een werknemer in strijd met de hem bekende regels en in strijd met expliciete instructies van afdelingsleider B afvalwater loost in de sloot, dan is dit een aanwijzing dat de afdelingsleider kennelijk niet de feitelijke beschikkingsmacht heeft die wordt vereist in het kader van de IJzerdraad-toets. Geen beschikkingsmacht betekent geen toerekening van een gedraging aan de afdelingsleider, wat betekent dat het objectieve bestanddeel niet wordt vervuld, waardoor er ook geen sprake is van een doen of nalaten in strijd met de wet in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW.
Wanneer de leidinggevende de objectieve bestanddelen (net) niet vervult, kan onder omstandigheden overigens nog wel sprake zijn van strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsplicht, maar hier kom ik op terug in paragraaf IV.5.3.4.
In dit kader is het ten slotte nog goed om stil te staan bij milieuzorgplichtbepalingen. Zoals de naam doet vermoeden zijn dit voorschriften die ertoe verplichten om gepaste zorg te betrachten ten aanzien van een bepaald milieubelang. De voorschriften zijn doorgaans zeer breed en algemeen geformuleerd, zodat er een vangnet bestaat voor gevallen waarin met laakbaar milieuverontreinigend handelen geen specifieke wettelijke regel wordt overtreden.
De meest algemeen geformuleerde zorgplichtbepaling is artikel 1.1a Wm, dat bepaalt dat ‘een ieder voldoende zorg voor het milieu in acht moet nemen’. Een (iets) specifiekere milieuzorgplicht kan bijvoorbeeld worden gevonden in 10.1 lid 1 Wm, dat een algemeen gebod bevat om zorgvuldig met afvalstoffen om te gaan.
Milieuzorgplichtbepalingen kunnen worden gezien als een aanwijzing van de wetgever aan de rechter om het betreffende milieubelang te betrekken in de rechterlijke belangenafweging die plaatsvindt in het kader van civiele aansprakelijkheid.36 Het nadeel is echter dat door de algemene en brede strekking van de bepaling, de milieuzorgplicht geen gedragsnorm voorschrijft waaraan de rechter in een concreet geval kan toetsen. Het schenden van een milieuzorgplichtbepaling – voor zover dat al in concreto kan worden vastgesteld – is daarom in beginsel onvoldoende voor onrechtmatigheid in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW.37 Als voor het betreffende geval niet een ander, concreter, wettelijk milieuvoorschrift bestaat dat is geschonden door de leidinggevende, zal de eiser voor de onrechtmatigheid moeten aantonen dat de leidinggevende (ook) een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden.38
Als de leidinggevende normadressaat is van een wettelijk voorschrift (kwalitatief bestanddeel) en hij heeft de verplichting uit dit voorschrift geschonden (objectief bestanddeel), dan moet nog worden bezien of het wettelijk voorschrift ook eisen stelt ten aanzien van de geestesgesteldheid van de leidinggevende. Dat brengt ons bij het laatste bestanddeel.
C) Het subjectieve bestanddeel: Verwijtbaarheid van de leidinggevende
Omdat subjectieve bestanddelen nauwelijks voorkomen in het milieurecht, kan ik over dit bestanddeel kort zijn. Sommige wettelijke voorschriften – vooral die uit het strafrecht – bevatten als aansprakelijkheidscriterium een bepaalde mate van subjectieve verwijtbaarheid zijdens dader. Het handelen (of nalaten) in kwestie is dan alleen in strijd met dit voorschrift als er sprake is van opzet (dolus) of schuld (culpa). Bijvoorbeeld: als een leidinggevende per ongeluk een voorwerp dat aan een ander toebehoort wegneemt (dus zonder oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen) dan handelt de bestuurder niet in strijd met het wettelijke voorschrift dat diefstal verbiedt (artikel 310 Sr). Ook al is de leidinggevende normadressaat (de bepaling is tot eenieder gericht) en ook al vervult de bestuurder de objectieve bestanddelen (het wederrechtelijk wegnemen van een goed dat aan een ander is gericht); door het ontbreken van de benodigde opzet is het subjectieve bestanddeel niet vervuld, en is de gedraging dus niet in strijd met artikel 310 Sr.
In de systematiek van de onrechtmatige daad is het subjectieve bestanddeel enigszins ongemakkelijk, omdat het raakt aan verschillende vereisten van artikel 6:162 BW. Het subjectieve bestanddeel maakt de aanwezigheid van schuld of opzet onderdeel van de normstelling (dus de onrechtmatigheidstoets in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW). Het opzet of de schuld van de gedaagde speelt vervolgens opnieuw een rol bij het tweede vereiste van de onrechtmatige daad: de toerekening van de onrechtmatige gedraging krachtens schuld aan de leidinggevende (in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW).39 Dit ongemak hoeft evenwel niet voor problemen te zorgen. Wanneer de leidinggevende het subjectieve bestanddeel vervult, wordt automatisch ook voldaan aan het toerekenbaarheidsvereiste. Vervult de leidinggevende het subjectieve bestanddeel niét, dan is er ook geen sprake van schending van het desbetreffende voorschrift. Immers geldt ook ten aanzien van dit bestanddeel: een halve schending van een wettelijk voorschrift, is geen schending.
Ook bij het niet-vervullen van het subjectieve bestanddeel, kan er onder omstandigheden tóch sprake zijn van onrechtmatigheid als de gedaagde in strijd gehandeld heeft met een aanverwante (doch zelfstandige) ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Bijvoorbeeld, als een bestuurder niet opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengt waardoor een gevaar ontstaat voor de openbare gezondheid, dan is er geen sprake van strijd met artikel 173a Sr, maar is niet uitgesloten dat de leidinggevende gevaarzettend heeft gehandeld.40
Zoals gezegd bevatten milieuvoorschriften zelden een subjectief bestanddeel. Voor de milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende is de geestesgesteldheid van de leidinggevenden daarom bijna nooit relevant voor de vraag of de leidinggevende onrechtmatig heeft gehandeld (in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW) vanwege strijd met een wettelijke plicht. De aanwezigheid van opzet of schuld is echter wel relevant voor een ander vereiste voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, namelijk de toerekenbaarheid van de onrechtmatige handeling aan de dader. Dat vereiste komt hierna aan bod in paragraaf IV.5.4.
Strafrechtelijk deelnemen
Strijd met een wettelijke plicht
Artikel 6:162 lid 2 BW bepaalt dat een doen of laten ‘in strijd met een wettelijke plicht’ onrechtmatig is. Als een wettelijk voorschrift bestaat uit meerdere bestanddelen (aansprakelijkheidsvereisten), dan is het uitgangspunt dat de gedaagde pas in strijd met dat voorschrift handelt wanneer hij alle bestanddelen vervult. Er is echter een uitzondering: in het Wetboek van Strafrecht zijn ook bepaalde vormen van deelneming aan een wetsovertreding verboden gesteld.
Er bestaan verschillende deelnemingsfiguren, elk met een eigen karakter en eigen criteria. De deelnemingsfiguren die ik bespreek in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, zijn medeplegen (art. 47 lid 1 Sr), feitelijk leidinggeven (art. 51 lid 2 Sr) en medeplichtigheid (art. 48 Sr). Wanneer een leidinggevende als ‘medepleger’, ‘medeplichtige’ of als ‘feitelijk leidinggever’ betrokken is bij een milieuovertreding, dan vervult hij weliswaar niet zelf de bestanddelen van het geschonden milieuvoorschrift, maar handelt hij toch in strijd met een wettelijke plicht in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. De onrechtmatigheid is dan gelegen in de combinatie van het onderliggende milieuvoorschrift en de bij wet verboden gestelde vorm van betrokkenheid. Op deze manier kunnen de strafrechtelijke deelnemingsfiguren die ik heb besproken in hoofdstuk II invulling geven aan de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijke plicht’ uit artikel 6:162 lid 2 BW.
Ik merk hier terzijde op dat de deelnemingsvormen kunnen overlappen met plegerschap. Bijvoorbeeld: een feitelijk leidinggever die zelf normadressaat is, zal in de regel ook kunnen worden aangemerkt als functionele pleger. De deelnemingsvormen kunnen ook met elkaar overlappen. Een feitelijk leidinggever die bij het begaan van een milieuovertreding nauw en bewust samenwerkt met een ander, kan ook worden aangesproken als medepleger.41 Ten slotte bestaat er ook overlap tussen strafbare deelneming en ongeschreven zorgvuldigheidsnormen.42 Deelneming aan een milieuovertreding kan bijvoorbeeld gevaarzettend zijn, of door reflexwerking in strijd zijn met een aanverwante ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. De verschillende aansprakelijkheidsfiguren hebben dus geen exclusieve domeinen.
Ondanks de overlap tussen deelnemingsvormen en de alternatieve routes die bestaan voor de civiele aansprakelijkheid van een leidinggevende, is het hier toch van belang om de deelnemingsfiguren afzonderlijk te bespreken. Soms ‘past’ een bepaalde deelnemingsfiguur erg goed bij de omstandigheden van het geval en de strekking van het geschonden voorschrift; dan kunnen de vereisten die gelden voor de betreffende deelnemingsfiguur de beoordeling van de onrechtmatigheid eenvoudiger en inzichtelijker maken dan via plegen of een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.43 Daarom bespreek ik in vogelvlucht de deelnemingsvormen en de bijbehorende criteria. Voor meer toelichting en voorbeelden verwijs ik naar het strafrechtelijke hoofdstuk, paragraaf II.5.
Medeplegen
Wanneer een leidinggevende een milieuovertreding medepleegt, handelt hij in strijd met artikel 47 lid 1 sub 1 Sr. Voor medeplegen is – kort gezegd – vereist dat twee of meer (rechts)personen gezamenlijk de bestanddelen van het voorschrift vervullen, waarbij sprake is van een ‘nauwe en bewuste samenwerking’ tussen de medeplegers.44 De medepleger moet (voorwaardelijk) opzet hebben op de deelnemingshandeling; onbewuste of ongewilde behulpzaamheid telt niet als bewuste samenwerking. Voor de medepleger gelden dezelfde subjectieve vereisten als voor de pleger. Oftewel, het subjectieve bestanddeel (indien aanwezig) bepaalt welk soort schuldverband is vereist.45 Als het voorschrift een kwalitatief bestanddeel bevat, dan hoeft de aangesproken leidinggevende niet zelf normadressaat te zijn, zolang degene met wie hij medepleegt dat maar is.
Stel, een agrarisch bedrijf heeft een vergunning voor het houden van 300 runderen, maar in werkelijkheid worden er 500 runderen gehouden, en stel dat de eigenaar van het bedrijf de enige drijver van de inrichting is. Stel voorts dat voor het houden van de 200 onvergunde runderen, de eigenaar afhankelijk is van een werknemer: door diens listige boekhoudkunsten en organisatorisch vermogen kunnen de runderen buiten beeld van de handhavende organisaties blijven. Indien in rechte de vraag opkomt of de werknemer in kwestie onrechtmatig handelt – bijvoorbeeld omdat de eigenaar onvindbaar is – dan kunnen de eisers gebruik maken van de deelnemingsfiguur medeplegen. Ook al beschikt de werknemer niet zelf over de hoedanigheid die nodig is om het kwalitatieve bestanddeel te vervullen (normadressaatschap), en ook al heeft de werknemer niet de benodigde zeggenschap over de verboden situatie om het objectieve bestanddeel te vervullen (IJzerdraadcriteria), handelt hij toch onrechtmatig omdat hij met de eigenaar nauw en bewust samenwerkt om te veel runderen te houden waardoor een vergunningsvoorschrift wordt geschonden.46
Feitelijk leidinggeven
De deelnemingsvorm feitelijk leidinggeven wordt veel47 gebruikt in het milieustrafrecht, en kan ook van betekenis zijn voor de civiele milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Wanneer is vastgesteld dat een rechtspersoon in strijd heeft gehandeld met een milieuvoorschrift, handelt degene die binnen de rechtspersoon feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging in strijd met de wettelijke plicht uit artikel 51 lid 2 sub 2 Sr. Deze deelnemingsvorm is een vervolg op (en dus ook afhankelijk van) de onrechtmatige daad van de rechtspersoon. In de kern wordt de feitelijk leidinggever verweten dat hij opzettelijk de overtreding van de rechtspersoon direct of indirect heeft bevorderd.48 De feitelijk leidinggever hoeft niet zelf normadressaat te zijn (maar het mag wel), zolang de rechtspersoon die de overtreding heeft begaan maar wel wordt geadresseerd door de norm. Let wel: deze aansprakelijkheidsfiguur ziet op feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging, dus niet op feitelijk leidinggeven aan de onderneming als zodanig. Voor deze aansprakelijkheidsfiguur hoeft de feitelijk leidinggever niet formeel een leidinggevende functie te hebben binnen de rechtspersoon.
Er worden twee soorten feitelijk leidinggeven onderscheiden. In de eerste plaats is er sprake van feitelijk leidinggeven als de aangesprokene actief en effectief heeft gestuurd op de verboden gedraging. Dit wordt ‘actief feitelijk leidinggeven’ genoemd. Ten tweede kan er sprake zijn van feitelijk leidinggeven, wanneer de aangesprokene op een meer indirecte of subtiele wijze betrokken is geweest bij de verboden gedraging. In de Slavenburg II-beschikking heeft de Hoge Raad de ondergrens voor zogenaamd ‘passief feitelijk leidinggeven’ uitgestippeld: er is reeds sprake van feitelijk leidinggeven indien de verdachte, hoewel daartoe 1) bevoegd en 2) redelijkerwijs gehouden, 3) maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen achterwege laat en 4) bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat deze zich zullen voordoen.49 Wanneer de rechtspersoon een milieuovertreding begaat, is de aansprakelijkheid van de feitelijk leidinggever dus geen automatisme. Ieder deelvereiste van deze Slavenburg-toets komt uitvoerig aan bod in par. II.5.4. Ik volsta hier met dit voorbeeld:50
Een afvalcentrum heeft in strijd met de vergunningsvoorwaarden grond geaccepteerd die (zwaar) verontreinigd was en bovendien niet werd vergezeld van het vereiste analyserapport. Daarmee handelt de exploiterende rechtspersoon in ieder geval in strijd met de vergunningsvoorschriften. Een van de medewerkers van de afvalinrichting heeft verklaard dat zij zich in haar functie als acceptant onder meer bezighield met het bedienen van de weegbrug, en dat zij niet op de hoogte was gesteld van de vergunningsvoorwaarden met betrekking tot partijen grond. De bestuurder en enig aandeelhouder is bevoegd en gehouden om zijn medewerkers bekend te maken met de milieuregelgeving die de ‘core-business’ van het bedrijf betreft, namelijk de acceptatie van grond. Nu de bestuurder van het afvalcentrum heeft verzuimd zijn medewerkers hierover te informeren, kan worden gezegd dat hij bewust het risico heeft aanvaard dat de rechtspersoon in strijd met de milieuregelgeving zou accepteren. Zodoende handelt hij vanwege het feitelijk leiding geven aan de schending van de vergunningsvoorschriften51 in strijd met een wettelijke plicht (uit artikel 51 Sr).
Medeplichtigheid
Ten slotte handelt een leidinggevende ook door medeplichtigheid aan een milieumisdrijf in strijd met een wettelijk voorschrift, meer specifiek met artikel 47 Sr. Medeplichtigheid wordt gezien als een lichtere vorm van medeplegen.52 Waar medeplegen wordt gekarakteriseerd als ‘meedoen’, ziet medeplichtigheid op het vergemakkelijken van andermans misdrijf.53 Het niet-ingrijpen waar dat wel voor de hand had gelegen, kan een leidinggevende medeplichtig maken. Net als bij andere deelnemingsvormen, is voor medeplichtigheid vereist dat de aangesprokene zowel opzet heeft op de deelnemingshandeling (het vergemakkelijken) als op het grondfeit. De medeplichtige hoeft geen normadressaat te zijn van het grondfeit.
Dat medeplichtigheid aan een milieumisdrijf wettelijk verboden is gesteld in artikel 47 Sr, en dat deze betrokkenheid zelfs kan leiden tot strafrechtelijke aansprakelijkheid, heeft mijns inziens te betekenen dat medeplichtigheid ook in strijd is met een wettelijke plicht en dus onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 lid 2. De medeplichtige treft echter een lichter verwijt dan andere deelnemers. In het strafrecht vertaalt dit zich in een lager strafmaximum (art. 49 lid 1 Sr). In het privaatrecht kan het lichtere verwijt en het kleinere materiële aandeel van de medeplichtige in de normschending en de gevolgen daarvan ook een rol spelen bij de beoordeling van de omvang van de schadevergoedingsplicht van de medeplichtige.
Bijvoorbeeld: bij medeplichtigheid zal de (weliswaar onrechtmatige) gedraging mogelijk van onvoldoende causaal gewicht zijn om te voldoen aan het ‘condicio sine qua non’-vereiste, waardoor de aansprakelijkheid van de medeplichtige al in de vestigingsfase vastloopt. Als deze horde wel kan worden genomen, volgt uit de aard van deze lichtere aansprakelijkheidsvorm dat een beperkt deel van de schade in redelijkheid kan worden toegerekend aan de medeplichtige (6:98 BW). De vaststelling van de onrechtmatigheid blijft wel van belang voor de mogelijkheid om oplegging van een rechterlijk bevel te vorderen.
Een leidinggevende stelt tegen betaling zijn bedrijfsbussen ter beschikking aan een schimmig persoon waarmee hij bevriend is. Deze persoon gebruikt de bussen om drugsafval te dumpen in een nabijgelegen sloot. Van de leidinggevende kan niet worden gezegd dat hij zelf in strijd heeft gehandeld met een wettelijk voorschrift dat het lozen van drugsafval verboden stelt.54 Wel heeft hij met zijn betrokkenheid het milieudelict gefaciliteerd. Als wordt voldaan aan de vereisten van medeplichtigheid, handelt de leidinggevende in strijd met een wettelijke plicht. Let wel: ook al handelt de leidinggevende in kwestie onrechtmatig, hij zal niet voor alle schade opdraaien die het drugsafval teweeg heeft gebracht. Gezien zijn bescheiden aandeel in de veroorzaking van de schade, kan de aansprakelijkheid vanwege een gebrek aan causaliteit mogelijk niet worden gevestigd, en anders kan maar een klein deel van die schade in redelijkheid worden toegerekend aan de leidinggevende. Als er vrees voor herhaling bestaat, kan een belanghebbende wel een verbod onder dwangsom vorderen jegens de leidinggevende om te voorkomen dat met behulp van de bedrijfsbusjes in de toekomst opnieuw drugsafval wordt gedumpt.55
Het nut van strafrechtelijke leerstukken voor de onrechtmatigheidstoets
In de privaatrechtelijke literatuur en -jurisprudentie is het niet gebruikelijk om in het kader van de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijk voorschrift’ – zoals ik hier doe – het wettelijke voorschrift te ontleden en per bestanddeel na te gaan of hij wordt vervuld. Ook wordt in privaatrechtelijke kringen zelden voor de onrechtmatigheidsvraag gekeken naar strafrechtelijke daderschapsvormen zoals medeplegen of feitelijk leidinggeven. Ik kan me voorstellen dat bij sommige civilisten deze benadering onwennig of zelfs omslachtig overkomt. En inderdaad, bij eenvoudige gevallen zal de hier omschreven benadering weinig toevoegen, en misschien zelfs de beoordeling van de onrechtmatigheid onnodig ingewikkeld(er) maken.
Toch meen ik dat deze benadering – zeker in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden – toegevoegde waarde heeft bij de onrechtmatigheidsgrond strijd met een wet. Het ontleden van een wettelijk voorschrift tot bestanddeelniveau is nuttig, want naarmate milieunormen ingewikkelder, normschendingen indirecter en bedrijven groter en complexer worden, geven de bestanddelen van het wettelijke voorschrift broodnodige houvast bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van het handelen van een leidinggevende. De bestanddelen laten zich vertalen naar een soort stappenplan, waarmee verzekerd kan worden dat er geen constitutieve vereisten voor de aansprakelijkheid over het hoofd worden gezien. Kennis van de kenmerken van de bestanddelen maakt het bovendien eenvoudiger om na te gaan of de vereisten daadwerkelijk zijn vervuld.
Ook spelen de bestanddelen een rol bij de deelnemingsfiguren. Ingevolge het accessoriteitsvereiste moet er bij deelneming altijd sprake zijn van een strafbaar feit, en dit vergt dat alle bestanddelen zijn vervuld. Ook kunnen vereisten van de deelnemingsvormen betrekking hebben op bestanddelen van het geschonden voorschrift.56 Zodoende maakt het ontleden van het wettelijke voorschrift tot bestanddeelniveau een gestructureerde, doordachte en inzichtelijke onrechtmatigheidstoets mogelijk.
Ook de strafrechtelijke deelnemingsvormen zijn nuttig in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Niet altijd zal een leidinggevende zelf alle bestanddelen van het wettelijke voorschrift vervullen, maar dan kan het lastig zijn om vast te stellen welke mate en welke vorm van betrokkenheid genoeg is om te spreken van een onrechtmatige daad. De strafrechtelijke deelnemingsfiguren maken duidelijk welke vormen van betrokkenheid in ieder geval onrechtmatig zijn (want in strijd met een wettelijke plicht), en daarnaast geven ze uitgekristalliseerde vereisten om vast te stellen wanneer er sprake is van verboden deelneming.
Voor een handig stappenplan om te bepalen welke aansprakelijkheidsfiguur het best past in een concrete situatie, en voor een schematisch overzicht met alle daderschapsvormen en hun criteria, zie respectievelijk par. II.6 en par. II.8.2.