Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.3.1:IV.5.3.1 Inleiding
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.3.1
IV.5.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS491349:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een rechtvaardigingsgrond kan de onrechtmatigheid van een gedraging wegnemen, zo volgt uit artikel 6:162 lid 2 BW. Bij rechtvaardigingsgronden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan noodweer of een bevoegd gegeven bevel. Omdat rechtvaardigingsgronden maar een bescheiden rol spelen in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, zal ik er hierna niet op ingaan. Zie uitvoerig met verdere verwijzingen Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 7.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW is allereerst vereist dat de schade toebrengende daad onrechtmatig is. Het onrechtmatigheidsvereiste legt een verband tussen de geschonden norm en een specifieke daad. Artikel 6:162 lid 2 BW noemt drie grondslagen voor de onrechtmatigheid van een daad: een inbreuk op een recht, strijd met een wettelijke plicht of strijd met ‘hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’. De aanwezigheid van één van deze onrechtmatigheidsgronden is genoeg om te voldoen aan het onrechtmatigheidsvereiste van artikel 6:162 lid 2 BW.1 Hierna bespreek ik het onrechtmatigheidsvereiste in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Voor elke onrechtmatigheidsgrond geef ik een aantal handvatten en voorbeelden.