Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/1.4
1.4 Drie sleutels
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS588058:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Schilfgaarde 2001, p. 23.
Vranken 2011, sub 2.
Van Mourik, aangehaald door Van Schilfgaarde 2010, sub 1.
Van Klink & Poort 2013, p. 263, verwijzend naar R. Dworkin, Law’s Empire, London: Fontana Press 1986, p. 255.
Asser/Vranken Algemeen deel **** 2014/8, verwijzend naar Stürner.
Asser/Scholten Algemeen deel 1954, p. 100-103; Van Schilfgaarde 2010, sub 6.
Asser/Vranken Algemeen deel** 1995/217, aangehaald in Sieburgh 2007, p. 192; in soortgelijke bewoordingen: Van Schilfgaarde 2000, p. 467.
Vranken 2004, sub 7.
Schoordijk 2008.
K. Larenz, Methodenlehre der Rechtswissenschaft, 3e Auflage (Berlin 1975), p. 161, aangehaald in Sieburgh 2007, p. 192. In soortgelijke zin: Wiarda 1988, p. 18, verwijzend naar Portalis en Scholten. In deze zin ook Snijders 2002 en Snijders 2005, die onder meer de inpassing van syndicaatszekerheden en domeinnamen bespreekt.
FoquÉ 1987, p. 71, ook aangehaald in Groot 1988, p. 53.
Meijers 1903, p. 19.
Westerman & Wissink 2008, sub 3.
Timmerman 2012; zie over het belang van werkmethoden ook: Assink | Slagter 2013, § 154, p. 2833-2847.
Timmerman 1990, p. 14 en 16; Timmerman 1995, p. 181; Timmerman 2003a, p. 149; Timmerman 2003b. Zie ook Timmerman 2011, p. 492. Zie over het evenredigheidsbeginsel als denkmethode ook Timmerman 2008, Van Ginneken & Timmerman 2011, De Jongh 2011, Schild 2011 en Timmerman 2015.
Buruma 2015, par. 3.1.
Bij taal op school was de standaard volgorde al Frans, Duits Engels. Artikel 2:394 lid 1 BW houdt die volgorde ook aan.
Timmerman 2007.
Timmerman 1990, p. 14; Timmerman 2000, p. 162.
Antwoorden op mijn onderzoeksvragen heb ik gezocht met behulp van een drietal sleutels. Drie stukken juridisch gereedschap. Op elke sleutel ga ik kort in.
Eerste sleutel: het algemene vermogensrecht
Het recht is een inspanningsverplichting van de juridische gemeenschap.1 Toegespitst op onderzoek is de opdracht volgens mij het verwerven van groeiend inzicht in de werkelijkheid en het (door)ontwikkelen van juridische instrumenten waarmee men die werkelijkheid te lijf kan gaan in het belang van een rechtvaardige samenleving. Daarnaast kan het recht worden opgevat als een stelsel van rechtsregels, daaronder begrepen beginselen, begrippen en leerstukken,2 als een geheel van regels gericht op ordening van de samenleving,3 als een samenhangende normatieve eenheid van regels en beginselen.4
Dit brengt mij bij mijn eerste sleutel: het algemene vermogensrecht. Het personenvennootschapsrecht past ergens in een systeem waarvan het algemene vermogensrecht de basis vormt. Dit systeem vormt een waarborg om gelijke gevallen, nu en in de toekomst, gelijk te kunnen behandelen. Die functie vervult het en kan het vervullen doordat het inzichten en kennis uit het verleden in zich sluit, ordent, verdiept en op elkaar afstemt.5 Hiermee wordt geen statisch systeem bedoeld, maar een systeem dat open staat voor aanpassing in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen.6 Het recht als systeem is het altijd voorlopige resultaat van meningsvorming en overtuiging.7 Het recht is intrinsiek veranderlijk,8 het wijzigt mogelijk wel elke dag, de afwegingen van vandaag zijn niet die van morgen.9 Het is een nimmer voltooibaar, open en beweeglijk systeem.10
FoquÉ heeft het fraai onder woorden gebracht. Hij pleit ervoor dat:11
“het recht met zijn regels, zijn begrippen, ja zijn uitgewerkte dogmatiek, niet [wordt] begrepen als het resultaat van een constructie, die tot een systeem leidt dat de werkelijkheid ‘afbeeldt’, maar integendeel als het produkt van een verstaan. De juridische regels, begrippen en leerstukken zijn dan de geïnstitutionaliseerde wijze waarop dit verstaan van de werkelijkheid van mens en samenleving op een gegeven moment wordt geformuleerd. Elke actualisering van het recht is dan altijd meer dan loutere toepassing van een vastliggende afbeelding van die werkelijkheid, maar een toets voor de wijze waarop die werkelijkheid verstaan kan en vanuit dat kunnen behoort te worden.”
Volgens Meijers is de systematiek dikwijls een machtig hulpmiddel om tot nieuwe oordelen te komen.12 Met behulp van de structuur van het rechtssysteem zelf kan aan nieuwe ontwikkelingen een plaats in datzelfde rechtssysteem worden gegeven.13 Dit kan gestalte krijgen in nieuwe wetgeving, maar ook daarbuiten. Bij denken vanuit een dynamisch systeem wordt meer gedacht vanuit beginselen, werkmethoden en ideeën dan vanuit regeltjes. Een dergelijk systeem helpt om verbindingen te (kunnen) leggen tussen verschillende benaderingen en belangen.14 Het belang van een systematische benadering schuilt in de functie die zij kan vervullen, waarbij de nadruk gelegd kan worden op flexibiliteit en evenredigheid.15 Systematisch denken kan ook helpen onvermijdelijke complexiteit beheersbaar te houden: begrip van de systematiek vermindert de noodzaak tot kennis van afzonderlijke regeltjes en maakt nieuwe regeltjes beter maakbaar en voorspelbaar.
Een wet waarin geen rekening is gehouden met het feit dat de daarin gebruikte begrippen anders worden gebruikt dan in andere relevante wetten, is kwalitatief minder dan een wet die daar wel rekening mee houdt.16 Evenzo draagt systematisch denken vanuit het algemene vermogensrecht bij aan de kwaliteit van de rechtsontwikkeling. Deze eerste sleutel heeft mij gebracht tot het uitdiepen van een aantal onderwerpen van algemeen vermogensrecht die voor de personenvennootschappen van belang zijn. Dit betreft uiteenlopende onderwerpen zoals vertegenwoordiging, rechtspersoonlijkheid, vermogensovergang onder algemene titel, hoofdelijkheid, gemeenschap, vermogensscheiding en het ontstaansmoment van verbintenissen.
Tweede sleutel: het Nederlandse personenvennootschapsrecht
Mijn tweede sleutel betreft het Nederlandse personenvennootschapsrecht zelf. Dit vormt de basis van waaruit dit rechtsgebied zich verder kan ontwikkelen. Er liggen een rijk gedachtegoed en vele rechtvaardige en praktische oplossingen in besloten. Deze tweede sleutel omvat het bestaande personenvennootschapsrecht, de ontwerpen van Van der Grinten en Maeijer, het voorstel van de werkgroep-Van Olffen, en al wat daarover geschreven is. Bij deze tweede sleutel heb ik ook het bestaande structuurwijzigingsrecht van Boek 2 BW betrokken. Ik doel op de regels over omzetting, juridische fusie, juridische splitsing en aanverwante rechtsfiguren. Deze zijn niet van toepassing op personenvennootschappen, maar kunnen naar komend recht tot de personenvennootschappen worden uitgebreid.
Derde sleutel: rechtsvergelijking
Voor mijn derde sleutel, de rechtsvergelijking, ben ik naar Frankrijk, Duitsland en Engeland gegaan.17 In onze Nederlandse worsteling met het personenvennootschapsrecht staan wij niet alleen. Andere landen zoeken net als wij naar wegen tot modernisering van hun personenvennootschapsrecht, inclusief het daarbij behorende recht inzake structuurwijziging. Uit de ontwikkelingen in het buitenland kunnen wij inspiratie putten. Bepaalde oplossingen die in het buitenland zijn gevonden, zouden wij kunnen inpassen en overnemen.
In elk van de genoemde jurisdicties heb ik onderzocht welke personenvennootschappen daar bestaan en hoe die qua juridische systematiek in elkaar zitten. Ook heb ik in Frankrijk en Duitsland de voor personenvennootschappen relevante mogelijkheden tot structuurwijziging onderzocht. Waar dienstig worden buitenlandse oplossingen verbonden met Nederlandse leerstukken van algemeen vermogensrecht. Zo wordt de Rechtsfähigkeit van Duitse vennootschappen die geen rechtspersoon zijn in verband gebracht met de rechtsfiguur die ik wisselvertegenwoordiging heb genoemd.
Rode draad: facilitair ondernemingsrecht
Bij het werken met de drie genoemde sleutels heb ik een rode draad gebruikt. Het betreft mijn streven om binnen de grenzen van evenredigheid tot een zo groot mogelijke organisatie- en reorganisatievrijheid voor ondernemers te komen. Met Timmerman spreek ik van rechtsvormkeuzevrijheid.18 Vennootschapsrecht moet in de eerste plaats facilitair zijn.19 Enerzijds vraagt dit om een terughoudende rol voor de wetgever, want wetgeving heeft al snel de neiging prescriptief en beperkend te zijn. Anderzijds vraagt dit juist om een actief faciliterende rol van de wetgever. Een specifieke wettelijke regeling is bijvoorbeeld nodig voor de omzetting van een VOF in een BV. Dit facilitaire aspect komt ook duidelijk naar voren bij de aansprakelijkheid van vennoten. Moet er een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid komen? En hoe past de kruisaansprakelijkheid van artikel 2:334t BW in het beeld van de juridische splitsing van een VOF? Al deze vragen komen aan bod.
Deze rode draad is niet alleen een drijvende kracht achter de aanbevelingen die worden gedaan, maar relativeert die aanbevelingen ook. Rechtvaardigheid is tot op zekere hoogte een moving target. Dat geldt (dus) ook voor de grenzen die men aan vrijheid moet en mag stellen. Graag stel ik mijn overwegingen en aanbevelingen daarom open voor discussie.