Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/5.2.5.1
5.2.5.1 Regels Stabiliteits- en Groeipact zijn leidend
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.3.3.3.
Hierbij lijkt de regering in de nota van wijziging (Kamerstukken II 2012/13, 33 416, nr. 9) tegemoet te komen aan het commentaar van Reestman op het aanvankelijk wetsvoorstel (Reestman 2013b). Volgens de auteur was het onduidelijk naar welke norm het MTO uit sub a verwees; de algemene norm uit het SGP of de norm zoals vastgelegd in het Fiscal Compact. In het aanvankelijke wetsvoorstel werd enkel verwezen naar: ‘de MTO voor het structureel EMU-saldo’ (Kamerstukken II 2012/13, 33 416, nr. 2).
Kamerstukken II 2012/13, 33 416, nr. 3, p. 29. Tot voor kort werd door het kabinet een signaalmarge gehanteerd. Dit hield in dat als met meer dan 1% werd afgeweken van het in het regeerakkoord (Startnota) vastgestelde uitgavenkader, er uitgavenbeperkende maatregelen dienden te worden genomen: een zogenoemd bijsturingsmoment. Na het advies van de SBR, dat oordeelde dat de signaalmarge geen toegevoegde waarde had, omdat de signaalwaarde in de praktijk samenvalt met de 3%-norm en dat deze 3%-norm uiteindelijk bepalend bleek voor het sluiten van een begrotingsakkoord, heeft het in 2012 aangetreden kabinet besloten de signaalmarge los te laten en is deze dan ook niet opgenomen in de begrotingsregels. Een aanscherping van de signaalmarge zou volgens de Studiegroep overigens ook geen toegevoegde waarde hebben. Zie SBR, ‘Stabiliteit en Vertrouwen’, veertiende rapport 2012.
Het kabinet neemt de begrotingsafspraken zoals neergelegd in het Stabiliteits- en Groeipact als uitgangspunt voor de verankering van de begrotingsregels in de Wet HOF. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 lid 3 Wet HOF wordt gesteld dat ‘expliciet’ wordt verwezen naar ‘de Europese normen van het Stabiliteits- en Groeipact voor het structurele EMU-saldo, het feitelijke EMU-saldo en de feitelijke schuld’.1 Hiermee kan volgens het kabinet worden volstaan, omdat de eisen uit het Stabiliteits- en Groeipact nauw aansluiten bij de regel uit het Fiscal Compact.2 Dit klopt en het Fiscal Compact verwijst ook naar het Stabiliteits- en Groeipact. Maar het Fiscal Compact bevat daarnaast wel een lichte aanscherping van de regel voor het structureel EMU-saldo zoals neergelegd in het Stabiliteits- en Groeipact door de ondergrens voor de structurele middellange termijndoeltelling te stellen op -0,5% in plaats van -1% zoals is neergelegd in het Stabiliteits- en Groeipact.3 Het is dan ook de vraag of hiermee wordt voldaan aan het vereiste uit artikel 3 lid 2Fiscal Compact om ‘de in lid 1 vastgestelde regels’ te verankeren in het nationale recht. Echter nadat artikel 2 lid 3 sub a onder i Wet HOF bij nota van wijziging is gewijzigd kan dit artikel met een algemene verwijzing naar ‘de geldende MTO voor het structureel EMU saldo’ zo worden geïnterpreteerd dat zowel verwezen wordt naar de standaard uit het Stabiliteits- en Groeipact als het buiten de kaders van het EU-recht gesloten Fiscal Compact.4
De normen uit artikel 2 lid 3 sub a onder ii en iii Wet HOF verwijzen vervolgens naar de normen voor het begrotingstekort en de overheidsschuld zoals neergelegd in het Protocol nr. 12 bij het VWEU en in het Stabiliteits- en Groeipact. Sub b en c verwijzen naar de procedures uit het Stabiliteits- en Groeipact voor het respecteren van de normen, en eventuele aanbevelingen gericht aan Nederland. Sub d verwijst naar de verplichting om te voldoen aan de op nationaal en internationaal niveau vastgestelde normen voor het meerjarig feitelijk EMU-saldo. In de artikelsgewijze toelichting wordt het voorbeeld genoemd van het hanteren van een signaalwaarde door het kabinet.5