Voetnoot in pleitnota: “Dossier, p. 161.”
HR, 09-09-2025, nr. 21/04837 P
ECLI:NL:HR:2025:1243
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-09-2025
- Zaaknummer
21/04837 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1243, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑09‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2021:10756
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:606
ECLI:NL:PHR:2025:606, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1243
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑01‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0267
NTS 2025/65
Uitspraak 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Aftrek kosten, verweer dat kosten van aanleg van illegale stroomvoorziening van hennepkwekerij in mindering moeten worden gebracht op voordeel. HR herhaalt relevant overwegingen uit HR:2001:AB3200 m.b.t. kosten die voor aftrek in aanmerking komen en motiveringsplicht voor rechter bij verweer dat bepaalde kosten bij schatting van w.v.v. moeten worden afgetrokken. Hof heeft bij schatting w.v.v. uit bewezenverklaarde teelt en verkoop van hennep tot uitgangspunt genomen dat t.b.v. hennepkwekerij noodzakelijke investeringskosten voor aftrek in aanmerking komen v.zv. deze aan 1 oogst kunnen worden toegerekend, omdat alleen die afschrijvingskosten in directe relatie staan tot delict waarvoor ontnemingsmaatregel wordt opgelegd. Hof heeft vervolgens, in reactie op namens betrokkene gevoerd verweer, overwogen dat onder kosten die voor aftrek in aanmerking komen, niet het bedrag kan worden gerekend dat door betrokkene zou zijn betaald voor aanleg van stroomvoorziening, die bestaat uit aanleg van kabel en illegale aftapping op hoofdkabel. Aan die overweging heeft hof ten grondslag gelegd dat het niet gaat om kosten die in directe relatie tot (voltooiing van) delict staan nu het “kosten ter voorkoming van ontdekking van hennepkwekerij” betreft. Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Weliswaar kunnen uitgaven die specifiek zijn gedaan om ontdekking van strafbaar feit door politie en justitie te voorkomen, in beginsel worden gerekend tot kosten die voor rekening van betrokkene moeten blijven. Maar hof heeft ontoereikend gemotiveerd dat aanleg van stroomvoorziening uitsluitend met dat doel zou zijn gedaan en dat die aanleg niet (en dus ook niet voor een deel als afschrijvingskosten) in directe relatie staat tot teelt van hennep. Dat betrokkene ook op een andere manier tot teelt van hennep had kunnen overgaan, maakt dat niet anders. Dit leidt niet tot cassatie. Hof heeft immers ook overwogen dat betrokkene “geen enkel inzicht heeft gegeven in de door hem genoemde investering van € 40.000”, waarvan ook kosten deel uitmaken die volgens betrokkene voor aanleg van illegale stroomvoorziening zouden zijn gemaakt, en is daarom m.b.t. die door betrokkene gemaakte kosten uitgegaan van de daarvoor ontwikkelde normbedragen. Die vaststelling draagt verwerping van verweer zelfstandig. Volgt verwerping. CAG (strekking): vernietiging en terugwijzing. Samenhang met HR:2023:1317.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04837 P
Datum 9 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2021, nummer 21-002817-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van het verweer dat de kosten van de aanleg van de illegale stroomvoorziening van de hennepkwekerij in mindering moeten worden gebracht op het voordeel.
2.2.1
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:
“De rechtbank is in de hiervoor beschreven oordeelsvorming de kosten uit het oog verloren die zijn gemoeid met de aanleg van elektra vanuit de loods tot aan de straat. Cliënt heeft verklaard dat hij een monteur hiervoor € 8.000 betaalde. Dit bedrag komt geenszins onaannemelijk voor gelet op de significante aanpassingen die blijkens het dossier zijn gemaakt. Deze kosten maken onderdeel uit van het door cliënt genoemde totaalbedrag aan kosten ter hoogte van € 40.000. Deze kosten zijn echter niet verdisconteerd in de investeringskosten die in het BOOM-rapport op pagina 18 zijn omschreven en die in deze zaak € 12.000 euro beslaan. Dat betreft blijkens pagina 17 van dat rapport immers de kosten die zijn gemoeid met "duurzame productiemiddelen'' zoals ventilatoren, afzuiginstallaties, kweekbakken, het bewateringssysteem. Meer subsidiair wordt uw Hof dan ook verzocht om naast hetgeen de rechtbank reeds heeft vastgesteld ook de kosten voor de aanpassing van de elektriciteitsinstallatie mee te nemen en het totaal aan kosten dat voor aftrek in aanmerking komt vast te stellen op (21.145,20 + 8.000 =) € 29.145,20.”
2.2.2
De uitspraak van het hof houdt het volgende in:
“Kosten
Het hof stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat alleen redelijke kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict in mindering gebracht kunnen worden.
Kosten aanleg illegale stroomvoorziening
Betrokkene heeft bij de politie verklaard dat hij € 8.000,00 heeft betaald voor de aanleg van de stroomvoorziening (het hof begrijpt: de aanleg van de kabel door de grond en de illegale aftapping op de hoofdkabel). Het hof overweegt dat dit wellicht kosten zijn die betrokkene heeft gemaakt ten behoeve van de aanleg van zijn hennepkwekerij maar dat het daarmee nog geen kosten zijn die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict dat ten grondslag ligt aan de becijfering van het wederrechtelijk verkregen voordeel (de oogst van de hennepteelt in de periode van 1 december 2017 tot en met 28 februari 2018). Het hof verwijst in dit verband naar Hoge Raad 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3254 en Hoge Raad 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1199. In feite gaat het immers om kosten ter voorkoming van ontdekking van de hennepkwekerij. Door de elektriciteit illegaal af te nemen, wordt voorkomen dat door de energieleverancier onderzoek wordt ingesteld naar een stijging van de stroomafname (hetgeen hoogstwaarschijnlijk het geval zou zijn indien legaal elektriciteit zou worden afgenomen). Daarmee staan die kosten dus niet in directe relatie tot de voltooiing van het delict. Immers zou ook zonder het illegaal aftappen van elektriciteit het delict voltooid kunnen worden.
(...)
Afschrijvingskosten
Zoals hiervoor reeds overwogen blijkt uit vigerende jurisprudentie van de Hoge Raad dat bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts die kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en, zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. Van de investeringskosten - de aanschaf van voor een hennepkwekerij noodzakelijke attributen - kan in deze zaak weliswaar worden gezegd dat zij in directe relatie staan tot het strafbare feit, niet aannemelijk is echter, mede gelet op de omvang van de hennepkwekerij met vier kweekruimten (te weten totaal: 632 hennepplanten), dat betrokkene deze investering heeft gedaan met het uitsluitende doel om slechts één oogst te realiseren. Het in het rapport van de politie gehanteerde uitgangspunt dat alleen de aan één oogst toe te rekenen afschrijvingskosten worden aangemerkt als kosten, die in directe relatie staan tot het strafbare feit, acht het hof derhalve in beginsel juist. Het risico van ontijdige ontmanteling van de hennepkwekerij dient voor rekening van betrokkene te komen. Daarnaast stelt het hof vast dat betrokkene geen enkel inzicht heeft gegeven in de door hem genoemde investering van € 40.000,-. Dat hij niet over facturen of kwitanties beschikt kan hem wellicht - gelet op de wijze waarop dergelijke aankopen doorgaans plaatsvinden - niet worden tegengeworpen. Van betrokkene had ten behoeve van de behandeling in hoger beroep echter ten minste verwacht mogen worden dat hij de besteding van de gestelde uitgaven op enigerlei wijze in kaart had gebracht en nader had gespecificeerd. Betrokkene heeft zich ter zitting in hoger beroep op zijn zwijgrecht beroepen. Het hof acht derhalve niet aannemelijk geworden dat betrokkene een bedrag van € 40.000,- heeft geïnvesteerd. Het hof ziet dan ook - anders dan de rechtbank - geen enkele aanleiding om af te wijken van de in deze gebruikelijke, aan de zogeheten BOOM-normen ontleende, berekeningsmethode. Dat betekent dat alleen de aan één oogst toe te rekenen afschrijvingskosten kunnen worden aangemerkt als kosten die in directe relatie staan tot het delict en derhalve in mindering gebracht dienen te worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
(...)
Totale kosten
Stekkosten € 3.160,00
Variabele kosten € 2.452,16
Huurkosten € 1.997,30
Afschrijvingskosten € 600,00
Totaal € 8.209,46
Berekening wederechtelijk verkregen voordeel
Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gesteld op:
Bruto opbrengst € 68.400,00
Totale kosten -/-€ 8.209,46
Totaal € 60.190,54.”
2.3
Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en, zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met dergelijke kosten. De rechter is in het algemeen niet verplicht om de beslissing daarover te motiveren. Dat is anders als namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de betreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden afgetrokken. Dan moet de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als dergelijke kosten kunnen gelden maar dat zij – al dan niet gedeeltelijk – voor rekening van de betrokkene moeten blijven. (Vgl. HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200.)
2.4.1
Het hof heeft bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de bewezenverklaarde teelt en verkoop van hennep tot uitgangspunt genomen dat de ten behoeve van de hennepkwekerij noodzakelijke investeringskosten voor aftrek in aanmerking komen voor zover deze aan één oogst kunnen worden toegerekend, omdat alleen die afschrijvingskosten in directe relatie staan tot het delict waarvoor de ontnemingsmaatregel wordt opgelegd. Het hof heeft vervolgens, in reactie op een namens de betrokkene gevoerd verweer, overwogen dat onder de kosten die voor aftrek in aanmerking komen, niet het bedrag kan worden gerekend dat door de betrokkene zou zijn betaald voor de aanleg van de stroomvoorziening, die bestaat uit de aanleg van een kabel en een illegale aftapping op de hoofdkabel. Aan die overweging heeft het hof als zijn oordeel ten grondslag gelegd dat het wat betreft deze aanleg van de stroomvoorziening niet gaat om kosten die in directe relatie tot (de voltooiing van) het delict staan nu het “kosten ter voorkoming van ontdekking van de hennepkwekerij” betreft. Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Weliswaar kunnen uitgaven die specifiek zijn gedaan om de ontdekking van het strafbare feit door politie en justitie te voorkomen, in beginsel worden gerekend tot kosten die voor rekening van de betrokkene moeten blijven. Maar het hof heeft ontoereikend gemotiveerd dat de aanleg van de stroomvoorziening uitsluitend met dat doel zou zijn gedaan en dat de aanleg van de stroomvoorziening om het kweken van hennep in de loods mogelijk te maken niet – en dus ook niet voor een deel als afschrijvingskosten – in directe relatie staat tot de teelt van hennep. Dat de betrokkene, zoals het hof heeft overwogen, ook op een andere manier, zonder gebruikmaking van deze aangelegde stroomvoorziening, tot de teelt van hennep had kunnen overgaan, maakt dat niet anders.
2.4.2
Het cassatiemiddel klaagt hierover terecht. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Het hof heeft immers ook overwogen dat de betrokkene “geen enkel inzicht heeft gegeven in de door hem genoemde investering van € 40.000”, waarvan ook de kosten deel uitmaken die volgens de betrokkene voor de aanleg van de illegale stroomvoorziening zouden zijn gemaakt en is daarom met betrekking tot die door de betrokkene gemaakte kosten uitgegaan van de daarvoor ontwikkelde normbedragen. Die vaststelling draagt de verwerping van het verweer door het hof zelfstandig.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 60.190,54. In de omstandigheid dat de Hoge Raad pas uitspraak kan doen nadat meer dan 36 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde betalingsverplichting te verminderen met € 5.000.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 55.190,54 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2025.
Conclusie 27‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Profijtontneming. M1 bevat terechte klacht over oordeel hof dat kosten voor de aanleg van de illegale stroomvoorziening geen kosten zijn die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Ten onrechte rekent het hof daartoe uitsluitend kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de voltooiing van het delict. M2 bevat terechte klacht over de overschrijding van de inzendtermijn. Ambtshalve opmerking over overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase. Concl. strekt tot (gedeeltelijke) vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/04837 P
Zitting 27 mei 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de betrokkene
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 11 november 2021 (parketnr. 21-002817-20) de betrokkene – ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel – de verplichting opgelegd tot betaling van € 60.190,54 aan de Staat. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling bepaald op 1080 dagen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 21/04838. De Hoge Raad heeft in die zaak bij arrest van 17 oktober 2023 het cassatieberoep van de betrokkene in zijn strafzaak verworpen.
1.3
Het cassatieberoep is op 23 november 2021 ingesteld namens de betrokkene. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat bepaalde gemaakte kosten niet in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict waarvoor wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. In het tweede middel wordt geklaagd over schending van de inzendtermijn.
1.4
De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het hof ArnhemLeeuwarden.
2. Het eerste middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat “het oordeel van het hof dat de ten behoeve van de hennepkwekerij betaalde kosten van aanleg van de kabel door de grond en de illegale aftapping op de hoofdkabel geen kosten zijn die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict dat ten grondslag ligt aan de becijfering van het wederrechtelijk verkregen voordeel (te weten de oogst van de hennepteelt) onjuist althans onbegrijpelijk is, zodat de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen is omkleed”.
2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die onder meer het volgende inhoudt:
“43. (…) De rechtbank is in de hiervoor beschreven oordeelsvorming de kosten uit het oog verloren die zijn gemoeid met de aanleg van elektra vanuit de loods tot aan de straat. Cliënt heeft verklaard dat hij een monteur hiervoor €8.000 betaalde.1.Dit bedrag komt geenszins onaannemelijk voor gelet op de significante aanpassingen die blijkens het dossier zijn gemaakt.2.Deze kosten maken onderdeel uit van het door cliënt genoemde totaal bedrag aan kosten ter hoogte van € 40.0000. Deze kosten zijn echter niet verdisconteerd in de investeringskosten die in het BOOM-rapport op pagina 18 zijn omschreven en die in deze zaak €12.000 euro beslaan. Dat betreft blijkens pagina 17 van dat rapport immers de kosten die zijn gemoeid met “duurzame productie middelen” zoals ventilatoren, afzuiginstallaties, kweekbakken, het bewateringssysteem. Meer subsidiair wordt uw Hof dan ook verzocht om naast hetgeen de rechtbank reeds heeft vastgesteld ook de kosten voor de aanpassing van de elektriciteitsinstallatie mee te nemen en het totaal aan kosten dat voor aftrek in aanmerking komt vast te stellen op (21.145,20 + 8.000=) €29.145,20.”
2.3
Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Kosten
Het hof stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat alleen redelijke kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict in mindering gebracht kunnen worden.
Kosten aanleg illegale stroomvoorziening
Betrokkene heeft bij de politie verklaard dat hij € 8.000,00 heeft betaald voor de aanleg van de stroomvoorziening (het hof begrijpt: de aanleg van de kabel door de grond en de illegale aftapping op de hoofdkabel). Het hof overweegt dat dit wellicht kosten zijn die betrokkene heeft gemaakt ten behoeve van de aanleg van zijn hennepkwekerij maar dat het daarmee nog geen kosten zijn die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict dat ten grondslag ligt aan de becijfering van het wederrechtelijk verkregen voordeel (de oogst van de hennepteelt in de periode van 1 december 2017 tot en met 28 februari 2018). Het hof verwijst in dit verband naar Hoge Raad 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3254 en Hoge Raad 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1199. In feite gaat het immers om kosten ter voorkoming van ontdekking van de hennepkwekerij. Door de elektriciteit illegaal af te nemen, wordt voorkomen dat door de energieleverancier onderzoek wordt ingesteld naar een stijging van de stroomafname (hetgeen hoogstwaarschijnlijk het geval zou zijn indien legaal elektriciteit zou worden afgenomen). Daarmee staan die kosten dus niet in directe relatie tot de voltooiing van het delict. Immers zou ook zonder het illegaal aftappen van elektriciteit het delict voltooid kunnen worden.”
2.4
Ik stel het volgende voorop. Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.3.Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en, zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met dergelijke kosten. De rechter is in het algemeen niet verplicht de beslissing daarover te motiveren. Dat is anders als namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de betreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden afgetrokken. Dan moet de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als dergelijke kosten kunnen gelden maar dat zij – al dan niet gedeeltelijk – voor rekening van de betrokkene moeten blijven.4.
2.5
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van een door het Openbaar Ministerie ingestelde cassatie in zijn arrest HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3264, NJ 2016/57, m.nt. J.M. Reijntjes het volgende geoordeeld:
“2.5. Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat het door de betrokkene uit hoofde van een vaststellingsovereenkomst met de belastingdienst betaalde bedrag aan loonbelasting en kansspelbelasting is aan te merken als een kostenpost die in directe relatie staat tot het delict en dus in mindering mag worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij gaat het middel ervan uit dat uitsluitend die kosten voor aftrek in aanmerking komen die noodzakelijk zijn geweest om het delict mogelijk te maken, hetgeen hier niet het geval is omdat het delict ook kon worden gepleegd zonder de betaling van de belastingbedragen.
2.6.
Die opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Onder kosten die in directe relatie staan tot het delict moeten die kosten worden gerekend die bespaard zouden zijn geweest als het delict niet zou zijn gepleegd (vgl. HR 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC0473, NJ 1993/12). Daartoe kunnen dus ook kosten behoren die niet ten behoeve van de voltooiing van het delict zijn gemaakt en in zoverre dus niet noodzakelijk waren.”
2.6
In het onderhavige geval heeft het hof – kort gezegd – geoordeeld dat de betaalde kosten voor de stroomvoorziening wellicht kosten zijn die de betrokkene heeft gemaakt ten behoeve van de aanleg van zijn hennepkwekerij, maar dat het daarmee nog geen kosten zijn die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict dat ten grondslag ligt aan de becijfering van het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu het in feite gaat om kosten ter voorkoming van ontdekking van de hennepkwekerij. Het oordeel van het hof berust op de onjuiste rechtsopvatting dat onder ‘kosten die in directe relatie staan tot het delict’ uitsluitend kosten behoren die zijn gemaakt ten behoeve van de voltooiing van het delict. Onder kosten die in directe relatie staan tot het delict moeten echter die kosten worden gerekend die bespaard zouden zijn geweest als het delict niet zou zijn gepleegd.5.Het hof heeft het gevoerde verweer op onjuiste gronden en tevens onbegrijpelijk gemotiveerd verworpen.6.
2.7
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Het tweede middel
3.1
3.2
Namens de betrokkene is op 23 november 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 5 december 2023 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim zestien maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat ook om die reden de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden. Beide overschrijdingen van de redelijke termijn dienen te leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting.
3.3
Indien de Hoge Raad het bestreden arrest casseert op grond van het eerste middel, zal de rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen of verwezen over de schendingen van de redelijke termijn in de cassatiefase moeten oordelen. In dat geval kan de Hoge Raad het tweede middel onbesproken laten.
4. Slotsom
4.1
De middelen zijn terecht voorgesteld.
4.2
Ambtshalve heb ik geen andere dan de hierboven vermelde gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑05‑2025
Voetnoot in pleitnota: “Zie bijvoorbeeld de foto's over de aanleg van een stroomkabel vanuit het pand tot aan de straatkant (dossier, p. 25-27). Ook blijkt uit de aangifte van Liander dat bij de aanleg van het stroomnetwerk rekening is gehouden met beveiliging tegen onder meer overstroom en kortsluiting (dossier, p. 43).”
Vgl. HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242 m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 4.4.
Vgl. onder meer HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:349, rov. 2.3 en HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200, NJ 2002/124 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.3.
Vgl. het in het vorige randnr. van deze conclusie aangehaalde arrest HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3264, rov. 2.6.
Vgl. HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:349, rov. 2.4. Het ging in deze zaak om illegaal afgenomen elektriciteit die was gebruikt bij de teelt van hennep en om de kosten die daartoe waren gemaakt.
Beroepschrift 15‑01‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 21/04837 P
Betekening aanzegging: 15 januari 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[betrokkene]
wonende te [woonplaats],
betrokkene,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20220226
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de veroordeelde bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [betrokkene], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 11 november 2021, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 60.190,54 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd om dat bedrag te betalen aan de Staat.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 36e lid 8 Sr, 511e, 511g en 415 Sv, nu het oordeel van het hof dat de ten behoeve van de hennepkwekerij betaalde kosten van aanleg van de kabel door de grond en de illegale aftapping op de hoofdkabel geen kosten zijn die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict dat ten grondslag ligt aan de becijfering van het wederrechtelijk verkregen voordeel (te weten de oogst van de hennepteelt) onjuist althans onbegrijpelijk is, zodat de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen is omkleed.
Toelichting
1.1
In het vonnis in eerste aanleg heeft de rechtbank Midden-Nederland het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 47.254,80 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dit bedrag. In het vonnis heeft de rechtbank daartoe onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Veroordeelde heeft een concrete verklaring afgelegd omtrent de gerealiseerde kiloprijs per oogst. Hierbij heeft veroordeelde aangegeven dat de oogst bestond uit 632 planten van in totaal 18 kilo en dat hij deze voor € 3.800,- per kilogram heeft verkocht. Op grond hiervan kan een totale bruto opbrengst van 18 × € 3.800,- = € 68.400,- worden aangenomen.
Veroordeelde heeft gesteld dat hij een totaal bedrag van € 49.145,20 aan kosten heeft gemaakt en heeft verzocht deze kosten in mindering te brengen bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Veroordeelde heeft dit standpunt niet nader onderbouwd en de rechtbank acht deze kosten niet aannemelijk. De rechtbank zal derhalve voor een deel van de door veroordeelde gemaakte kosten aansluiting zoeken bij de uitgangspunten zoals genoemd in het BOOM-rapport.
Stekkosten
De rechtbank gaat uit van de verklaring van veroordeelde dat er 640 hennepstekjes zijn gekocht voor een bedrag van € 5,00 per stuk. De totalen stekkosten van veroordeelde bedragen derhalve 640 × € 5,00 = € 3.200,-.
Huurkosten
Uit het huurcontract zoals opgenomen in het dossier blijkt dat veroordeelde de loods huurde van de heer [verhuurder]. Veroordeelde heeft de loods vanaf 1 december 2017 gehuurd tot en met maart 2018. Veroordeelde betaalde hier maandelijks een bedrag van € 856,50 voor. In totaal heeft veroordeelde 4 × € 865,50 = € 3.462,00 aan huurkosten gemaakt.
Variabele kosten
Uit het BOOM rapport blijkt dat indien er geen concrete aanwijzingen zijn omtrent de variabele kosten een bedrag van € 3,88 per plant als norm moet worden aangehouden. In het geval van veroordeelde betekent dit een totaal bedrag aan variabele kosten van 640 × € 3,88 = € 2.483,20.
Investeringskosten
De rechtbank gaat ervan uit dat er in totaal 632 hennepplanten zijn geoogst. Deze planten zijn in vier verschillende ruimtes gekweekt waarbij het gaat om vier ruimtes met 0 tot 200 planten. Volgens het BOOM rapport brengt dit € 3.000,- aan investeringskosten per ruimte met zich mee. In het geval van veroordeelde betekent dit een bedrag van 4 × € 3.000,- = € 12.000,- aan investeringskosten.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank uit op de hierna vermelde kosten:
Stekkosten | € 3.200,- |
Huurkosten | € 3.462,- |
Variabele kosten | € 2.483,20 |
Investeringskosten | € 12.000,- |
Totale kosten | € 21.145,20 |
3.2.3. Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank uit op de hierna vermelde netto-opbrengst:
Bruto opbrengst | € 68.400,- |
Totale kosten-/- | € 21.145,20 |
Netto opbrengst | € 47.254,80 |
De rechtbank zal op basis van het bovenstaande het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op € 47.254,80.’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 oktober 2021 is onder meer gerelateerd dat de advocaat-generaal de vordering heeft voorgelezen strekkende tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 47.254,80 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Voorts is daarin gerelateerd dat mr. J.L.F. Groenhuijsen, advocaat te Amsterdam, het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Hierin is onder meer aangevoerd:
‘De rechtbank is in de hiervoor beschreven oordeelsvorming de kosten uit het oog verloren die zijn gemoeid met de aanleg van elektra vanuit de loods tot aan de straat. Cliënt heeft verklaard dat hij een monteur hiervoor € 8.000 betaalde. Dit bedrag komt geenszins onaannemelijk voor gelet op de significante aanpassingen die blijkens het dossier zijn gemaakt. Deze kosten maken onderdeel uit van het door cliënt genoemde totaalbedrag aan kosten ter hoogte van € 40.0000. Deze kosten zijn echter niet verdisconteerd in de investeringskosten die in het BOOM-rapport op pagina 18 zijn omschreven en die in deze zaak € 12.000 euro beslaan. Dat betreft blijkens pagina 17 van dat rapport immers de kosten die zijn gemoeid met ‘duurzame productiemiddelen’ zoals ventilatoren, afzuiginstallaties, kweekbakken, het bewateringssysteem. Meer subsidiair wordt uw Hof dan ook verzocht om naast hetgeen de rechtbank reeds heeft vastgesteld ook de kosten voor de aanpassing van de elektriciteitsinstallatie mee te nemen en het totaal aan kosten dat voor aftrek in aanmerking komt vast te stellen op (21.145,20 + 8.000 =) € 29.145,20.
(…)’
1.3
In het arrest heeft het hof het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op een bedrag van € 60.190,54 en heeft het hof de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat. In het arrest heeft het hof onder meer het door de verdediging gevoerde verweer verworpen. Het hof heeft daartoe overwogen:
‘Kosten aanleg illegale stroomvoorziening
Betrokkene heeft bij de politie verklaard dat hij € 8.000,00 heeft betaald voor de aanleg van de stroomvoorziening (het hof begrijpt: de aanleg van de kabel door de grond en de illegale aftapping op de hoofdkabel). Het hof overweegt dat dit wellicht kosten zijn die betrokkene heeft gemaakt ten behoeve van de aanleg van zijn hennepkwekerij maar dat het daarmee nog geen kosten zijn die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict dat ten grondslag ligt aan de becijfering van het wederrechtelijk verkregen voordeel (de oogst van de hennepteelt in de periode van 1 december 2017 tot en met 28 februari 2018). Het hof verwijst in dit verband naar Hoge Raad 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3254 en Hoge Raad 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1199. In feite gaat het immers om kosten ter voorkoming van ontdekking van de hennepkwekerij. Door de elektriciteit illegaal af te nemen, wordt voorkomen dat door de energieleverancier onderzoek wordt ingesteld naar een stijging van de stroomafname (hetgeen hoogstwaarschijnlijk het geval zou zijn indien legaal elektriciteit zou worden afgenomen). Daarmee staan die kosten dus niet in directe relatie tot de voltooiing van het delict. Immers zou ook zonder het illegaal aftappen van elektriciteit het delict voltooid kunnen worden.’
1.4
Vanwege het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in art. 36e Sr, dient bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft verworven.1.
1.5
Bij het vaststellen van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel brengt de ontnemingsrechter op de voet van art. 36e lid 8 Sr alleen die kosten in mindering (1) die rechtstreeks in verband staan met het begaan van de delicten waarop de ontneming is gegrond, en (2) die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen.2. Indien evenwel de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij — al dan niet gedeeltelijk — voor rekening van de betrokkene dienen te blijven.3. Onder ‘kosten die in directe relatie staan tot het delict’, zijnde de formulering waarmee de Hoge Raad de hiervoor onder (1) bedoelde voorwaarde tot uitdrukking pleegt te brengen, moeten die kosten worden gerekend die bespaard zouden zijn geweest als het delict niet zou zijn gepleegd.4. Volgens AG Aben vertolkt de Hoge Raad met de frase ‘kosten die bespaard zouden zijn geweest als het delict niet zou zijn gepleegd’ de meer bedrijfseconomisch georiënteerde begrippen ‘marginale kosten’, ‘grenskosten’ of ‘additionele kosten’. Het gaat in die gevallen in essentie om het bedrag waarmee de totale (variabele) kosten toenemen door een verhoging van de productie. Vaste lasten, waarvan de omvang constant van aard is en waarvan de hoogte dus niet samenhangt met het volume van de productie, vallen daaronder in beginsel niet, ook niet een evenredig deel daarvan.5.
1.6
Dat door aanwending van bepaalde kosten geen winst is gemaakt en dus geen voordeel is gegenereerd is bijvoorbeeld onvoldoende om daaruit af te leiden dat de kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het bewezenverklaarde delict, dan wel die kosten wel als zodanig kunnen gelden maar voor rekening van de betrokkene dienen te blijven.6. Dat de bij de exploitatie van een hennepkwekerij gemaakte elektriciteitskosten niet kunnen worden aangemerkt als kosten die rechtstreeks in verband staan met het begaan van de delicten waarop de ontneming is gegrond nu er sprake is geweest van diefstal van stroom zodat die kosten slechts in verbinding zouden staan met de diefstal, is onjuist althans onbegrijpelijk.7.
1.7
Gelet op het bovenstaande is het oordeel van het hof, dat de ten behoeve van de hennepkwekerij betaalde kosten van aanleg van de kabel door de grond en de illegale aftapping op de hoofdkabel geen kosten zijn die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict dat ten grondslag ligt aan de becijfering van het wederrechtelijk verkregen voordeel (te weten de oogst van de hennepteelt) dan ook onjuist althans onbegrijpelijk zodat de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen is omkleed.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 6 en 13 EVRM en wel omdat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden.
Toelichting
Op 23 november 2021 is namens de betrokkene beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Het hof heeft de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, nu de Hoge Raad de stukken pas op 5 december 2023 heeft ontvangen, zodat daardoor dat redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot vermindering van de verplichting van het bedrag om aan de Staat te betalen.8.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 12 maart 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 15‑01‑2024
HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242 m.nt. Riphagen; HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3721, NJ 2005/133, en HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3364, NJ 2016/10.
Zie onder meer HR 6 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1560; HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200, NJ 2002/124; HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:834 en CAG 7 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1149.
HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200, NJ 2002, 124.
Daartoe kunnen dus ook kosten behoren die niet ten behoeve van de voltooiing van het delict zijn gemaakt en in zoverre dus niet noodzakelijk waren, aldus oordeelde de Hoge Raad in HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3261, NJ 2016/57.
CAG 11 april 2023, ECLI:NL:PHR:2023:410.
Vgl. HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:834, NJ 2017/209.
HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0779 en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4839.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:VD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.