Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.4.2.4.2
4.4.2.4.2 Omvang van de omslagvordering
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931102:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het oorspronkelijke ontwerp van de regeling voorzag in een omslag “naar evenredigheid”, zonder dat onderscheid werd gemaakt tussen draagplichtige en niet-draagplichtige schuldenaren. Zie art. 6.1.2.4 lid 2 OM: “Indien het verhaal op een hoofdelijke schuldenaar geheel of gedeeltelijk onmogelijk blijkt, wordt het aandeel van ieder der andere schuldenaren, zelfs van hen jegens wie de schuldeiser inmiddels afstand van zijn vorderingsrecht had gedaan, onderling naar evenredigheid verhoogd.”
Asser/Sieburgh 6-I 2020/134; Struycken & Keukens 2017/9.2.2.1 (p. 206-208).
Zie onder meer Van Verschuer 1984, p. 735; Bergervoet 2014/291; Struycken & Keukens 2017/9.2.2.1 (p. 206-208); Van Oostrum 2019a/4.4 (p. 139-141). Zie voor kritiek hierop onder meer Rutten 1984, daarin – zij het in verschillende mate en op verschillende gronden – bijgevallen door Van Verschuer 1984; Ophof 1987; Van der Grinten 1987, p. 63 e.v.; De Kok 1991, p. 288-291; en Van Andel 2001, p. 311-321. Zie voor repliek Asser/Hartkamp 4-I 1988/127. Vgl. voorts reeds Schoordijk 1979, p. 99.
Steneker 2007/6.
Zie bijvoorbeeld Rutten 1984, p. 520-521.
Zie hiervoor, nr. 185.
187. Wie worden omgeslagen? Voor het antwoord op de vraag over wie een onverhaalbaar gebleven deel van de schuld wordt omgeslagen, is van belang ten laste van wie de schuld werd gedelgd.
Werd de schuld gedelgd ten laste van een draagplichtige schuldenaar, dan vindt de omslag plaats binnen de kring van draagplichtige schuldenaren, naar evenredigheid van ieders draagplicht (art. 6:13 lid 1 BW).1 Daarbij is van belang dat de kring van draagplichtige schuldenaren ook alleen kan bestaan uit de draagplichtige schuldenaar die presteerde. 2 In dat geval biedt de omslagregel hem geen soelaas, omdat hij de pijn van de onverhaalbaarheid van zijn verhaalsvordering zelf moet dragen.
Stel dat schuldeiser A een vordering had van € 1 miljoen op hoofdelijk schuldenaren B, C en D. In hun onderlinge verhouding is B voor 60% draagplichtig, C voor 40% en D voor 0%. Indien de schuld ten laste van B werd gedelgd, heeft B uit hoofde van art. 6:10 en 6:12 BW verhaalsrechten jegens C ten belope van€ 400.000.
Als de € 400.000 waarvoor B verhaalsrechten had niet verhaalbaar is op C, omdat C insolvent is, wordt dit deel omgeslagen over de draagplichtige schuldenaren (art. 6:13 lid 1 BW). Tot die kring behoort – naast C die dus geen verhaal biedt – alleen B. B draagt niet alleen het deel van de schuld waarvoor hij draagplichtig is (€ 600.000), maar ook het onverhaalbaar gebleken deel (€ 400.000). D blijft als niet-draagplichtige schuldenaar buiten schot.
Werd de schuld gedelgd ten laste van een niet-draagplichtige schuldenaar, dan zal het onverhaalbare deel in beginsel moeten worden omgeslagen over de draagplichtige schuldenaren, naar rato van ieders draagplicht (art. 6:13 lid 1 BW). Niet-draagplichtige schuldenaren blijven in de omslag in beginsel dus buiten schot, zowel indien de schuld wordt gedelgd ten laste van een draagplichtige schuldenaar als wanneer de schuld wordt gedelgd ten laste van een niet-draagplichtige schuldenaar. Dit is slechts anders indien de schuld wordt gedelgd ten laste van een niet-draagplichtige schuldenaar, terwijl het niet mogelijk is om het onverhaalbaar gebleven gedeelte om te slaan over wel-draagplichtige schuldenaren. In dat geval wordt het onverhaalbaar gebleven deel omgeslagen over de niet-draagplichtige schuldenaren, naar rato van de mate waarin iedere schuldenaar jegens de schuldeiser aansprakelijk was (art. 6:13 lid 2 BW).
Dit systeem wordt wel aangeduid als het systeem van de ‘gescheiden circuits’,3 omdat eerst wordt bekeken of omslag binnen het circuit van draagplichtige schuldenaren mogelijk is, voordat omslag over niet-draagplichtige schuldenaren plaatsvindt.
Steneker onderscheidt nog een derde circuit, voor het geval een aanspraak uit hoofde van art. 6:13 lid 2 BW onverhaalbaar blijkt.4 Hij doelt op de situatie waarin een niet-draagplichtige schuldenaar presteert, waarna duidelijk wordt dat die schuldenaar geen verhaal vindt bij de draagplichtige hoofdelijk schuldenaar (of schuldenaren), het onverhaalbaar gebleven gedeelte vervolgens wordt omgeslagen over de niet-draagplichtige schuldenaren, en vervolgens blijkt dat ook een niet-draagplichtige schuldenaar geen verhaal biedt voor de omslagvordering. In dat geval ben ik het met hem eens dat het de voorkeur verdient om de pijn te verdelen over de niet-draagplichtige hoofdelijk schuldenaren die wel verhaal bieden.
Voor de goede orde merk ik op dat een dergelijke situatie zich bij art. 6:13 lid 1 BW niet snel zal voordoen, omdat indien een draagplichtige hoofdelijk schuldenaar geen verhaal biedt voor een omslagvordering uit hoofde van art. 6:13 lid 1 BW, hij doorgaans ook geen verhaal zal bieden voor de tegen hem gerichte vordering uit hoofde van art. 6:10 lid 2 en/of art. 6:12 BW.
188. Omvang. In de literatuur heeft discussie bestaan over het antwoord op de vraag hoe het onverhaalbaar gebleven deel precies moet worden omgeslagen, met andere woorden: hoe de omvang van de omslagvordering dient te worden bepaald. Naar oud recht gold daarbij de regel dat dit “ponds ponds gelijk” werd verdeeld (art. 1329 BW (oud)). Hoewel ook naar oud recht reeds werd verdedigd dat dit zo moest worden opgevat dat het onverhaalbaar gebleven gedeelte werd omgeslagen naar evenredigheid van ieders vordering (en dus niet voor gelijke delen),5 maakt de tekst van art. 6:13 BW dit duidelijker.
Indien het onverhaalbare deel wordt omgeslagen over draagplichtige medeschuldenaren, vindt de omslag plaats “naar evenredigheid van de gedeelten waarvoor de schuld ieder van hen in hun onderlinge verhouding aanging” (art. 6:13 lid 1 BW). Gaat het om omslag over niet-draagplichtige schuldenaren, dan is dat uiteraard niet mogelijk, omdat zij allemaal niet draagplichtig zijn. Omslag vindt dan plaats “naar evenredigheid van de bedragen waarvoor ieder op het tijdstip van de delging van de schuld jegens de schuldeiser aansprakelijk was” (art. 6:13 lid 2 BW). Zoals reeds opgemerkt,6 wordt op deze wijze bereikt dat de onderlinge verhouding tussen de hoofdelijk schuldenaren niet wijzigt door het feit dat een van hen geen verhaal biedt.