Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/6.3.7
6.3.7 Schadevergoeding aan de fiscus als benadeelde partij
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270200:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie A-G Knigge van 11 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV4007, onderdeel 9.
HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2120, NJ 1997/102.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4007, NJ 2006/263.
HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF8839, NJ 2004/197.
Rb. Overijssel 6 april 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1435.
HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2120, NJ 1997/102.
Feteris (1993, p. 19 en 20) beschouwt conservatoire maatregelen (maatregelen die de fiscus kan nemen wanneer de mogelijkheid tot heffing of invordering van belasting, anders dan door belastingbesparende constructies in gevaar dreigt te komen) ook niet als bestraffend omdat het gaat om naar het oordeel van de wetgever tot correcte heffing en invordering van belasting te komen.
Zie ook Feteris 1991, p. 20 over maatregelen die bedoeld zijn om naar het oordeel van de wetgever tot correcte heffing en invordering van belastingen te komen.
Andere verschillen tussen aansprakelijkstelling op grond van een bepaling uit de IW 1990 en een actie uit onrechtmatige daad zijn onder andere, andere verjaringstermijnen, andere voorwaarden voor aansprakelijkstelling of een onrechtmatige daadactie, en andere procedure. Hierbij valt te denken aan de (on)mogelijkheid bezwaar te maken tegen de onderliggende belastingaanslagen.
Raaijmakers 2014, conclusie bij onderdeel 2.4.3.
Inhoud en wettelijke grondslag
Op grond van art. 51f WvSv kan degene die rechtstreeks schade (vermogensschade of ander nadeel) heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding (in de zin van art. 6:162 BW) in het strafproces voegen als benadeelde partij. In de regel is het het slachtoffer dat rechtstreeks schade heeft geleden (art. 51a WvSv), maar het kan ook gaan om nabestaanden van het slachtoffer (art. 51f lid 2 WvSv). Op grond van art. 36f WvSr kan de rechter vervolgens de verplichting opleggen tot betaling van een geldbedrag aan de staat:
“Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel of een last als bedoeld in artikel 37 wordt opgelegd, of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden in de zin van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De Staat keert het ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer of diens nabestaanden in de zin van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.”
Kortom: wanneer het slachtoffer een civiele vordering tot schadevergoeding wil indienen, kan hij zich voegen in het strafproces. Wanneer de vordering tot schadevergoeding door de rechter wordt toegewezen, moet het bedrag door de veroordeelde worden betaald aan de Staat. De Staat keert het ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer. Uit art. 36f lid 8 WvSr blijkt dat de regeling inzake de vervangende hechtenis (van art. 24c WvSr) van toepassing is, met dien verstande dat het de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Toepassing in fiscalibus
De vraag is of de fiscus voegingsgerechtigd is. Anders gezegd: wordt met deze regel beoogd de positie van private personen in het strafproces te versterken, of kan ook de Belastingdienst, als onderdeel van de Rijksoverheid, als slachtoffer worden aangemerkt en uit dien hoofde een vordering tot schadevergoeding instellen? Gedacht zou bijvoorbeeld kunnen worden aan een vordering uit onrechtmatige daad tot vergoeding van de schade die de fiscus lijdt, doordat de verschuldigde belasting door het onrechtmatige handelen niet meer kan worden ingevorderd. Knigge schrijft hierover:
“Een vordering uit onrechtmatige daad tot vergoeding van schade wegens onverhaalbaar geworden belastingschulden, kan zinnig zijn als een ander dan de belastingplichtige degene is geweest die de verhaalsmogelijkheid heeft gefrustreerd. Die derde biedt immers mogelijk nog wél verhaal.”1
In de eerste plaats kan de Belastingdienst zich puur op basis van de wettekst (‘degene die’) voegen als benadeelde partij. Ten tweede bepaalt art. 3 lid 2 IW dat de ontvanger, naast de bevoegdheden die hij heeft op grond van de IW, ook beschikt over de bevoegdheden die een schuldeiser heeft op grond van enige andere wettelijke bepaling. Volgens de Hoge Raad is in de IW een open systeem neergelegd.2 Dit houdt in dat de ontvanger de bevoegdheden van een schuldeiser heeft, en daarenboven beschikt over de bijzondere aan de IW ontleende bevoegdheden. In art. 4:124 Awb alsmede de Leidraad Invordering 2008 is overigens aangegeven dat de ontvanger, naast zijn specifieke bevoegdheden, ook alle bevoegdheden heeft die aan elke schuldeiser toekomen. Al met al is er dus een wetssystematisch argument voor de stelling dat de ontvanger van de mogelijkheid om zich als benadeelde partij te voegen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt ten derde niet dat de wetgever op enigerlei wijze de mogelijkheid om zich als benadeelde partij te voegen in het strafproces heeft willen beperken ten opzichte van de regeling zoals die eerder gold met betrekking tot de beledigde partij.3
Als de ontvanger bevoegd is (en dit vermoeden bestaat gezien de drie aanwijzingen zeer sterk) zich te voegen als benadeelde partij, in verband met een vordering tot schadevergoeding, dan rijst de vervolgvraag waar de schade dan uit bestaat. Van rechtstreekse schade in de zin van art. 51a WvSv is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. De vraag is dus vervolgens door welke strafbepalingen de belangen van de fiscus worden beschermd. Goed voorstelbaar is dat hiermee niet de bepalingen van art. 69 en 69a AWR worden bedoeld. Want ofschoon het belang van richtige belastingheffing door deze bepalingen wordt beschermd, heeft de ontvanger een arsenaal aan verhaalsmogelijkheden om het belastingnadeel te innen. In het licht van het hiervoor besproken open systeem kan anderzijds bepleit worden dat dit feit niet afdoet aan de mogelijkheid een vordering tot schadevergoeding in te stellen. Nogmaals: de wetgever in heeft in de IW juist gekozen voor een open systeem dat meebrengt dat aan de ontvanger tevens de bevoegdheden toekomen die een crediteur aan enige wetsbepaling kan ontlenen.
Een andere bijzonderheid als gevolg van de mogelijkheid voor de ontvanger zich als benadeelde partij te voegen, is dat aldus aan de Staat een bedrag moet worden betaald ten behoeve van de ontvanger als onderdeel van die Staat.
De Hoge Raad heeft op 11 april 2006 bevestigd dat de ontvanger ter zake van een vordering die niet strekt tot invordering van belastingschulden, maar tot vergoeding van schade als gevolg van onrechtmatig handelen van de belastingschuldige, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces waarin de belastingschuldige wegens dit handelen terechtstaat. In deze zaak betaalde belastingschuldige zijn belastingschuld niet, waarna de ontvanger beslag legde op zijn auto. Belastingschuldige gaf de auto weg aan een andere schuldeiser, en onttrok daarmee de auto aan het beslag. Hij werd vervolgd en veroordeeld op basis van art. 198 WvSr:
“Hij die opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag of aan een gerechtelijke bewaring onttrekt of, wetende dat het daaraan onttrokken is, verbergt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.”
De fiscus voegde zich als benadeelde partij in het strafproces en vorderde vergoeding van de schade die hij had geleden doordat de mogelijkheid tot verhaal die de auto bood, door het handelen van belastingschuldige teniet was gegaan. In geschil was of het hof de ontvanger als benadeelde partij terecht ontvankelijk in zijn vordering heeft verklaard, althans de vordering van de ontvanger terecht heeft toegewezen.4 Ook in het onderhavige geval kan niet gezegd worden dat de vordering uit onrechtmatige daad een onaanvaardbare doorkruising oplevert van de publiekrechtelijke regeling met betrekking tot de invordering van de belastingschuld. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
“De ontvanger beschikt ter uitoefening van zijn taak niet alleen over de bijzondere aan de Invorderingswet 1990 ontleende bevoegdheden. Hij kan ook gebruik maken van de wettelijke bevoegdheden die een schuldeiser aan het burgerlijk recht kan ontlenen, waaronder maatregelen om op te komen tegen verkorting van zijn verhaalsrecht. Dit zogenoemde ‘open systeem’ brengt onder meer mee dat de ontvanger ter zake van een vordering die niet strekt tot invordering van belastingschulden, maar tot vergoeding van schade die de ontvanger heeft geleden doordat de (volledige) invordering als gevolg van onrechtmatig handelen van de belastingplichtige niet meer mogelijk is, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces waarin de belastingplichtige wegens dit handelen terechtstaat.”
Al met al heeft de Hoge Raad de ontvanger een grote mate van vrijheid gelaten bij de keuze van de weg die hij wil bewandelen. Uit een arrest van 30 januari 2004 bleek ook dat de ontvankelijkheid van de vordering uit onrechtmatige daad er niet in aan de weg stond dat de ontvanger de gedaagde ook aansprakelijk kon stellen op basis van de bijzondere bevoegdheid die de ontvanger op grond van art. 40 IW 1990 toekwam. Het beroep dat daarbij werd gedaan op de ‘tweewegenleer’, werd door de Hoge Raad verworpen.5
Belangrijk is dat de vordering uit onrechtmatige daad goed moet worden onderscheiden van de invordering van de belastingschuld. Zo bevestigde ook de Rechtbank Overijssel bij vonnis van 6 april 2020:
”De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel, als bedoeld in artikel 36f Sr, niet opleggen, omdat de benadeelde partij gezien haar hoedanigheid in staat moet worden geacht zelf de nodige maatregelen ter incasso van het gevorderde bedrag te nemen.”6
Desalniettemin staan beide mogelijkheden niet geheel los van elkaar. De Hoge Raad oordeelde in het al aangehaalde arrest van 11 april 2006 namelijk dat het feit dat de vordering van de ontvanger niet strekt tot directe of indirecte invordering van de belastingschulden, niet wegneemt dat de belastingschulden tenietgaan als de gevorderde schadevergoeding door de aangesproken derde wordt betaald.7
Kortom: (belasting)geld innen kan via vele routes, waarvan deze er duidelijk geen is met een strafkarakter.8 De voeging als benadeelde partij is voor de ontvanger een mogelijkheid voor het invorderen van belastingschulden.9 Voor specifieke situaties is deze ‘route’ goed voorstelbaar, bijvoorbeeld als met medewerking van een derde verhaal wordt gefrustreerd. Gezien het invorderingsarsenaal van de ontvanger is de toegevoegde waarde mij – buiten de beschreven situatie – niet helemaal duidelijk geworden.10 Het standpunt van Raaijmakers is dan ook goed te volgen:
“Ik blijf echter van mening dat de privaatrechtelijke bepalingen inzake onrechtmatige daad eerst dan door de fiscus mogen worden gebruikt om derden aan te spreken, als er geen soortgelijke bepaling in de Invorderingswet 1990 of een andere belastingwet is opgenomen. Het kan naar mijn mening niet zo zijn dat de civielrechtelijke bepalingen een vangnet zijn voor alle gevallen waarin de fiscale wetgeving onvoldoende mogelijkheden biedt en/of het niet adequate reageren van de ontvanger kan sauveren.”11
Combinaties en voorwaardelijke opleggingsmogelijkheden
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, kan worden opgelegd aan degene die veroordeeld is tot een strafbaar feit, of aan wie een maatregel (of last) is opgelegd, of jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd. De maatregel die verplicht tot het betalen van schadevergoeding aan het slachtoffer kan dan ook met alle hoofd- en bijkomende straffen worden gecombineerd. Dit blijkt ook expliciet uit art. 36f lid 3 WvSr.
De maatregel kan niet voorwaardelijk worden opgelegd.