Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.2.1
6.2.1 Vergeefse pogingen om een registerstelsel in te voeren vóór de revolutie
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS414670:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Blum 1913, p. 109. Citaat uit ‘Observation des hypothèques et adjudications des héritages par décret’ van 1602.
Zie: §5.3.4.2.
Hoffman, Postel-Vinay & Rosenthal 2000, p. 117 e.v.
Hoffman, Postel-Vinay & Rosenthal 2000, p. 117 e.v.
Franken 1879, p. 21, nt. 1; Poussart 1908, p. 253; Blum 1913, p. 39; Bart 1998, p. 433.
Zie: §5.3.1.
Zie voor een uitgebreid overzicht van de pogingen: Blum 1913, p. 39 e.v.
Besson 1891, p. 69; Blum 1913, p. 43; Isambert XIII, p. 314 e.v.
Besson 1891, p. 69; Blum 1913, p. 48.
Blum 1913, p. 47.
De eerste minister van de koning, Maximilien de Béthune, duc de Sully wilde dat schuldeisers inzicht kregen in de solvabiliteit van hun schuldenaar. Mémoires de Maximilien de Béthune, duc de Sully, VII, boek 26 (London: 1763), p. 209. Laurent 1878 XXX, nr. 165; Blum 1913, p. 49.
Onder meer te vinden in Isambert XIX, p. 73 e.v.
Art. 21.
Isambert XIX, p. 73; Blum 1913, p. 73. De door Colbert opgestelde Ordonnance de Commerce uit 1673 was een groter succes en heeft tot aan de invoering van de Code de commerce in 1805 gegolden. Bovendien werd deze ordonnance vrijwel letterlijk overgenomen in de Code de commerce.
Laurent 1878 XXX, nr. 166-7; Van den Bergh 1978, p. 8; Byttebier 2005, nr. 13.
Colbert 1694, XII, p. 390.
Later, ten tijde van de totstandkoming van de Code civil, stelde men ter discussie dat dit fragment door Colbert was geschreven. Zie: Fenet 1836, XV, p. 231. Zo ook: Blum 1913, p. 74. Vgl. Van den Bergh 1978, p. 8.
Blum 1913, p. 75.
Art. 76 bepaalde: ‘Les greffiers ne prendront que trente sous pour chacun enregistrement, et pareille somme pout chacun extrait qu’ ils délivreront.’ Onder meer in Isambert XIX, p. 83. Volgens Blum werden deze inkomsten een maand na de afkondiging van het edict verkocht aan belastingpachters. Zie: Blum 1913, p. 69; Odier 1840, p. 68.
Blum 1913, p. 79.
d’Aguesseau 1789 XIII, p. 621.
d’Aguesseau 1789, XIII, p. 622. Volgens Laurent was d’Aguessseau ‘un homme de cour; il est l’organe de la noblesse, il n’est pas l’organe du droit quand il fait un plaidoyer en faveur des hypothèques occultes.’ Zie: Laurent 1878 XXX, nr. 167.
De afwezigheid van publiciteit bij de vestiging van pandrechten op onroerende zaken stuitte op kritiek in de literatuur en praktijk. De 16e eeuwse advocaat Leschassier uitte kritiek op het systeem ‘d’accumuler et amasser plusieurs hypothèques sur les héritages, incogneues et cachées aux postérieurs contractans qui sont autant de tromperies exposées au commerce et à la négociation publique, semblables aux pièges secrets que par les grands chemins on tenderoit.’1 Latere schuldeisers konden nooit zeker weten dat zij zich bij voorrang boven eerdere schuldeisers konden verhalen. Derde-verkrijgers van onroerende zaken wisten niet of zij onbezwaard verkregen. Zij konden onroerende zaken weliswaar van pandrechten zuiveren bij willig decreet, maar eenvoudig was dit niet.2 Bovendien werd ook de overdracht van onroerende zaken gekenmerkt door de afwezigheid van publiciteit. Bij gebreke van een door de overheid ingesteld register vervulden de Parijse notarissen in de 18e eeuw een spilfunctie, omdat zij zelf een uitgebreide administratie bijhielden met informatie over gevestigde zekerheidsrechten en informatie deelden met elkaar.3 Latere verkrijgers en latere zekerheidsgerechtigden moesten zich tot hen wenden om er zich van te gewissen of hun wederpartij een (generaal of speciaal) pandrecht op een onroerende zaak had gevestigd. De bemiddeling van de Parijse notarissen voorkwam dat de schuldenaar de mogelijkheid verloor om nieuw krediet aan te trekken.4
Vanaf de 16e eeuw heeft vrijwel elke Franse koning een poging ondernomen om tot publiciteit van de overdracht en bezwaring van onroerende zaken te komen.5 Zij lieten zich hierbij inspireren door de regeling van overdracht en bezwaring van de pays de nantissement.6 Vanaf de 14e eeuw werden in de pays de nantissement registers bijgehouden ten aanzien van de overdracht en bezwaring van onroerende zaken. De meeste pogingen om een registerstelsel in Frankrijk in te voeren, zijn echter gestrand als gevolg van de weerstand die de parlementen tegen het registerstelsel hadden.7
Koning Henri II stelde in 1553 de inschrijving van koop- en pandaktes verplicht voor zover ze een waarde vertegenwoordigden van meer dan vijftig livres tournois.8 De inschrijving berustte op een zogenaamde ‘insinuation’, dat wil zeggen dat de akte of een samenvatting daarvan werd overgeschreven in een register dat voor het publiek toegankelijk was. De koning heeft dit edict in 1560 alweer afgeschaft.9 In jaren dat het edict gold, werd het bovendien niet nageleefd.10 In 1581 heeft koning Henri III de inschrijving van pandaktes in een register voorgeschreven. Als de pandakte niet was ingeschreven, kon de schuldeiser zich niet met voorrang boven andere schuldeisers verhalen op de verpande zaken.11 Deze ordonnantie is echter al in 1588 ingetrokken. Een poging van koning Henri IV in 1606 om deze regeling nieuw leven in te blazen, liep op niets uit. Koning Lodewijk XIV en zijn minister Colbert hebben in 1673 geprobeerd om een register voor pandaktes in te voeren.12 Slechts schuldeisers met pandrechten waarvan de pandakte was ingeschreven, hadden voorrang.13 Ook deze wet was geen lang leven beschoren. Een jaar later is zij ingetrokken.14
Telkens stuitten de hervormingsvoorstellen op weerstand van de parlementen. Algemeen wordt aangenomen dat vooral de adel, die naast de geestelijkheid in de parlementen was vertegenwoordigd, zich verzette tegen publiciteit van pandrechten op onroerende zaken.15 In de memoires van Colbert staat dat de edelen publiciteit tegenhielden om hun eigen schuldenpositie geheim te houden.16 Het is echter onzeker of dit fragment van de hand van Colbert is.17 Het is daarnaast mogelijk dat de adel zich verzette tegen het fiscale aspect van de voorstellen.18 De registratie moest namelijk de belastinginning door de koning faciliteren.19 Toen de koning in 1704 het registerstelsel van het edict van 1673 nieuw leven in wilde blazen, verzetten de parlementen zich opnieuw met succes.20 Henri-François d’Aguesseau (1668-1751), de latere kanselier van Frankrijk, verwoordde het standpunt van het parlement als volgt: ‘On a toujours cru que rien n’étoit plus contraire au bien & à l’avantage de toutes les famillles, que de faire trop connoître l’état & la situation de la fortune des Particuliers.’21 Volgens d’Aguesseau dreef welvaart op vertrouwen. Iedere schuldenaar kon in de positie komen dat zijn passiva groter waren dan zijn activa. Zolang het goed ging en de schuldenaar zijn schuldeisers op de afgesproken tijdstippen betaalde, hoefden zijn schuldeisers niet te weten dat hij meer passiva had dan zijn activa. In de loop van de tijd kon de schuldenaar op eigen kracht zijn activa vergroten of met hulp van familie, vrienden of het lot. Openbaarheid was volgens d’Aguesseau hiervoor schadelijk. Hij was er namelijk bang voor dat bepaalde schuldeisers die volledig op de hoogte zouden zijn van het gebrek aan solvabiliteit van de schuldenaar geen handelskrediet meer zouden verstrekken en hun vorderingen direct zouden opeisen.22