Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.1.2:4.1.2 Het zaaksbegrip in het BW
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.1.2
4.1.2 Het zaaksbegrip in het BW
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644974:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Jong spreekt over de “onttroning van de eigendom”: De Jong (2006), p. 8-9.
Asser/Scholten (1945), p. 8; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/54.
Schuijling (2016), p. 102.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Boek 3 van het BW, dat de algemene regels over het vermogensrecht weergeeft, begint met de definitie van “goederen”. Goederen zijn volgens art. 3:1 BW alle zaken en alle vermogensrechten.1 Het BW schafte met dit artikel het begrip “onlichamelijke zaken” af en bracht deze categorie onder de term “vermogensrechten”. Door de vermogensrechten niet als zaken te kwalificeren, beëindigde het BW een eeuwenlange traditie die was begonnen in het Romeinse recht waarin werd gesproken over “res corporales” en “res incorporales”. Onder het begrip “zaak” vallen volgens art. 3:2 BW slechts nog de stoffelijke objecten die voor menselijke beheersing vatbaar zijn.2 Het gevolg van de afschaffing van de onlichamelijke zaak is, dat alleen een (lichamelijke) zaak voorwerp van eigendom kan zijn.3 Degene aan wie een vermogensrecht “toebehoort”, is daarvan geen eigenaar, maar rechthebbende. Wel geldt onder het BW wat ook onder het OBW gold, namelijk dat het eigendomsrecht wordt vereenzelvigd met de zaak zelf.4 Ook nu spreekt men over het overdragen van zijn huis of zijn auto, terwijl het ook onder het BW juister is om te spreken over het overdragen van zijn eigendomsrecht op het huis of op de auto.
Het begrip “zaak” heeft geen ondubbelzinnige betekenis in het Burgerlijk Wetboek.5 Het kan, zoals gezegd, zowel betrekking hebben op het eigendomsrecht op een zaak (art. 5:1 BW en art. 3:1 BW), als op een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object (art. 3:2 BW). In bepaalde gevallen wordt het begrip echter gebruikt om een onzelfstandig onderdeel van dit stoffelijke object aan te duiden (art. 3:4 lid 2 BW en art. 3:9 BW). Eerst een paar woorden over het stoffelijke object.
4.1.2.1 Stoffelijk object4.1.2.2 Voor menselijke beheersing vatbaar