Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.4.1.5.1
13.4.1.5.1 Vervreemdingsvoordelen
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232869:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 13.4.1.2.1.
Men zou hier anders over kunnen denken indien het de certificaathouder is die zelf de certificering in het leven heeft geroepen en daarmee invloed heeft gehad op de voorwaarde, die op het latere moment van de vervreemding van de aandelen de STAK in staat stelde om dit zonder zijn medewerking te doen. Eventueel zou men deze handeling nog door kunnen trekken naar de rechtsopvolgers onder algemene titel van de certificerende aandeelhouder. Indien de certificaathouder evenwel onder bijzondere titel heeft verkregen, zoals bij koop of schenking van de certificaten, aanvaardt hij de certificaten in een bepaalde “staat”, met alle daaraan verbonden voordelen en beperkende voorwaarden als één geheel. Dan kan men mijns inziens in ieder geval niet meer zeggen dat deze certificaathouder een handeling heeft verricht die, hoe indirect ook, tot de latere vervreemding heeft geleid en die dus aan hem toegerekend zou moeten worden. Waarschijnlijk is overigens dat de initiële certificaathouder zich op andere wijze of in een andere hoedanigheid de invloed op het al dan niet vervreemden van de aandelen heeft voorbehouden, hetgeen dan in ieder geval tot toerekening van het handelen van de STAK kan leiden.
Vergelijk bijvoorbeeld Kamerstukken II vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3, pagina 18, waar wordt opgemerkt dat het bij toepassing van deze fictie niet uitmaakt hoe de aanmerkelijkbelanghouder onder de 5%-grens gezakt is.
De doorschuiffaciliteit van artikel 4.40 Wet IB 2001 is hier niet toepasbaar, omdat deze (thans) slechts toepasbaar is ter zake van de aandelen die tot het vermogen van de aanmerkelijkbelanghouder blijven behoren.
De fictie brengt met zich dat het van ondergeschikt belang is of de vervreemding door de STAK aan de certificaathouder toegerekend kan worden, omdat, ook indien deze toerekening niet plaats kan vinden, alsnog een vervreemding van het aanmerkelijk belang gezien wordt. Zonder de fictie zou echter sprake zijn van een heffingslek. Een dergelijk heffingslek doet zich wel in bepaalde mate voor bij de vervreemding van enkel rechten die in de aandelen besloten liggen, omdat het aanmerkelijk belang dan blijft bestaan en artikel 4.16 lid 1 sub g Wet IB 2001 dus niet van toepassing is (zie tevens paragraaf 13.4.1.3.2).
Een mogelijke consequentie van het uiteenlopen van het genietingstijdstip en het moment van daadwerkelijke ontvangst van het vervreemdingsvoordeel door de certificaathouder, is dat de certificaathouder wellicht niet beschikt over de middelen om de inkomstenbelasting te betalen. Het is derhalve aan te raden om dit in de administratievoorwaarden te ondervangen door middel van een verplichting voor de STAK om in elk geval een zodanig bedrag uit te keren aan de certificaathouder, dat deze de belasting kan voldoen (vergelijk paragraaf 7.9.1 onder (e)). Zie voorts paragraaf 15.3.3 voor een voorstel inzake toerekening van inkomsten aan in combinatie met een verhaalsrecht voor de certificaathouder, dat dit probleem in meer algemene zin zou ondervangen.
Ik zou in dat verband willen aansluiten bij de genietingstijdstippen voor reguliere voordelen, zoals gedefinieerd in artikel 4.43 Wet IB 2001.
Het beantwoorden van deze vraag kan in praktische zin gecompliceerd worden doordat het dividend gezamenlijk met andere vormen van inkomsten of vermogen geherinvesteerd is, zodat het lastig of onmogelijk wordt om te herleiden uit welk vermogen of welke inkomsten de latere uitkering afkomstig is. Op dit punt ga ik verder niet in.
Althans indien men uitgaat van de door mij voorgestane benadering waarbij latere uitkering alsnog tot heffing leidt. Indien men bij uitkering slechts kijkt naar de aard van hetgeen wordt uitgekeerd, doet deze tweede vraag zich niet voor. Deze aard bepaalt dan niet alleen de heffing op het moment van uitkering, maar ook tot aan het moment van uitkering.
De box 2-heffing kan daarbij mijns inziens dan slechts betrekking hebben op het nominale bedrag van het vervreemdingsvoordeel. Eventuele vruchten zijn immers reeds in de box 3-heffing betrokken.
Overigens is, indien men de box 2-heffing beperkt tot het nominale vervreemdingsvoordeel, geen sprake van strijd met de rangorderegeling van artikel 2.14 Wet IB 2001. Het object van de box 2-heffing is in dat geval het vervreemdingsvoordeel (en niet het rendement daarvan), terwijl de box 3-heffing betrekking heeft op het (forfaitaire) rendement van dit vervreemdingsvoordeel. Derhalve is geen sprake van tweemaal belastingheffing over hetzelfde object.
Deze benadering wordt voorgesteld door Hofman en Singh ter zake van reguliere voordelen, zie WFR 2017/7174, paragraaf 4.2.3.
Vervreemdingsvoordelen zullen zich voordoen indien de STAK haar aandelen vervreemdt. Voorts zijn bepaalde fictieve vervreemdingen in de zin van artikel 4.16 Wet IB 2001 denkbaar, zowel op niveau van de STAK (bijvoorbeeld een inkoop van aandelen door de vennootschap wier aandelen gecertificeerd zijn), als bij de certificaathouder zelf (zoals overgang onder algemene titel door boedelmenging). Ik wil hier slechts ingaan op de situatie van een reële of fictieve vervreemding die verband houdt met de aandelen zelf, aangezien zich dan de situatie voor kan doen dat de STAK de tegenprestatie voor de aandelen ontvangt, maar deze niet direct uitkeert aan de certificaathouder.
Vaak zal bij certificering van aanmerkelijkbelangaandelen gekozen worden voor een gefaciliteerde certificering, in welk geval een doorstootverplichting overeengekomen zal worden in de administratievoorwaarden.1 Zelfs dan is echter denkbaar dat de ontvangst van de tegenprestatie door de STAK en de dooruitkering zich niet in hetzelfde jaar voordoen, indien de vervreemding zich kort voor het jaareinde voordoet. Bovendien is een gefaciliteerde certificering bij aanmerkelijkbelangaandelen weliswaar om fiscale redenen de doorgaans gebruikte vorm, maar het is strikt genomen niet noodzakelijk. Certificering van aanmerkelijkbelangaandelen waarbij geen doorstootverplichting wordt overeengekomen, maar de STAK de mogelijkheid of zelfs de verplichting heeft tot herinvestering van inkomsten, is ook mogelijk. In een dergelijk geval kan een (lange) tijd verstrijken tussen ontvangst door de STAK en uitkering aan de certificaathouder. De vraag is op welk moment de certificaathouder in een dergelijk geval geacht wordt zijn vervreemdingswinst te genieten.
Artikel 4.46 lid 1 Wet IB 2001 bepaalt dat vervreemdingsvoordelen geacht worden genoten te zijn op het tijdstip van de vervreemding van het aanmerkelijk belang. Dit tijdstip is naar mijn mening in principe het moment waarop de STAK haar aandelen vervreemdt, ook indien geen sprake is van een doorstootverplichting. Vanaf dit moment heeft de certificaathouder immers ook geen aanmerkelijk belang meer.
Een vraag die men zich daarbij wel kan stellen, is of gezien de in paragraaf 13.4.1.2.2 weergegeven definitie van vervreemding van aanmerkelijk belang, de certificaathouder geacht kan worden te vervreemden indien het de STAK is die handelt. Hiervoor is ten minste vereist dat de vervreemdingshandeling van de STAK aan de certificaathouder toerekenbaar is. Dat een dergelijke toerekening mogelijk is, lijkt mij evenwel goed denkbaar. In ieder geval indien sprake is van een daadwerkelijke vervreemding zal een handeling van de STAK vereist zijn. Bij fictieve vervreemdingen is denkbaar dat dit buiten de STAK om, en wellicht ook tegen de wens van de STAK in, geschiedt. Aangezien de wet in deze laatste gevallen een vervreemding fingeert, is mijns inziens een (al dan niet toegerekende) handeling van de certificaathouder niet vereist. In een dergelijk geval zal steeds direct sprake zijn van een vervreemding en de daarmee samenhangende aanmerkelijkbelangheffing.
Indien sprake is van een daadwerkelijke vervreemding, hangt het af van de omstandigheden van het geval of sprake is van een rechtshandeling van, althans toerekenbaar aan, de certificaathouder. Gevallen waarin daarvan sprake is, zijn naar mijn mening die waarin de certificaathouder invloed heeft gehad op de beslissing om al dan niet te vervreemden. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de certificaathouder met de vervreemding moet instemmen, zelfstandig of als deel van de gezamenlijke certificaathouders (met een zodanig invloed dat hij de vervreemding desgewenst had kunnen blokkeren). Ook is hiervan mijns inziens sprake indien de certificaathouder in een andere hoedanigheid, zoals als bestuurder van de STAK met doorslaggevende zeggenschap, de vervreemding heeft kunnen doen plaatsvinden.
Veelal zal, zeker indien de certificering gericht is op vermogensbescherming, de certificaathouder echter niet een dergelijke invloed hebben. Het is derhalve denkbaar dat de STAK overgaat tot vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen zonder instemming van de certificaathouder of wellicht zelfs tegen diens wensen in. In dat geval kan naar mijn mening geen tot vervreemding leidende rechtshandeling aan de certificaathouder toegerekend worden. De enkele omstandigheid dat de certificaathouder de certificaten op enig moment verkregen heeft met daaraan verbonden bepaalde voorwaarden, waaronder de voorwaarde die de STAK de mogelijkheid verschafte om buiten de wil van de certificaathouder de aandelen te vervreemden, staat mijns inziens in een onvoldoende sterk verband met de vervreemding om tot een dergelijke toerekening te komen.2
Ook indien men niet tot toerekening van een tot vervreemding leidende rechtshandeling zou kunnen concluderen, kan toch sprake zijn van een vervreemding, maar dan op grond van een fictie: artikel 4.16 lid 1 sub g Wet IB 2001 regelt de fictieve vervreemding indien niet langer een aanmerkelijk belang aanwezig is. Hoewel deze bepaling wellicht geschreven is met primair het oog op verwateringssituaties,3 is de formulering dermate ruim, dat ook het (in het geheel) niet langer hebben van een aanmerkelijk belang door een certificaathouder, als gevolg van een vervreemding door de STAK, binnen het bereik van de bepaling past.4, 5 Het genietingstijdstip is ook in dit geval het moment van de vervreemding.6
Het voorgaande geldt evenzeer indien de STAK niet alle aandelen vervreemdt, maar wel zodanig veel dat het resterende belang kleiner is dan 5%. De fictie van artikel 4.16 lid 1 sub g Wet IB 2001 is dan ook van toepassing, terwijl doorschuiving op grond van artikel 4.40 Wet IB 2001 slechts mogelijk is voor zover de STAK de aandelen behoudt. Het is echter ook denkbaar dat de STAK een deel van haar aandelen vervreemdt, maar gelijktijdig een belang van 5% of meer in de vennootschap aanhoudt. De fictie van artikel 4.16 lid 1 sub g Wet IB 2001 is dan niet van toepassing, in welk geval slechts een vervreemding door de certificaathouder geconstateerd kan worden indien sprake is van een aan hem toerekenbare tot de vervreemding leidende rechtshandeling. Afhankelijk van de inhoud van de administratievoorwaarden is evenwel denkbaar dat de STAK zelfstandig en wellicht ook tegen de wensen van de certificaathouder in tot vervreemding van de aandelen kan besluiten. In dat geval kan naar mijn mening niet gezegd worden dat de certificaathouder vervreemdt, maar geniet deze pas het vervreemdingsvoordeel op het moment dat hij ter zake van dit voordeel zelf een genietingsmoment heeft, hetgeen doorgaans zal zijn op het moment van dooruitkering van het vervreemdingsvoordeel door de STAK aan de certificaathouder. Strikt genomen zou men kunnen zeggen dat ook op dat moment geen vervreemding door de certificaathouder plaatsvindt. Een redelijke wetstoepassing brengt naar mijn mening evenwel met zich dat het vervreemdingsvoordeel bij de certificaathouder belastbaar wordt, op het moment dat zich ten aanzien van hem een genietingstijdstip voordoet.7
Zodra zich een dergelijk genietingstijdstip voordoet, rijst de vraag of de uitkering door de STAK inderdaad nog een in box 2 te belasten voordeel betreft. Indien de STAK de verkoopopbrengst in dezelfde vorm heeft aangehouden en als zodanig heeft uitgekeerd aan de certificaathouder, zie ik niet in waarom dit niet het geval zou zijn. Dan is slechts sprake van een uitstel in het genieten van het vervreemdingsvoordeel door de certificaathouder. De zaak komt echter complexer te liggen indien de STAK de verkoopopbrengst heeft geherinvesteerd in vermogen dat niet in box 2 valt, bijvoorbeeld indien hiervan portfoliobeleggingen gekocht worden. Strikt genomen zal deze situatie zich nagenoeg altijd voordoen, tenzij de STAK van de verkoopopbrengst andere aanmerkelijkbelangaandelen koopt. De liquide aangehouden verkoopopbrengst zou in handen van de certificaathouder immers ook box 3-vermogen zijn. Dan komt de vraag op of uitkeringen van deze goederen nog steeds gezien kunnen worden als vervreemdingsvoordelen uit aanmerkelijk belang.8 Hierbij spelen mijns inziens de volgende afwegingen een rol:
Enerzijds kan gezegd worden dat de uitkering door de STAK een uitgestelde doorbetaling van het vervreemdingsvoordeel is, ook al heeft dit niet meer dezelfde vorm als hetgeen eerder door de STAK ontvangen is. De certificaathouder heeft steeds enig economisch belang gehad bij dit vervreemdingsvoordeel, zij het niet genoeg om tot vervreemding van zijn aanmerkelijk belang te concluderen op het moment dat de STAK de aandelen vervreemdde, en dit belang uit zich nu in de uitbetaling van het vervreemdingsvoordeel.
Anderzijds kan men menen dat er niet langer sprake is van een vervreemdingsvoordeel. Niet alleen heeft de uitkering door de STAK niet dezelfde vorm als het eerder ontvangen vervreemdingsvoordeel, maar ook was het economische belang van de certificaathouder niet zodanig dat deze geacht kon worden om vervreemd te hebben op het moment dat de STAK dit deed. De uitkering betreft derhalve datgene wat aanwezig is op het moment van de uitkering. Indien dit bijvoorbeeld portfoliobeleggingen betreft, kan dus geen sprake zijn van een in box 2 te belasten vervreemdingsvoordeel.
Van deze twee benaderingen spreekt de eerste mij het meeste aan. Allereerst doet dit recht aan de omstandigheid dat voor de certificaathouder, hoewel deze niet het volledige economische belang bij het vervreemdingsvoordeel heeft, zijn uitkering toch samenhangt met de (netto)opbrengst van aandelen die voor hem een aanmerkelijk belang vormden. Daarnaast zou sprake zijn van een heffingslek indien men zou willen aannemen dat niet langer sprake is van een in box 2 te belasten vervreemdingsvoordeel indien (i) men de administratievoorwaarden zo inrichten dat geen sprake is van volledige economische gerechtigdheid tot dit voordeel en (ii) de STAK het vervreemdingsvoordeel voor uitkering aan de certificaathouder omzet in een vermogensbestanddeel dat niet in box 2 valt. Dat zou het vermijden van aanmerkelijkbelangheffing wel erg eenvoudig maken. Desalniettemin valt ook te betogen dat de uitkering onder omstandigheden geen vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang (meer) is.
Naast de voorgaande problematiek komt de vraag op hoe de belastingheffing verloopt in de periode tussen verkoop van de aandelen door de STAK en dooruitkering van het aldus door de STAK gerealiseerde vervreemdingsvoordeel aan de certificaathouder. Gedurende deze periode is sprake van de ontvangen liquide middelen, die normaal gesproken in box 3 zouden vallen, dan wel van andere goederen waarin de STAK de ontvangen koopsom heeft geherinvesteerd. Van deze vervangende goederen zou per geval beoordeeld moeten worden in welke box deze vallen. Voor het navolgende ga ik uit van box 3-vermogen.
De situatie die dan ontstaat is dat (i) de STAK een vervreemdingsvoordeel heeft gerealiseerd, dat echter nog niet bij de certificaathouder belast is, terwijl (ii) bij dooruitkering alsnog belastingheffing bij de certificaathouder kan plaatsvinden,9 maar (iii) tussentijds sprake is van box 3-vermogen in de STAK, waar de certificaathouder een zeker economisch belang bij heeft. Indien sprake is van certificaten van box 3-vermogen als zodanig, zou dit zonder meer leiden tot belastingheffing, zie hiervoor nader paragraaf 13.4.3.1 hierna. De vraag is of de omstandigheid, dat uitkering van het desbetreffende vermogen (alsnog) zou leiden tot belastingheffing in box 2, met zich brengt dat tussentijds sprake is van in box 3 belastbaar vermogen. Ik zie in dit verband meerdere mogelijke benaderingen:
Men neemt toch aan dat de certificaathouder zijn vervreemdingsvoordeel geniet op het moment dat de STAK haar aandelen vervreemdt. De vraag hoe latere box 2-heffing en tussentijdse box 3-heffing zich eventueel verhouden, kan zich dan niet voordoen, omdat het vervreemdingsvoordeel belastbaar wordt en aansluitend het box 3-vermogen ontstaat. Deze benadering heeft derhalve de charme van eenvoud. Zij is echter mijns inziens onhoudbaar, aangezien artikel 4.46 lid 1 Wet IB 2001 een vervreemding vereist en (nog) geen sprake is van een aan de certificaathouder toerekenbare vervreemdingshandeling.
Men neemt het moment van genieting van het vervreemdingsvoordeel door de certificaathouder als moment waarop de belastingheffing over de verkoopopbrengst aangrijpt. Gedurende de periode tussen de vervreemding door de STAK en de uitkering aan (althans genieting anderszins door) de certificaathouder wordt de verkoopopbrengst, dan wel datgene dat daarvoor in de plaats is gekomen, belast in box 3 indien in deze periode een of meer peildata vallen. Zodra de verkoopopbrengst/het vervangende vermogen alsnog wordt uitgekeerd, vindt belastingheffing in box 2 plaats.10 Deze benadering heeft als voordeel dat een sluitend systeem ontstaat. In een situatie zonder certificering zou sprake zijn van een combinatie van box 2-heffing over het vervreemdingsvoordeel en daarna heffing in box 3 en deze benadering leidt tot een vergelijkbaar resultaat, zij het dat de heffing niet in dezelfde volgorde plaatsvindt. Voorts is sprake van een uitstel van de box 2-heffing. Het bezwaar tegen deze benadering is naar mijn mening dat een vrij sterk beroep op redelijke wetstoepassing nodig is om tot deze uitkomst te komen, omdat het noodzakelijk is om een volgtijdelijke samenloop tussen box 2-heffing en box 3-heffing aan te nemen die zich normaal gesproken niet zou voordoen.11
Men neemt aan dat het door de STAK ontvangen vervreemdingsvoordeel zijn karakter als box 2-bestanddeel behoudt tot het moment van uitkering aan de certificaathouder. Dit is consistent met het uitgangspunt dat het vervreemdingsvoordeel niet van karakter verandert in de periode tussen vervreemding en uitkering. Daar staat tegenover dat deze benadering leidt tot een heffingslek, omdat in deze periode geen belastingheffing plaatsvindt, tenzij men zou willen aannemen dat het rendement op de verkoopopbrengst ook belastbaar zou zijn in box 2. Voor dit laatste ontbreekt naar mijn mening echter de wettelijke basis, aangezien de omvang van het vervreemdingsvoordeel gezien artikel 4.19 Wet IB 2001 (mede) wordt bepaald door de overdrachtsprijs, waar dit rendement uiteraard geen deel van uitmaakt.
Men zou als uitgangspunt kunnen nemen dat het vervreemdingsvoordeel toch niet bij de certificaathouder belast kan worden in box 2, aangezien zich ten aanzien van hem geen vervreemding voordoet. De vervreemdingshandeling door de STAK is niet aan hem toe te rekenen en de latere uitkering door de STAK leidt weliswaar tot een genieten van deze uitkering door de certificaathouder, maar een vervreemding doet zich op dit moment niet meer voor. Ook in dit geval is de benadering in zoverre consistent, dat de vraag naar eventuele transformatie van het vervreemdingsvoordeel niet speelt: het vervreemdingsvoordeel wordt in dit geval box 3-vermogen, zonder dat belastingheffing plaatsvindt. Dat laatste is meteen ook het bezwaar tegen deze benadering, aangezien daardoor sprake is van een heffingslek.
Ten slotte is een denkbare optie dat men aanneemt dat het vervreemdingsvoordeel zijn aard als voordeel uit aanmerkelijk belang behoudt en als zodanig belast wordt, terwijl de vermogensvermeerdering die ontstaat doordat het vervreemdingsvoordeel rendement oplevert als box 3-vermogen wordt aangemerkt.12 Deze benadering is in zoverre consistent, dat daarmee recht wordt gedaan aan de aard van het vervreemdingsvoordeel, doordat dit uiteindelijk bij uitkering in box 2 belast zal worden. Gelijktijdig wordt het rendement op de verkoopopbrengst, welke opbrengst door een aandeelhouder naar box 3 zou verschuiving, terecht in box 3 belast. Desalniettemin kan men in deze situatie een heffingslek aanwezig achten, doordat het nominale bedrag van het vervreemdingsvoordeel buiten de box 2-heffing blijft tot het moment van uitkering, maar gedurende die periode ook buiten de box 3-heffing blijft. Ten opzichte van de situatie waarin een aandeelhouder zijn aandelen verkoopt en de opbrengst in box 3 belast wordt, is dan minder inkomstenbelasting verschuldigd.
Vooropgesteld zij dat noch wet, noch jurisprudentie leiden tot een eenduidige keuze tussen deze benaderingen. De verschillende alternatieven vergelijkend, heb ik een lichte voorkeur voor alternatief (b). Zoals reeds opgemerkt lijkt alternatief (a) mij niet houdbaar, gezien de wijze waarop het genietingstijdstip voor vervreemdingsvoordelen gedefinieerd is. Alternatieven (c) en (d) hebben beide als bezwaar dat deze tot een heffingslek leiden, hetgeen in zichzelf uiteindelijk natuurlijk niet aan de juistheid van een bepaalde interpretatie in de weg hoeft te staan. Consequentie van deze beide alternatieven is echter ook, dat vermogen kan verschuiven tussen box 2 en box 3, zonder dat sprake is van afrekening van de box 2-claim, hetgeen maakt dat deze alternatieven niet goed passen binnen het systeem van de Wet IB 2001. Ook alternatief (e) leidt in bepaalde mate tot een heffingslek, zij het in mindere mate. In dit geval wordt echter meer recht gedaan aan de aard van het vervreemdingsvoordeel en de vervolgens hieruit voortvloeiende rendementen. Tegen alternatief (b) (en ook alternatief (e)) is als bezwaar aan te voeren dat men hiervoor moet aannemen dat de box 2-heffing kan plaatsvinden ter zake van vermogen dat inmiddels verschoven is naar box 3. Ook is een vraag of deze benaderingen in overeenstemming zijn met de rangorderegeling van artikel 2.14 Wet IB 2001, omdat die veronderstelt dat inkomsten pas in box 3 belastbaar zijn indien deze niet binnen het bereik van box 2 vallen en de box 2-heffing in dit geval (nog) niet heeft plaatsgevonden. Alternatief (b) is echter naar mijn mening de enige benadering die tot een sluitende heffing leidt, maar men kan van mening zijn dat een inbreuk op het systeem zwaarder weegt. Vooralsnog kan mijns inziens slechts geconcludeerd worden dat meerdere interpretaties mogelijk zijn en dat niet duidelijk is welke in de ogen van de Hoge Raad de juiste zou blijken te zijn.