Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.2.1:7.2.1 Vaste inrichting
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.2.1
7.2.1 Vaste inrichting
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611451:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting is op basis van art. 17 lid 3 onderdeel a Wet VPB 1969 de winst belast die een buitenlands lichaam behaalt door middel van een in Nederland gevestigde ‘vaste inrichting’ of een vaste vertegenwoordiger. In dezelfde zin is dit voor de inkomstenbelasting bepaald in art. 7.2 lid 2 onderdeel a Wet IB 2001.
Op basis van art. 5 lid 1 OESO wordt onder een vaste inrichting verstaan:
‘... a fixed place of business through which the business of an enterprise is wholly or partly carried on.’
Kavelaars, De Graaf en Stevens (2007) merken op dat dit begrip ‘vaste inrichting’ niet alleen betrekking heeft op de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen verdragsluitende staten en de winsttoerekening van art. 7 OESO, maar op het gehele verdrag. In dit verband geldt het begrip ook voor de toerekening van arbeidsinkomsten in geval van detachering als bedoeld in art. 15 OESO. Overigens is de begripsomschrijving in art. 5 lid 1 OESO min of meer gelijk aan de definitie van de ‘vaste inrichting’ in art. 5 lid 1 NSV en art. 2 lid 1 BvdB 2001.
In art. 5 lid 2 tot en met 4 OESO (NSV) is nader gepreciseerd wat onder het begrip ‘vaste inrichting’ dient te worden verstaan. In vergelijkbare zin zijn in art. 7.4 Wet IB 2001 en art. 17a Wet VPB 1969 vormen van een fictieve vaste inrichting genoemd. Voorts is in art. 5 lid 5 en 6 OESO (NSV) de ‘vaste vertegenwoordiger’ bedoeld.
Om te bepalen welk gedeelte van de winst kan worden toegerekend aan een vaste inrichting, bestaan twee basismethoden. In de eerste plaats is er de ‘directe methode’, ook wel de methode van ondernemingssplitsing genoemd. Op basis hiervan wordt de vaste inrichting als een zelfstandige onderneming behandeld. Dat wil zeggen, dat alle vermogensbestanddelen van de onderneming moeten worden toegerekend aan de vaste inrichting of aan het hoofdhuis. De opbrengsten en kosten die verband houden met de aan de vaste inrichting toegerekende bestanddelen bepalen de winst van de vaste inrichting. Deze directe methode wordt ook als uitgangspunt gehanteerd in het BvdB 2001.
Ten tweede is er de indirecte methode, ook bekend als de methode van winstsplitsing. Hierbij wordt de totale winst van de onderneming gesplitst op basis van bepaalde verdeelsleutels, bijvoorbeeld op basis van het aantal werkzame personen bij de vaste inrichting en het hoofdhuis, of op basis van omzetverhoudingen of kostenstructuur.
In verband met de winsttoerekening kan nog worden gewezen op een OESO-project, waarin de zelfstandigheidsfictie nader wordt onderzocht.1 In dit verband is in vier deelrapporten een nieuwe methode van winstallocatie uiteengezet, waarin de vaste inrichting als een geheel zelfstandige entiteit wordt behandeld. Bedrijfsmiddelen, risico’s en vermogen worden eerst toegerekend aan de vaste inrichting op basis van een functionele analyse; vervolgens wordt op basis van art. 9 OESO een ‘at arm’s length’-winst toegerekend aan de vaste inrichting. Deze nieuwe methode van winstallocatie zal uitmonden in een aanpassing van art. 7 OESO.2